Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 21501-18 nr. 97 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 21501-18 nr. 97 |
Vastgesteld 23 maart 1999
De algemene commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben op 4 maart 1999 overleg gevoerd met minister K.G. de Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:
– het verslag van de Sociale Raad van 1 en 2 december 1998 (21 501-18, nr. 92);
– het verslag van de informele Sociale Raad van 4, 5 en 6 februari 1999 te Bonn (21 501-18, nr. 95);
– de agenda van de Sociale Raad van 9 maart 1999 (SOZA-99-131; EU-99-38);
– de kabinetsreactie op mededeling van de Europese Commissie «de aanpassing en de bevordering van de sociale dialoog op communautair niveau» (SOZA-99-1);
– de brief van de minister van SZW d.d. 17 februari 1999 ter aanbieding van publicaties over de plannen op sociaal terrein van het Duitse voorzitterschap van de EU (SOZA-99-110; EU-99-36).
Van het overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Örgü (VVD) die blij was met de geluiden dat het probleem van de werkloosheid vooral op nationaal niveau moet worden opgelost, was het eens met de opmerkingen van de minister naar aanleiding van de gedragscode over de samenwerking tussen de autoriteiten bij transnationale uitzendarbeid en de bestrijding van uitkeringsfraude en illegaal werk. Wat is over deze drie zeer uiteenlopende problemen met de overige Europese landen afgesproken? Zijn er aanvullende oplossingen voor deze problemen? Kan worden uitgelegd, wat de voorzitter van de EP-commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid bedoelde met zijn in het verslag van de informele Sociale Raad in Bonn van 4 tot 6 februari 1999 verwoorde stelling, dat de Europese sociale partners een duidelijke rol dienen te krijgen bij de vaststelling van de macro-economische richtsnoeren? Is het niet logischer eerst te werken aan de knelpunten om vervolgens tot realisering over te gaan? Mevrouw Örgü stelde het zeer op prijs, dat het Duitse voorzitterschap prioriteit geeft aan bestrijding van de jeugdwerkloosheid. Wat houdt dit concreet in, en op welke wijze kunnen de Nederlandse jongeren daarvan profiteren? Wanneer worden de nationale actieplannen voor de werkgelegenheid geëvalueerd? Is het geen droombeeld om te menen, dat de richtsnoeren in hun volle breedte tot uitvoering dienen te worden gebracht? Stelt Nederland daarbij zelf geen prioriteiten?
Verheugend vond mevrouw Örgü het dat uit het verslag van de Sociale Raad van 1 en 2 december 1998 blijkt, dat er aandacht is voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen, wat zelfs in een richtsnoer is verwerkt. Biedt dit ook de garantie dat van de nieuwe Europese opleidingstrajecten zoveel jongeren daadwerkelijk kunnen profiteren?
Uitgangspunt voor de VVD is de in Nederland geldende opvatting qua arbeidstijden dat in samenwerking met de sociale partners kan worden gekomen tot ruimere afspraken, bovenop de basisregels. Wat wordt in het stuk over de sociale dialoog bedoeld met de bewering, dat met akkoorden over ouderschapsverlof en deeltijdarbeid de medewetgevende rol van de sociale partners op Europees niveau gestalte heeft gekregen? Wat moet hierbij verder worden uitgebreid en hoe? Na lezing van de steeds overzichtelijker en complexer wordende verslagen, had mevrouw Örgü opnieuw de bevestiging gekregen dat de bureaucratie hiervan afstraalt.
Mevrouw Verburg (CDA) vond het moment waarop de Sociale Raad plaatsvindt, politiek gezien heel lastig: er is nog geen duidelijkheid over de uitkomsten van de Agenda 2000 en dus over de ESF-gelden, en datzelfde geldt voor het door het Duits voorzitterschap gelanceerde werkgelegenheidspact. Kan de minister iets vertellen over dit proces? Wat is zijn inzet op die twee terreinen tijdens de Sociale Raad?
De vaste commissie voor LNV heeft recent een werkbezoek aan een aantal Centraal- en Oost-Europese landen gebracht. De fractiegenoten van mevrouw Verburg in die commissie bleken zeer onder de indruk te zijn van de negatieve economische en sociale ontwikkelingen aldaar, en vooral van de sociaal-economische verhoudingen. In de geannoteerde agenda voor de ochtendbijeenkomst van de Sociale Raad op 9 maart wordt aandacht besteed aan PHARE. Kan en wil de Nederlandse regering in dit opzicht iets meer doen? Wordt overwogen, bijvoorbeeld in het kader van het programma samenwerking Oost-Europa (PSO) en maatschappelijke transformatie (MATRA) meer inspanningen te verrichten?
Mevrouw Verburg deelde, als het gaat om de op pagina 4 van de geannoteerde agenda voor de middagsessie genoemde gedragscode, de opvatting van de regering dat het hierbij gaat om verschillende vraagstukken, die niet zomaar met een gedragscode kunnen worden opgelost. Maar als zo'n code toch wordt gepresenteerd door het Duitse voorzitterschap, mag ervan uit worden gegaan dat daaraan een analyse van de problemen ten grondslag ligt. Is een inventarisatie gemaakt? Zo ja, dan is daarmee de door de minister toegezegde knelpuntennotitie inzake grensarbeid en sociale zekerheid een stuk dichterbij gebracht. Mevrouw Verburg vond het jammer dat in het toegevoegde agendapunt 4 (voorstellen voor richtlijnen over de organisatie van de arbeidstijden) de sociale dialoog niet verder is uitgewerkt. Volgens haar liep dit punt vast op het wegvervoer. Het zou prettig zijn als werkgevers en werknemers het eens kunnen worden over de derogatieregels. Is de minister bereid, zich in de Sociale Raad in te zetten om met name de Britse collega's in beweging te krijgen?
Over de kabinetsreactie op het Commissiestuk inzake de sociale dialoog merkte mevrouw Verburg op, het jammer te vinden dat dit stuk niet eerder in het bezit van de vaste commissie was. Hoewel zij het kabinetsstandpunt in grote lijnen deelde, had zij wel grote aarzelingen over het voorstel van de Commissie om het Europese Centrum voor industriële relaties in Florence nadrukkelijk in te schakelen. Verder vroeg zij aandacht voor het interinstitutioneel akkoord, waarbij het Parlement in zicht komt. Wil de minister zich daarvoor inzetten?
Mevrouw Bussemaker (PvdA) vond het een probleem dat de stukken voor de Sociale Raad zo kort van tevoren beschikbaar zijn, dat er nauwelijks tijd is om de zaken goed voor te bereiden. Zij hoopte dat op korte termijn, wellicht in een apart overleg, wat dieper kan worden ingegaan op de sociale dialoog en de richtlijn inzake arbeidstijden.
Verheugd had mevrouw Bussemaker uit het verslag van de Sociale Raad van 1 en 2 december geconstateerd, dat het toch gelukt is om een richtsnoer op te nemen over een laag BTW-tarief. Wat gaat het kabinet daarmee doen? Bij de invulling zou het niet alleen om de traditionele arbeidsintensieve diensten moeten gaan, maar ook om de nieuwe diensteneconomie. Verder was zij blij met de toevoeging van een richtsnoer over het «mainstreamen» van de gelijke kansen voor mannen en vrouwen, iets wat duidelijk terug moet zijn te vinden in het Nederlandse actieplan. Wat vindt de minister van het idee van de Duitse minister voor gezin, jongeren, ouderen en gehandicapten om een informele, dan wel formele Raad te organiseren over gelijke kansen? Wat de informele Raad van 4 en 6 februari betreft, verwees mevrouw Bussemaker naar de aanvaarde motie van de heer Timmermans, waarin wordt gevraagd om de Kamer voor elke informele Raad een geannoteerde agenda te sturen.
Mevrouw Bussemaker was erg benieuwd, welke prioriteiten gesteld zullen worden bij de discussie over de kandidaat-lidstaten. Zij kon de opvatting van de minister delen, dat het werkgelegenheidspact zich niet op enkele aspecten van de richtsnoeren zou moeten richten, maar dat deze in de volle breedte tot uitvoering moeten worden gebracht. Maar wat is dan nog de meerwaarde van het werkgelegenheidspact, ten opzichte van de bestaande werkgelegenheidsrichtsnoeren? Het pact zou wel een meerwaarde kunnen hebben voor de afstemming van de economische richtsnoeren op de werkgelegenheidsrichtsnoeren, c.q. de afstemming van macrobeleid op microbeleid. Steeds meer kan geconstateerd worden, dat de brede economische richtsnoeren en de werkgelegenheidsrichtsnoeren elkaar zeer direct beïnvloeden, zonder dat sprake lijkt te zijn van een goede coördinatie. Hierin zou een doel van het werkgelegenheidspact kunnen liggen. Wanneer wordt de toezegging van minister Zalm, gedaan in het algemeen overleg van 4 februari 1999, gestand gedaan dat de vaste commissies van Financiën, Economische Zaken en Sociale Zaken via een kabinetsbrief op de hoogte zullen worden gesteld van de discussie in de Ecofin-raad over het verzoek van de Commissie een mening te formuleren over de gewenste loonontwikkelingen, in relatie tot de «policymix», gekoppeld aan de discussies in de Sociale Raad over het werkgelegenheidsbeleid? In dit verband wees mevrouw Bussemaker op de door de minister in Bonn bepleite verbreding van de Europese agenda. Kan de minister meer informatie geven over zijn idee, met sociale partners een gezamenlijke kalender op te stellen om zo tot gezamenlijke oriëntaties te komen?
Hoewel mevrouw Bussemaker het kabinetsstandpunt inzake de gedragscode grotendeels kon delen, vond zij het principieel onjuist in één resolutie zeer uiteenlopende problemen aan te kaarten. Gelet op effectiviteit en representativiteit vroeg zij, wat de minister vindt van de deelname namens de werknemers van het CEC, naast het EVV, aan het permanent comité voor arbeidsmarktvraagstukken (PCA). Wanneer kunnen de vaste commissies de informatie over een aantal best practices in andere landen, toegezegd tijdens het AO in december, tegemoet zien?
De heer Harrewijn (GroenLinks) meende dat het werkgelegenheidspact zich onderscheidt van de richtsnoeren, doordat het de bedoeling is, een pact te sluiten met de sociale partners. Klopt de indruk dat dit punt wordt beperkt tot de problematiek van de jeugdwerkloosheid? Terecht heeft de minister zelf gepleit voor verbreding van het sociaal beleid naar het fiscaal en monetair beleid, wat vooral geldt voor het BTW-instrument. Hoe staat het daarmee? Heeft de minister op het punt van verbreding van het sociaal beleid nog meer ideeën en zo ja, welke zijn dat? Kan wat meer informatie worden gegeven over het project Leonardo da Vinci?
Over de gedragscode voor samenwerking tussen de autoriteiten bij transnationale uitzendarbeid en de bestrijding van uitkeringsfraude en illegaal werk vroeg de heer Harrewijn, of het daarbij gaat om vergelijking, uitwisseling en/of koppeling van bestanden. Is dat internationaal gezien niet heel lastig? In de brief over de aanpassing en de bevordering van de sociale dialoog op communautair niveau staat, dat het grote probleem de overlegcultuur in de verschillende landen is. Nederland blijkt wat dat betreft redelijk optimistisch te zijn, want knelpunten zullen en kunnen worden opgelost. De heer Harrewijn vond de laatste zinsnede erg optimistisch.
De minister benadrukte, dat in Europees verband wel degelijk inspanningen worden verricht op het gebied van bestrijding van de werkloosheid. Het is zeer stimulerend om Nederland op die manier vergelijkbaar te maken met andere landen, en om de transparantie van het eigen beleid in het eigen parlement te vergroten. Richtsnoeren en pacten in Europees verband helpen bij het vinden van de eigen oriëntaties.
In de gedragscode staan inderdaad onderwerpen die niet snel bij elkaar te verwachten zijn. Toch is het plezierig dat hiermee een eerste stap wordt gezet. Hoewel de tekst van de code nogal dwingend is, is het geen dwingende uitspraak. Helaas worden met het instemmen met de gedragscode niet alle problemen opgelost. Zelfs wordt daarmee niet een specifiek, zwaarwegend probleem voor Nederland opgelost, namelijk dat van de Urlaubs- und Lohnausgleichskasse der Bauwirtschaft (ULAK). De privacybescherming wordt goed geregeld. Met Duitsland bestaat op dit punt een zeer groot probleem. De minister stelde voor die problematiek nog eens op een rij te zetten; hierbij zal ook worden ingegaan op de werkwijze en de te verwachten effecten. Het niet-dwingende karakter van de code wordt gecompenseerd door het belang dat alle lidstaten erbij hebben om de fraude te bestrijden. De diverse lidstaten geven aan het belang in te zien van een goede gegevensuitwisseling.
De minister achtte zich niet in staat de woorden van de voorzitter van de EP-commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid authentiek te interpreteren. De voorzitter van de EP-commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zinspeelde er onder meer op dat het nuttig zou zijn, de sociale partners wat meer te betrekken bij het overleg met de belangrijke instituties in Europa, zodat zij zichzelf beter kunnen oriënteren op datgene, wat bijvoorbeeld bij de Europese Bank gebeurt. De minister zegde toe de desbetreffende voorzitter te vragen of hij dit punt wil uitwerken. De nationale actieplannen (NAP's) voor de werkgelegenheid moeten op 1 juni worden ingediend; hieraan wordt hard gewerkt. Alle richtsnoeren zijn van waarde, zodat het van belang is te proberen ze allemaal na te leven. De diverse regeringen hebben zich daaraan gecommitteerd. De minister benadrukte liever te erkennen dat het op sommige punten niet fantastisch gaat – hoe vervelend ook – dan prioriteiten aan andere richtsnoeren te geven. Bij de volgende NAP-ronde zou dit punt uitvoeriger kunnen worden doorgenomen, inclusief de rapportage van de Commissie, die september-oktober zal verschijnen.
De vraag of de opleidingsinstituten van Turkse en Marokkaanse jongeren van de nieuwe Europese opleidingstrajecten zullen profiteren, zal nog schriftelijk worden beantwoord. Duidelijk is dat tijdens de Sociale Raad van 1 en 2 december 1998 is vastgesteld, wat in de vaste commissie al eerder was gesproken. In antwoord op de bewering dat van de steeds complexer wordende verslagen de bureaucratie afstraalt, merkte de minister op dat de ochtendsessie van de Raad van 9 maart heen zal gaan met gesprekken met toetredende landen; hierbij zal de voorzitter in belangrijke mate in gesprek zijn met de kandidaat-lidstaten. De rest van de agenda is bedoeld voor de rest van de dag. Er mogen dus geen overspannen verwachtingen zijn van de intensiteit van alle beraadslagingen. De bureaucratie ontstaat, omdat ervoor moet worden gezorgd dat vijftien regeringen en parlementen goed kunnen volgen wat er gebeurt. Het slechten van alle divergenties is zeer bureaucratisch werk.
De minister onderstreepte dat de Agenda 2000 inderdaad nog niet rond is. Hierover wordt moeizaam onderhandeld. Hetzelfde geldt voor de ESF-gelden. De notie dat het werkgelegenheidspact zou moeten worden afgesloten met de sociale partners, is hier en daar naar voren gekomen; daarnaast staat de notie dat het werkgelegenheidspact ook een pact à la het stabiliteitspact zou kunnen zijn, dus tussen de landen zelf. De minister had de indruk dat het Duitse voorzitterschap aanstuurt op iets wat door de lidstaten wordt afgesproken. Dat zal inhouden dat de rol van de sociale partners in het pact een behoorlijke plaats moet krijgen. Voor informele bijeenkomsten bestaan overigens geen geannoteerde agenda's. Het is nog niet helemaal zeker of het werkgelegenheidspact de komende maanden zal worden «afgezegend». Als kan worden bereikt dat werkgelegenheidsbeleid, economische richtsnoeren en sociaal en monetair beleid op elkaar kunnen worden afgestemd – het streven van de minister – zou dat een enorme vooruitgang zijn. Het is echter lastig om tot een evenwichtige inzet op die belangrijke dossiers te komen. De minister meende dat het Duitse voorzitterschap het erg op prijs zou stellen als het economische, het monetaire en het loondossier met elkaar zouden kunnen worden verbonden. Hij benadrukte dat het loondossier niet in handen van de diverse regeringen ligt. Er kan pas gewerkt worden aan een behoorlijke integrale kijk op de problematiek als de belangrijkste aspecten voor economische en sociale ontwikkeling in Europa, tegen de achtergrond van monetaire gegevens, op een goede manier met elkaar worden verbonden. De inzet van de Nederlandse regering op 9 maart zal moeten zijn de Duitse voorzitter van de Sociale Raad te vragen te zorgen voor een geïntegreerde aanpak. Dit kan een meerwaarde opleveren, omdat het een verbreding betekent van de meer algemene benadering van Europa, terwijl het tevens mogelijk wordt, daarop voortbouwend de integratie van het beleid nader gestalte te geven.
Op de vraag van mevrouw Verburg wat de inhoud van het werkgelegenheidspact in de ogen van het kabinet zou moeten zijn, gaf de minister te kennen, dat hij het bepalen van de inhoud geen zaak van het Nederlands kabinet achtte. Wel gaf hij aan het best zelf te willen schrijven. Op het verzoek van mevrouw Verburg om dan in elk geval aan te geven aan welke criteria het pact volgens de minister zou moeten voldoen, antwoordde de minister dat hij dat op dit moment niet kon. Voorts merkte hij op overigens hiertoe evenmin van CDA-zijde een voorstel te hebben gezien.
Mevrouw Verburg zegde toe de minister alsnog en graag van een aantal criteria ten behoeve van het pact voor de werkgelegenheid te willen voorzien. Hiertoe werd besloten. Een afschrift zal aan de vaste commissie worden gezonden.
Het was de minister gebleken dat, hoewel de rol van de sociale partners door alle regeringen hoog wordt ingeschat, in de praktijk de betekenis in de verschillende landen zeer uiteenloopt. Verder lopen de agenda's van de sociale partners in de verschillende Europese landen buitengewoon uit elkaar. Het door hem geuite optimisme op dat punt was gebaseerd op de wetenschap, dat dit optimisme niet gekoppeld hoeft te worden aan de uitvoering. Het optimisme is gebaseerd op de gedachte dat uiteindelijk in Europa het inzicht zal doorbreken, dat een goede samenwerking voor iedereen het beste is. De door mevrouw Bussemaker voorgestelde kalender houdt in dat wordt geprobeerd, stapsgewijs voortgang te boeken op dossiers. Daartoe moeten sociale partners aangeven, waarover op Europees niveau de dialoog zal worden gevoerd, en welke punten naar de Commissie dienen te worden gebracht. Als sociale partners tot iets komen, heeft dat bijna wetgevende betekenis. Wat de gezamenlijke oriëntaties betreft, is het van groot belang dat de sociale partners in de discussies over de directe samenhang van de dossiers worden betrokken, zoals dat in Nederland gebeurt. Dat mag overigens niet ten koste gaan van de eigen verantwoordelijkheid van de sociale partners. In dit verband noemde de minister het werkgelegenheidsbeleid op lange termijn, het daarbij behorend sociaal-economisch beleid van de diverse overheden en de vraag, onder de vigeur van welk monetair, politiek en fiscaal dossier dit alles plaatsvindt. De gedachte van een soort najaarsoverleg op dit punt vond de minister goed, maar nog ver weg.
De minister onderstreepte in reactie op vragen over PHARE, dat bijna maandelijks delegaties uit potentiële toetredingslanden naar zijn ministerie komen. Een aantal medewerkers zal daartoe worden vrijgesteld. Er zijn geen zelfstandige additionele programma's op dat punt. Hij zegde toe na te zullen gaan of MATRA en PSO wat meer het aspect van sociaal-economische ontwikkeling en sociale verhoudingen kunnen meekrijgen. De knelpuntennotitie sociale zekerheid zal vóór de zomer bij de Kamer zijn. De Britse sociale partners liggen niet dwars bij de opstelling van een gedragscode; onder andere de Nederlandse sociale partners hebben problemen met de gedragscode. Met hen wordt overleg gevoerd om tot een oplossing te komen. In de zeevaartsector zijn de problemen opgelost.
De minister merkte over het BTW-dossier op dat inmiddels een proposal for a directive is verschenen. De diensten waarover het gaat, moeten arbeidsintensief, direct aan de eindgebruiker verlenend, in hoofdzaak lokaal en zeker niet competitieverstorend zijn. Het toepassen van een lager tarief mag in ieder geval op geen enkel moment het soepel functioneren van de singlemarket beïnvloeden. De Commissie heeft iedereen uitgenodigd voor 1 september 1999 de maatregelen die men wil treffen, te bepleiten. De lijst die namens Nederland naar voren zal worden gebracht, betreft vooral de schoenherstellers, de kledingherstellers, de kappers, de fietsenreparateurs, de glazenwassers en de schoonmakers. De periode die voor dit experiment geldt, zal zo'n drie jaar zijn. De minister zegde toe zich met staatssecretaris Verstand te verstaan over de vraag, of ook de nieuwe persoonlijke diensten, zoals dienstenwinkels, aan de lijst kunnen worden toegevoegd. Ook het hergebruik van goederen zal in dit verband worden bekeken. De minister benadrukte dat vorig jaar in Innsbruck al een informele Raad is gehouden over gelijke kansen. Hem was niets bekend over de toezegging van zijn collega Zalm voor de opstelling van een geïntegreerde brief. Hiernaar zal worden geïnformeerd. De commissies zullen informatie krijgen over best practices. Het project Leonardo da Vinci staat niet op de agenda voor de Sociale Raad van 9 maart 1999. In de eerstvolgende communicatie met de vaste commissies zal gemeld worden, of op dit punt iets nieuws valt te melden.
Ten slotte ging de minister in op de sociale dialoog. Wanneer sociale partners onderhandelingsakkoorden in regelgeving willen omzetten, komen vragen met betrekking tot de institutionele relaties aan de orde. Inderdaad hebben Europees Parlement en Kamer wel eens gevraagd, wat nu eigenlijk de rol van de gekozen volksvertegenwoordiging daarbij is. De formele rol in de procedure is aan de onderkant van «mager». Het verdrag kent het Europees Parlement op dit punt overigens helemaal geen bevoegdheid toe. Het magere bestaat daaruit, dat er informele werkafspraken zijn over informatieverstrekking aan het Europees Parlement tijdens het onderhandelingsproces. Uit democratisch oogpunt zou het fraaier zijn geweest, als het Europees Parlement inzake door partners gesloten overeenkomsten formele bevoegdheden zou hebben gehad. Maar vanuit aan de sociale partners toegekende bevoegdheden tot het maken van afspraken ingevolge het sociaal protocol, zou een te sterke inbreng van het Europees Parlement dat weer kunnen belemmeren. Nederland is overigens van mening, dat het Europees Parlement daarbij te afzijdig is. Behalve aan de informatievoorziening van het Parlement, zou Nederland graag zien dat er een introductie komt van een adviesrecht, direct nadat de Commissie de ontwerprichtlijn bij de Raad heeft ingediend, zodat in ieder geval de Raad rekening kan houden met wat er is gebeurd. De opmerkingen van mevrouw Verburg over het instituut in Florence zullen worden meegenomen.
Samenstelling: Leden: Weisglas (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Voorhoeve (VVD), Voûte-Droste (VVD), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Verhagen (CDA), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), ondervoorzitter, De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Patijn (VVD), voorzitter, Van den Akker (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Bos (PvdA), Weekers (VVD), Albayrak (PvdA), Eurlings (CDA) en Van Dok-van Weele (PvdA).
Plv. leden: Blaauw (VVD), Dittrich (D66), Van den Berg (SGP), Örgü (VVD), Klein Molekamp (VVD), Remak (VVD), Ter Veer (D66), Van Bommel (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), De Graaf (D66), Valk (PvdA), Van der Knaap (CDA), Verbugt (VVD), Balkenende (CDA), Mosterd (CDA), M.B. Vos (GroenLinks), Feenstra (PvdA), Zijlstra (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Crone (PvdA), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA) en Gortzak (PvdA).
Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Noorman- den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Harrewijn (GroenLinks), Balkenende (CDA), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Örgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA) en Wilders (VVD).
Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Hamer (PvdA), Van Gent (GroenLinks), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Hofstra (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Klein Molekamp (VVD), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Vendrik (GroenLinks), Mosterd (CDA), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA), Wagenaar (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA) en De Vries (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-97.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.