21 501-19
Gezondheidsraad

nr. 29
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 6 december 1997

De algemene commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport2 hebben op donderdag 27 november 1997 overleg gevoerd met minister Borst-Eilers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over:

– het verslag van de Gezondheidsraad van 5 juni 1997 (21 501-19, nr. 22);

– de geannoteerde agenda van de Gezondheidsraad van 4 december 1997 (VWS-97-1684);

– de brief d.d. 21 november van de minister van VWS inzake het EU-richtlijnvoorstel tabaksreclamebeperking (VWS-97-1709);

– het groenboek van de Europese Commissie «algemene beginselen van het levensmiddelenrecht in de EU» (22 112, nr. 89, fiche nr. 4 en bijgaande notitie); hierbij kan worden betrokken de brief over de problematiek van de tarweglutenkaasdeklaag (VWS-97-479).

Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Kamp (VVD) vroeg of het kabinetsstandpunt over de tabaksreclamebeperking, zoals verwoord in de brief van 21 november, definitief was. Komt dit onderwerp nog in de ministerraad van 28 november aan de orde naar aanleiding van hetgeen vandaag in dit algemeen overleg naar voren komt?

In dat kader betreurde zij het dat het kabinet het EU-richtlijnvoorstel niet aan de Kamer heeft toegezonden. Ook het bedrijfsleven beschikt niet over de exacte tekst van dit voorstel, dat op 4 december in de Gezondheidsraad aan de orde komt. Zij benadrukte dat de VVD-fractie ook na deze informatie niet van standpunt zal veranderen: de VVD-fractie was en is tegen een verbod op tabaksreclame.

Zij releveerde voorts dat in deze kwestie de subsidiariteitsvraag als eerste aan de orde komt. Moet een en ander, gelet op het Verdrag van Amsterdam, wel in Europees verband worden geregeld of kan dit beter op nationaal niveau worden vastgesteld? In het verleden ging Nederland er altijd van uit dat deze kwestie geen Europese regelgeving behoefde. De vraag is nu of Nederland dat beginsel thans verlaat.

Daarbij memoreerde mevrouw Kamp dat ten aanzien van de nationale regeling altijd werd gekozen voor zelfregulering, waartoe een convenant met het bedrijfsleven is opgesteld. In het algemeen overleg van 26 september 1996 heeft de minister ook steeds de optie van zelfregulering opengehouden. Wordt ook dit beginsel thans verlaten?

Verder informeerde zij naar de opstelling van de overige lidstaten. Naar haar mening was een beperking van de indirecte reclame op basis van artikel 100A in strijd met de Zweedse grondwet. Op 28 november vergadert het Deense parlementair comité voor Europese zaken; tot op de dag van vandaag is het afwijzende standpunt van Denemarken nog niet gewijzigd. Het Verenigd Koninkrijk is wellicht wel voorstander van de richtlijn, mits voor de Formule 1-races een uitzondering wordt gemaakt. Anders kan het Verenigd Koninkrijk niet overstag gaan. Het is dan ook een cruciale vraag of Nederland inderdaad wel de blokkerende minderheid in EU-verband is. Als dat niet het geval blijkt, behoeft ook geen sprake te zijn van heroverweging van het in het verleden ingenomen kabinetsstandpunt. In dat verband was zij ook benieuwd naar de sprekersvolgorde tijdens de komende Gezondheidsraad.

Zij wees erop dat het kabinet voorstander is van het opnieuw op Zandvoort houden van Formule 1-races. Daarnaast is er ook nog de TT in Assen. Wie betaalt deze evenementen als de sponsoring van de tabaksindustrie wegvalt?

Ook vroeg mevrouw Kamp zich af of het wel verstandig is om dit soort beleidsbeslissingen te nemen, terwijl nu al bekend is dat hierover eindeloze bodemprocedures zullen worden gevoerd. Het ligt uit juridisch oogpunt ook niet eenvoudig, temeer daar geen gebruik wordt gemaakt van artikel 129 voor een verbod uit volksgezondheidsoverwegingen. Dat blijkt volgens het Verdrag van Amsterdam niet mogelijk. Het nu voorgestelde verbod wordt derhalve genomen uit een oogpunt van handelspolitiek.

Ten aanzien van de indirecte reclame moeten er volgens de minister nog heel wat juridische knelpunten worden opgelost. Ook de VVD-fractie verwacht op dat punt de nodige moeilijkheden. Bij indirecte reclame gaat het namelijk niet om het product, maar om de merknaam. In het Beneluxmerkenregister zijn honderden merken opgenomen die met deze indirecte reclame van doen hebben. Is over dit punt overleg gevoerd met het bedrijfsleven? Zo nee, is de minister bereid om dit overleg nog vóór 4 december a.s. te voeren?

De heer Van Boxtel (D66) was het ook niet duidelijk of ten aanzien van het verbod op tabaksreclame een uitzondering wordt gemaakt voor de Engelse Formule 1-races. Met het kabinet zou hij een dergelijke uitzondering volstrekt onlogisch vinden.

Hij kwalificeerde de brief van de minister als het «point of no return». Hierin geeft het kabinet namelijk aan dat het uit een oogpunt van volksgezondheid onverantwoord is om het aanvankelijke verzet tegen de richtlijn te handhaven. De fractie van D66 is erover verheugd dat zowel de minister van VWS als de minister van EZ zich achter dit standpunt heeft geschaard. D66 is uit een oogpunt van volksgezondheid al sinds jaar en dag voorstander van een dergelijk reclameverbod en wil graag dat op dit spoor wordt doorgegaan.

Verder kreeg hij graag meer inzicht in de juridische knelpunten terzake. In relatie tot de zinsnede uit de brief, dat de richtlijn via nationale wetgeving pas van kracht hoeft te worden uiterlijk 30 maanden na publicatie, vroeg hij of deze datum gelijk valt met de expiratiedatum van het huidige convenant met de industrie. Is het aan de Kamer om te bepalen wanneer de richtlijn daadwerkelijk in nationale wetgeving wordt geïmplementeerd?

Mevrouw Van Vliet (D66) kon zich vinden in het groenboek inzake het levensmiddelenrecht. Wel viel het haar op dat in dezen van zeer gedetailleerde wetgeving wordt gesproken, al is het de bedoeling om de wetgeving op termijn te bundelen. Waarom wordt hierbij niet gesproken van kaderwetgeving en meer deregulering? Tevens was haar gebleken dat in het groenboek weinig aandacht wordt besteed aan de consumentenorganisaties.

De heer Lansink (CDA) maakte uit de brief van de minister op, dat Nederland in de discussie over het EU-richtlijnvoorstel de doorslaggevende stem zal hebben. Hij sloot zich aan bij de vragen van mevrouw Kamp daarover. Maar zelfs een doorslaggevende stem impliceert niet dat men op voorhand in opportunisme moet vervallen. Elk standpunt moet primair op eigen beleidsoverwegingen worden gebaseerd en vervolgens mede op de inbreng van de overige lidstaten.

Hij releveerde dat de CDA-fractie het tabaksontmoedigingsbeleid steeds heeft gesteund, waarbij de nadruk werd gelegd op de doelgroep van jeugdige rokers. Beperking van de tabaksreclame is een moeilijke maar begaanbare weg, zeker wanneer agressieve reclame in het geding is. De CDA-fractie heeft steeds de voorkeur gegeven aan zelfregulering, want dat levert meer resultaat op dan eenzijdige, moeilijk te handhaven verbodsbepalingen. Het kabinet koos tot nu toe ook voor toetsbare zelfregulering. De afspraken met de industrie daarover lijken met de voorgenomen instemming met de Europese richtlijn te worden gefrustreerd. In het algemeen overleg van 26 september bevestigde de minister echter nog dat in principe de mogelijkheid openstaat om na de expiratie van het huidige convenant voort te gaan met zelfregulering. In dat kader betoonde zij zich voorstandster van een onafhankelijke evaluatie van de zelfregulering.

Hij constateerde dat de gewijzigde opstelling van het Verenigd Koninkrijk de aanleiding vormt voor de gewijzigde Nederlandse stellingname. Daarmee krijgt dit standpunt een sterk opportunistisch karakter. Dat de implementatie van de richtlijn nog enige tijd zal vergen, wellicht tot na de expiratie van de met de tabaksbranche overeengekomen code, doet weinig af aan het feit dat een onafhankelijke evaluatie van de zelfregulering zinloos wordt. Dat wordt immers met het gewijzigde standpunt van Nederland in EU-verband uitgehold.

Verder merkte hij op dat de passage in de brief, dat in mei 1996 al besloten is dat de regering in mei 1999 een onafhankelijke beleidskeuze moet kunnen maken, nog niet inhoudt dat thans op deze keuze kan worden vooruitgelopen. Het standpunt van de landsadvocaat, dat instemming met de richtlijn bestuurlijk verantwoord is, betekent nog niet automatisch dat deze lijn past bij de letter en de geest van de met de industrie gemaakte afspraak. Daaraan zit ook een morele kant.

De heer Van Boxtel (D66) verwees naar de afspraak die de Kamer in de vorige kabinetsperiode met de heer Simons heeft gemaakt: als Nederland de blokkerende lidstaat is, gaat Nederland om. Daarmee heeft de CDA-fractie toen ingestemd.

De heer Lansink (CDA) vroeg zich af of dat wel zo nadrukkelijk is verwoord. De hoofdlijn was immers dat moest worden gekozen voor zelfregulering, zo mogelijk ook in Europees verband. Ook leek het hem relevanter om te verwijzen naar uitspraken die de huidige minister heeft gemaakt.

Verder vroeg hij of het Nederlandse standpunt inderdaad als vaststaand feit moet worden geaccepteerd. Is dan nog wel van een open gedachtewisseling sprake? Aan het doorslaggevend karakter van de Nederlandse stem koppelt de minister de verwachting dat het EU-voorzitterschap Nederland in bepaalde opzichten ter wille zal zijn. Gedoeld wordt op uitzonderingsbepalingen in de vorm van facultatieve nationale bevoegdheden op grond waarvan een minder vergaande reclamebeperking mogelijk zou zijn. Wat is dan «minder vergaand», geldt dat ook voor de befaamde merknamen, welke overgangstermijnen kunnen worden gegarandeerd om schokeffecten te voorkomen? Waarom zou Nederland slechter af zijn als vastgehouden wordt aan het aanvankelijke standpunt? Laat Denemarken zich nu wel of niet door Nederland beïnvloeden? Wordt in de discussie naar consensus gestreefd met behoud van de doelstellingen of mag elke lidstaat symboolpolitiek bedrijven?

Hij verwoordde dat de CDA-fractie in dezen voor een zeer moeilijke afweging staat, temeer daar tabak een legaal product is. De legaliteit wordt door het ontheffingenbeleid nota bene nog versterkt ook. Hoewel beperking van reclame op gespannen voet staat met de vrijheid van meningsuiting, kan dit laatste punt minder zwaar wegen omdat nu eenmaal onomstotelijk vaststaat dat roken de gezondheid schaadt. Onduidelijk blijft wel welk effect van de nu gehanteerde reclame uitgaat. Zal de beperking van de reclame een significante invloed hebben op het gebruik van tabaksproducten?

Verder vroeg hij nog of het reclameverbod alleen geldt voor Nederlandse tijdschriften of ook voor geïmporteerde bladen. Kan de reclame via de elektronische media aan banden worden gelegd? Hoe kijkt de minister in dezen aan tegen het gebruik van Internet. Ook de lijst van wel toegestane reclame leert dat de keuzen arbitrair zijn. Op welke wijze denkt de minister de kwestie van de indirecte reclame aan te pakken?

Tot slot bracht hij naar voren dat de brief van de minister vanwege het opportunistische en onvolledige karakter ervan en vanwege de terecht ingezette lijn van zelfregulering om bestuurlijke redenen zou kunnen worden afgewezen. Het door de CDA-fractie op hoofdlijnen gesteunde tabaksontmoedigingsbeleid dwingt evenwel tot het werken aan een draagvlak voor ontmoediging, ook binnen Europa. Daarin past een beperking van de tabaksreclame, mits volstrekt helder is dat dit werkt en dat dit op een verantwoorde en zorgvuldige wijze kan plaatsvinden. Ook blijft van belang in hoeverre het overleg in de Gezondheidsraad tot een eensgezinde aanpak leidt.

De heer Oudkerk (PvdA) wees erop dat staatssecretaris Simons van de PvdA en minister Andriessen van het CDA in 1993 met instemming van de Kamer de volgende beslissing namen: als Nederland in Europa de blokkerende minderheid vormt, zal het kabinet zich opnieuw op zijn standpunt beraden. Aangezien deze situatie is ingetreden, heeft het kabinet dat jongstleden vrijdag gedaan. Het nieuwe standpunt van het kabinet ligt in lijn met het de afgelopen drie jaar gevoerde beleid: een sterker en scherper tabaksontmoedigingsbeleid. De PvdA-fractie steunt het nieuwe kabinetsstandpunt dan ook van harte, vooral ook omdat de landsadvocaat hierover positief heeft geadviseerd.

Voorts bestreed hij dat na expiratie van het convenant met de industrie geen mogelijkheid meer zou bestaan voor een eindevaluatie van de zelfregulering. Die mogelijkheid is er altijd nog. Uit de tussentijdse evaluaties bleek echter niet dat zelfregulering in dezen altijd goed heeft gewerkt.

Hij memoreerde dat de industrie stelselmatig naar voren brengt dat de tabaksreclame voornamelijk bedoeld is om reeds rokende mensen van merk te laten wisselen. Met het oog daarop vernam hij graag van de minister of een tabaksreclameverbod helpt om minder jongeren aan het roken te krijgen. Naar zijn mening was dat inderdaad het geval.

Hij betreurde het dat de minister over de tabaksproducten heeft gezegd dat het geen «normale» producten zijn. Dat heeft tot veel commotie aanleiding gegeven. Het zijn wel normale producten, maar dat laat onverlet dat het zeker ongezonde producten zijn.

Tot slot kreeg hij graag nog een toelichting op de regels voor indirecte reclame. Verder hoorde hij graag welke overgangstermijnen haalbaar zijn in het kader van de EU-richtlijn.

Het antwoord van de minister

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bevestigde wat de heer Oudkerk opmerkte over de afspraak tussen kabinet en parlement uit 1993. Er is dan ook geen sprake van een soort automatische piloot, dat Nederland op de wippositie komt te zitten en dus de richtlijn gaat steunen. Hieraan ligt wel degelijk een heroverweging op basis van inhoudelijke argumenten ten grondslag. Het kabinet maakt zich in toenemende mate zorgen over het groeiend aantal rokende jongeren in Nederland. Daarom is er alle reden om het tabaksontmoedigingsbeleid zo effectief mogelijk aan te scherpen.

Ingaande op de rol van de reclame in dat geheel, memoreerde zij dat reclame niet alleen gericht kan zijn op versterking van het marktaandeel van bepaalde merken. De vraag is dan immers waarom toch zoveel jongeren beginnen met roken. Uit Engels onderzoek blijkt dat jongeren via de confrontatie met reclame tabaksmerken leren kennen en sneller met roken beginnen. Uit Frans, Noors en Fins onderzoek blijkt dat invoering van een reclameverbod tot een significante daling van het aantal rokende jongeren leidt, uitkomend op percentages tussen de 10 en de 20. Met het oog daarop wenst het kabinet thans de Europese richtlijn te steunen.

De minister was zich goed bewust van de afspraken met de tabaksindustrie over de reclamecode en de evaluatie daarvan. In een gesprek met de industrie heeft zij met haar collega van Economische Zaken uitgelegd dat Nederland de richtlijn wenst te steunen. De afspraken bieden daartoe ook de mogelijkheden, zoals de landsadvocaat heeft bevestigd. De tabaksindustrie wenste geen verder overleg met het kabinet te voeren over de eventuele mogelijkheden om schokeffecten te voorkomen, bijvoorbeeld door in Brussel uitzonderingen of uitstel te bedingen.

Zij gaf aan dat het in de brief verwoorde kabinetsstandpunt in principe definitief is. Het definitieve mandaat voor de vergadering van de Gezondheidsraad wordt pas morgen in de ministerraad vastgesteld, gehoord het algemeen overleg en de ambtelijke voorbereidingen te Brussel. Het is evenwel niet te verwachten dat dit tot een ander kabinetsstandpunt zal leiden.

De tekst van het richtlijnvoorstel is openbaar en gepubliceerd in het EU-publicatieblad. Het thans voorliggende voorzitterscompromis wordt niet verspreid, want bij dergelijke voorstellen gaat het altijd om vertrouwelijke stukken. Het was de minister overigens niet exact bekend wat er in december ter vergadering zal voorliggen.

Met mevrouw Kamp was zij van mening dat de subsidiariteit in deze kwestie van primair belang is. Dit was dan ook een van de eerste punten van discussie in het kabinet, namelijk of dit al dan niet een nationale zaak is. Het kabinet ziet het roken en de daaruit voortkomende ziekten als een soort epidemie. In dat kader trok zij de vergelijking met de pokken, waartegen een wereldwijde campagne in gang is gezet. Het leek haar noodzakelijk om de longkanker in Europa proberen uit te roeien via Europese samenwerking. Reclame is bovendien sterk grensoverschrijdend. In die zin zijn er voldoende argumenten om hierover in Europees verband afspraken te maken.

Vervolgens deelde zij mede dat het Zweedse kabinet in het vooroverleg heeft verklaard de richtlijn te zullen steunen. Daarvoor moet men inderdaad terug naar het parlement. Het standpunt van Denemarken is nog niet bekend. De overige standpunten zijn reeds in de brief van 21 november verwoord.

Zij sprak de verwachting uit dat de juridische basis van het tabaksreclameverbod tot aan het Europese Hof een strijdpunt zal blijven. De adviezen op dit punt zijn tegenstrijdig. Het kabinet aanvaardt nu het standpunt dat het verbod wel past onder artikel 100A en met name een uitdrukking is van het hoge beschermingsniveau binnen de interne markt. Het reclameverbod bepaalt uiteraard wel de concurrentievoorwaarden binnen de markt en is daardoor ook een economische maatregel. Er zijn ook precedenten ten aanzien van het hanteren van artikel 100A op het punt van beperkingen inzake de reclame voor geneesmiddelen.

Ook benadrukte de minister dat het niet de bedoeling is om met een groots gebaar de richtlijn te steunen om er vervolgens weer van alles op af te dingen. Wel is het gewenst om richting het Nederlandse bedrijfsleven zorgvuldigheid te hanteren, bijvoorbeeld door bepaalde zaken enige tijd uit te stellen. Volgens de richtlijn is tabaksreclame bij de verkooppunten wel toegestaan. Het leek haar wenselijk als de lidstaten in nationaal verband vaststellen wat verkooppunten zijn. Dat zal dan ook in het nationale wetgevingsproces aan de orde moeten komen. Een ander onderdeel van de richtlijn is dat reclame voor non-tabak in geen enkel opzicht aan tabak mag doen denken of daarmee mag worden verward, maar de tabaksreclame voor nu reeds bestaande merken met een tabaksassociatie moet mogelijk blijven. Een tabaksreclameverbod heeft met name grote gevolgen voor kranten en tijdschriften; vandaar dat Nederland in dezen pleit voor een zo ruim mogelijke overgangsperiode.

De heer Lansink (CDA) vroeg of het reclameverbod met dit soort ontbindende voorwaarden niet zijn doel voorbijschiet.

De minister antwoordde dat deze zaken in het algemeen betrekking hadden op de tegenstelling tussen oude en nieuwe producten. Met andere woorden: men mag geen nieuwe producten op de markt brengen met een duidelijke tabaksassociatie. De discussie in Europees verband over deze bepalingen inzake de indirecte reclame is overigens nog volop gaande.

Hierna memoreerde zij dat het Verenigd Koninkrijk op een gegeven moment als eis heeft gesteld dat de Formule 1- en aanverwante races onbeperkt van de richtlijn worden uitgezonderd. Het Nederlands kabinet en veel andere lidstaten vinden deze uitzondering te ver gaan. Zij verwachtte dat het Verenigd Koninkrijk enige tijd zal worden geboden om ervoor te zorgen dat men in de overgangssituatie andere sponsors kan vinden.

Ook wees zij erop dat het reclameverbod nog niet zal ingaan tijdens de looptijd van de met het bedrijfsleven afgesproken reclamecode. Deze code loopt namelijk tot mei 1999 en de richtlijn wordt pas 30 maanden na de formele aanvaarding ervan van kracht. De formele aanvaarding vindt op z'n vroegst begin 1999 plaats, zodat de richtlijn op z'n vroegst in 2002 van kracht wordt. Na de vaststelling van het gemeenschappelijk standpunt, dat voor begin 1998 wordt verwacht, ziet het Europees Parlement de richtlijn in tweede lezing. Een en ander houdt in dat regering en parlement in mei 1999 aan de hand van de evaluatie opnieuw voor de afweging staan of na die tijd moet worden doorgegaan met de zelfregulering. Zij verwachtte dat het code-instrument nog enige tijd nodig zal zijn. De technische voorbereiding van aanpassing van de nationale wetgeving na expiratie van de reclamecode is overigens al op het ministerie gestart.

Ook bracht zij nog onder de aandacht dat de richtlijn geen betrekking heeft op reclame-uitingen van buiten de Europese Unie. Ook Internet valt hier geheel buiten. De heer Oudkerk wees zij er nog op dat elke keer als men een tabaksartikel koopt, men de tekst te lezen krijgt dat het gebruik ervan schadelijk is voor de gezondheid. Wellicht was het in dezen niet helemaal juist om te zeggen dat tabaksartikelen geen «normaal» product zijn, maar het blijven uiterst uitzonderlijke producten.

Tot slot gaf zij aan dat het groenboek inzake het levensmiddelenrecht juist uitgaat van minder gedetailleerde en meer doorzichtige regels. In het groenboek wordt ook overwogen om te komen tot een meer algemene kaderrichtlijn. Nederland zal dit zeker krachtig steunen, uitgaande van het gedachtegoed van deregulering enerzijds en transparantie anderzijds. Met mevrouw Van Vliet was zij van mening dat de consumentenorganisaties bij het overleg dienaangaande moeten worden betrokken. Zij zou dit dan ook op de vergadering van de Gezondheidsraad inbrengen.

De voorzitter van de algemene commissie voor Europese Zaken,

Ter Veer

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Van Nieuwenhoven

De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Teunissen


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van der Linden (CDA), Blauw (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Weisglas (VVD), Terpstra (CDA), Verspaget (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Ter Veer (D66), voorzitter, Ybema (D66), Van Middelkoop (GPV), Leers (CDA), Sipkes (GroenLinks), Woltjer (PvdA), ondervoorzitter, Hendriks, Gabor (CDA), Voûte-Droste (VVD), Schuurman (CD), Hessing (VVD), Van den Bos (D66), Van Oven (PvdA), Hoogervorst (VVD), Rouvoet (RPF), Van Waning (D66) en Rehwinkel (PvdA).

Plv. leden: Bukman (CDA), Te Veldhuis (VVD), Blaauw (VVD), Verhagen (CDA), Van der Ploeg (PvdA), Hillen (CDA), Koekkoek (CDA), De Graaf (D66), Van den Berg (SGP), Van der Hoeven (CDA), M.B. Vos (GroenLinks), Witteveen-Hevinga (PvdA), Meyer (groep-Nijpels), G. de Jong (CDA), O.P.G. Vos (VVD), Poppe (SP), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Roethof (D66), Crone (PvdA), Verbugt (VVD), Leerkes (Unie 55+), Hoekema (D66), Lilipaly (PvdA) en Adelmund (PvdA).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Lansink (CDA), Schutte (GPV), Van Nieuwenhoven (PvdA), voorzitter, Van der Heijden (CDA), ondervoorzitter, Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), M.M.H. Kamp (VVD), Doelman-Pel (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Vliegenthart (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Versnel-Schmitz (D66), Middel (PvdA), Leerkes (Unie 55+), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels), Fermina (D66), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Oudkerk (PvdA), Cherribi (VVD), Sterk (PvdA), Van Boxtel (D66), Van Vliet (D66) en Van Blerck-Woerdman (VVD).

Plv. leden: Heeringa (CDA), Van der Vlies (SGP), Lilipaly (PvdA), Meijer (CDA), Rijpstra (VVD), Voûte-Droste (VVD), Smits (CDA), Dijksma (PvdA), Beinema (CDA), Van den Bos (D66), M.M. van der Burg (PvdA), Rouvoet (RPF), Meyer (groep-Nijpels), Van Waning (D66), Sipkes (GroenLinks), G. de Jong (CDA), Passtoors (VVD), Apostolou (PvdA), J.M. de Vries (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Bremmer (CDA), Bakker (D66) en Hoogervorst (VVD).

Naar boven