21 501-18
Sociale Raad

nr. 98
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 7 april 1999

Bijgaand doe ik u toekomen het verslag van de Sociale Raad die op 9 maart jl. in Brussel heeft plaatsgevonden.

Tevens deel ik u mee dat op 26 april, voorafgaand aan de eerste bijeenkomst van het vernieuwde Permanent Comité voor Arbeidsmarktvraagstukken, een informele bijeenkomst zal plaatsvinden van de Ministers voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de invulling van het Europees Werkgelegenheidspact.

Voorts doe ik u hierbij tevens toekomen de Resolutie inzake de Werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 1999, zoals die op 22 februari jl. als A-punt in de Algemene Raad is aangenomen1. Hiermee zijn de werkgelegenheidsrichtsnoeren zoals die zijn voorbereid onder het Oostenrijkse voorzitterschap voor 1999 vastgesteld. Ik hoop hiermee te hebben voldaan aan uw verzoek, zoals gedaan tijdens het Algemeen Overleg op 19 november jl.

Een dezer dagen ontvangt u overigens informatie over de door u in het Algemeen Overleg van 4 maart jl. gevraagde best practices inzake arbeid en zorg.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

K. G. de Vries

Verslag van de Sociale Raad van 9 maart 1999

Hoofdpunten

– In de discussie tijdens de ochtendbijeenkomst met vertegenwoordigers van de Midden- en Oost-Europese landen en Cyprus kwam vooral naar voren dat het PHARE-programma meer zal moeten worden ingezet voor activiteiten op sociaal terrein.

– De Sociale Raad aanvaardde de wijziging van het instellingsbesluit van het Permanent Comité Arbeidsmarktvraagstukken.

– Daarnaast werd een politiek akkoord bereikt over een gedragscode om, via versterkte administratieve samenwerking, misbruik van sociale uitkeringen en zwart werk tegen te gaan en de informatie-uitwisseling over grensoverschrijdende uitzendarbeid te verbeteren.

– Op verzoek van Nederland zal het Voorzitterschap proberen om een extra Sociale Raad bijeen te roepen om te spreken over de voortgang bij de ontwikkeling van het Werkgelegenheidspact. Intussen is bekend dat dit waarschijnlijk op 26 april zal plaatsvinden.

Voorbereiding van de ontmoeting met de toetredingskandidaten in het kader van de dialoog op sociaal gebied

Het voorzitterschap leidde de discussie in, waarbij erop werd gewezen dat de toetreding een onomkeerbaar proces is en dat het zowel voor de huidige EU-lidstaten als voor de toetredingskandidaten van het grootste belang is om in de komende periode te werken aan de opbouw van stabiele en levensvatbare stelsels van sociale bescherming. Daarbij ligt niet alleen de nadruk op de overname van het acquis communautaire maar evenzeer op de toepassing en de handhaving ervan. In het kader van het toetredingsproces dient het sociale beleid dan ook meer aandacht te krijgen. Het voorzitterschap bracht naar voren dat de PHARE-gelden slechts voor 65% worden aangewend en dat uit de onderuitputting veel meer projecten op sociaal terrein gefinancierd zouden kunnen worden.

Commissaris Flynn wees op de nieuwe impuls die het Europees sociaal beleid heeft gekregen via het Verdrag van Amsterdam. Ook hij stelde dat het niet alleen gaat om de overname van het acquis, maar evenzeer om de toepassing en handhaving. De kandidaattoetreders zullen veel aandacht moeten besteden aan het opzetten van functionerende systemen op terreinen als veiligheid en gezondheid op het werk, sociale dialoog, werkgelegenheid en arbeidsmarkt. Hij gaf aan dat het ook een investering is voor henzelf en dat ze die deels uit eigen middelen zullen moeten bekostigen. Hij riep tenslotte de kandidaattoetreders op om zelf hun prioriteiten duidelijk te formuleren.

Vervolgens kwamen de vertegenwoordigers van de tien Midden- en Oost-Europese landen en Cyprus aan het woord. In hun interventies werd in de eerste plaats een overzicht gegeven van de sociaal-economische situatie in hun landen, alsmede van de vorderingen die men maakt bij de implementatie van het acquis. Dat had niet alleen betrekking op het acquis in wetgevende zin, maar tevens op het meer recente acquis inzake werkgelegenheid.

Een aantal toetredingslanden meldde dat men reeds doende was om in dit kader ook de werkgelegenheidsrichtsnoeren te implementeren. Vrij algemeen werd erkend dat een implementatie van het acquis alleen niet voldoende zal zijn, maar dat tevens gewerkt moet worden aan de institu-tionele opbouw van de sociaal-economische infrastructuur. Van verschillende zijden werd echter tegelijk melding gemaakt van de moeilijkheden waarop men stuit bij de opbouw c.q. uitbouw van instellingen op sociaal-economisch terrein. Daarnaast werd tevens gewezen op andere kostbare operaties, zoals de herstructurering in de industrie, het verhogen van het opleidingsniveau van werknemers en het voeren van een actief arbeidsmarktbeleid, zoals in de werkgelegenheids-richtsnoeren wordt voorgeschreven.

Na de interventies van de kandidaattoetreders werd gereageerd door enkele van de EU-vertegenwoordigers. Deze onderschreven met name hetgeen het voorzitterschap in zijn inleidende opmerkingen reeds had gemeld, namelijk dat in het toetredingsproces een nieuw zwaartepunt zou moeten worden gelegd bij de ontwikkeling van de sociale dimensie, dat de kandidaattoetreders vooral aandacht zullen moeten besteden aan «institution building» en dat de PHARE-gelden meer moeten worden aangewend voor activiteiten op sociaal terrein.

Het voorzitterschap sloot de discussie af met een oproep aan alle betrokkenen om nauw samen te werken. Het voorzitterschap nodigt de Europese Commissie uit om in het kader van PHARE meer aandacht te besteden aan activiteiten op sociaal terrein.

Sociale Raad: Gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie

Bij dit punt verstrekte het voorzitterschap mondeling informatie over de informele Sociale Raad die begin februari in Bonn gehouden is en over de stand van zaken met betrekking tot het Europees Werkgelegenheidspact (zie verslag van de Informele Raad aan Tweede Kamer dd. 18 februari jl.).

Het voorzitterschap gaf aan dat het Werkgelegenheidspact wordt uitgewerkt binnen het kader van de afspraken van de Europese Raad te Luxemburg. Tijdens de Informele Raad in Bonn hadden zowel de lidstaten als de sociale partners zich geëngageerd om volledig mee te werken aan de invulling van dit pact. De sociale partners waren van mening dat de loonontwikkeling tot hun autonomie bleef behoren.

Een eerste (ambtelijk) Duits voorstel voor de invulling van het Werkgelegenheidspact is weliswaar besproken in het Employment and Labour Market Committee en in het Economic Policy Committee, maar lag niet ter bespreking voor aan de Raad. De comités zullen de komende tijd de bespreking van dit document voortzetten. Een dezer weken wordt een herzien voorstel van het voorzitterschap verwacht.

In het kader van deze discussie gaf het Duitse voorzitterschap aan dat zij bijzondere prioriteit toekent aan de strijd tegen de jeugdwerkloosheid. Hiertoe zal het voorzitterschap met een ontwerp-resolutie komen, die moet uitmonden in een gezamenlijke tekst van drie Raden, de Onderwijsraad, de Jeugdraad en de Sociale Raad, met het oog op de Europese Raad van Keulen, waar uiteindelijk het Werkgelegenheidspact aan de orde zal komen.

De volgende gelegenheid voor het bespreken van een tekst inzake het Werkgelegenheidspact zal zijn een «Jumbo-vergadering» van de Ecofin en de Sociale Raad op 25 mei a.s., waarna het aan de Europese Raad van Keulen zal worden aangeboden.

Hoewel geen discussie was voorzien vonden toch enkele interventies plaats. Minister De Vries gaf in zijn interventie aan dat hij het Werkgelegenheidspact en de voorbereidingen daartoe gedurende de komende maanden, van groot belang acht. Hij achtte het daarom zeer gewenst om voor de «Jumbo» van 25 mei een aparte vergadering van de Sociale Raad te wijden aan het werkgelegenheidspact. Hij was van mening dat, gezien het belang van het Pact, het noodzakelijk was om tussentijds op ministersniveau van gedachten te wisselen over de voortgang en inhoud van het Pact. Verder wees hij erop dat de Europese Commissie op 30 maart a.s. de ontwerp-globale richtsnoeren voor economisch beleid zal publiceren die voor de ontwikkeling van het Werkgelegenheidspact van groot belang zijn. Hij stelde voor om deze tekst eveneens in het kader van de Sociale Raad te bespreken, vanwege de onderlinge samenhang met de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Deze suggesties kregen steun van verschillende ministers. Of er echter een extra Sociale Raad zou kunnen worden gehouden kon het voorzitterschap nog niet onmiddellijk toezeggen. Commissaris Flynn, tenslotte, bepleitte eveneens een sterkere rol voor de Sociale Raad en voor sociale partners in het proces dat moet leiden tot het Pact.

Bij dit agendapunt kwam tenslotte het Werkprogramma van het Employment and Labour Market Committee aan de orde. De nieuwe voorzitter van het Comité, de Ier Seamus O'Morain, lichtte dit programma toe, waarna de Raad er met instemming kennis van nam.

Ontwerp van een besluit van de Raad tot wijziging van Besluit 70/532/EEG houdende de instelling van het Permanent Comité voor Arbeidsmarktvraagstukken

De Sociale Raad keurde het voorliggende besluit goed. Het voorzitterschap meldde dat er naar gestreefd wordt om de eerste vergadering van het vernieuwde Comité al in april bijeen te laten komen, zodat het Comité zich nog kan uitspreken over de in gang zijnde ontwikkelingen, waaronder het Werkgelegenheidspact.

Voor wat betreft de inhoud van dit dossier wordt verwezen naar de geannoteerde agenda d.d. 26 februari 1999.

Ontwerp-resolutie van de Raad en de lidstaten over een gedragscode ter verbetering van de samenwerking tussen de autoriteiten bij de bestrijding van socialezekerheidsfraude en zwart werk en met betrekking tot de transnationale terbeschikkingstelling van werknemers

De Sociale Raad bereikte een politiek akkoord over deze resolutie. De tekst zal vervolgens moeten worden gefinaliseerd (via juristen/linguisten en Coreper), waarna definitieve aanname kan geschieden via een a-punt op een van de Raden in de komende weken.

Voor wat betreft de inhoud van dit dossier wordt verwezen naar de geannoteerde agenda d.d. 26 februari 1999.

Organisatie van de arbeidstijd in de van Richtlijn 93/104/EG uitgesloten sectoren (mededeling van de Commissie, voorstellen voor richtlijnen en aanbeveling van de Commissie)

De Sociale Raad nam kennis van het voortgangsrapport dat voorlag aan de vergadering. Enkele delegaties gaven aan problemen te voorzien voor bepaalde sectoren, zoals de visserij en de artsen in opleiding. De besprekingen zullen in de Raadswerkgroep worden voortgezet.

Voor wat betreft de inhoud van dit dossier wordt verwezen naar de geannoteerde agenda d.d. 26 februari 1999.

Diversen

Onder dit agendapunt verstrekte het voorzitterschap informatie over de stand van zaken met betrekking tot de ontwerprichtlijn betreffende de rol van de werknemers in de Europese Vennootschap. De bilaterale gesprekken die het voorzitterschap hierover voert, hebben nog niet tot een duidelijk resultaat geleid, maar het voorzitterschap blijft optimistisch m.b.t. de kansen om aan het eind van het Duitse voorzitterschap tot een politiek akkoord te komen.


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven