21 501-18
Sociale Raad

nr. 96
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 11 maart 1999

In het Algemeen Overleg met de Vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid afgelopen donderdag 4 maart, heb ik over diverse onderwerpen nadere informatie toegezegd. Naar aanleiding van de vraag van de zijde van de VVD of allochtone jongeren kunnen deelnemen aan Europese onderwijsprogramma's zoals Leonardo, doe ik u hierbij het antwoord toekomen. De overige toegezegde informatie volgt zo spoedig mogelijk.

Uit navraag bij het ministerie van OCW en de uitvoerende organisaties blijkt dat het antwoord op deze vraag bevestigend is. Rechtmatig in Nederland verblijvende jongeren kunnen vanuit Nederland aan de onderwijsprogramma's deelnemen; de nationaliteit doet niet terzake. In zijn algemeenheid geldt dat mensen met de nationaliteit van of rechtmatig verblijvend in een van de deelnemende landen, kunnen meedoen. De deelnemende landen omvatten in elk geval de EU, de EER en de meeste kandidaatlidstaten.

Uiteraard kent elk type onderwijsprogramma zijn eigen specifieke selectie-eisen al naar gelang de doelstelling van het programma, bijvoorbeeld naar leeftijd wanneer het programma specifiek gericht is op jongeren. Daarnaast is het zo dat het Leonardoprogramma gericht is op rechtspersonen (onderwijsinstellingen). Individuen kunnen een stageplaats aanvragen via zo'n rechtspersoon.

Voor enkele onderdelen van de onderwijsprogramma's is relevant, dat het toelatingsbeleid van vreemdelingen (tot de arbeidsmarkt) gereguleerd wordt via nationale wetgeving. Afhankelijk van de wetgeving in de Lidstaten zal voor stagiairs en praktikanten met een andere dan een EER-nationaliteit een tewerkstellingsvergunning nodig zijn, waaraan mogelijk een duurbeperking is gekoppeld. Voorzover bekend heeft dit in de praktijk niet tot problemen geleid.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd over deze aangelegenheid.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

K. G. de Vries

Naar boven