21 501-18
Sociale Raad

nr. 95
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 18 februari 1999

Bijgaand doe ik u toekomen het verslag van de Informele Sociale Raad die plaatsvond in Bonn van 4 tot 6 februari jl.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

K. G. de Vries

VERSLAG INFORMELE RAAD MINISTERS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID, BONN 4 EN 5 FEBRUARI 1999

Algemeen

De informele bijeenkomst van de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid had als thema «Arbeidsmarkt en werkgelegenheid onder de voorwaarden van de Economische en Monetaire Unie». De bijeenkomst werd deels bijgewoond door vertegenwoordigers van het Europees Parlement en de Europese sociale partners. De vergadering stond onder voorzitterschap van de Duitse Minister van Arbeid Riester, voor Nederland was aanwezig minister De Vries.

Verslag

De Voorzitter zette kort uiteen waar de drie prioriteiten van het Duitse voorzitterschap liggen. Dat zijn het Europees Werkgelegenheidspact, sociale minimumnormen en Agenda 2000. Wat betreft het Werkgelegenheidspact noemde hij als zwaartepunten een viertal doelgroepen namelijk jeugdige werklozen, langdurig werklozen, vrouwen en gehandicapten. Het Voorzitterschap zal zich voorts concentreren op de totstandkoming van de Europese Vennootschap en wat Agenda 2000 betreft zal de Sociale Raad met name aandachtig moeten volgen wat er in het kader van de uitbreiding en de structuurfondsen gebeurt.

De discussie concentreerde zich vooral op de eerste van genoemde prioriteiten d.w.z. het Europese Werkgelegenheidspact en in dat kader in het bijzonder de loonontwikkeling.

Commissaris Flynn sprak waardering uit voor de terughoudende wijze waarop de vakbeweging in de Lid-Staten van de EU de afgelopen jaren had geopereerd op het vlak van de lonen en riep sociale partners verder op om volledige medewerking te verlenen aan de implementatie van de werkgelegenheidsrichtsnoeren en met name de pijler inzake «adaptability».

De Voorzitter stelde dat op drie terreinen diende te worden opgetreden.

In de eerste plaats moet er een macro-economische coördinatie komen waarbij loonbeleid, budgettair beleid en monetair beleid beter op elkaar worden afgestemd. Een tweede element betreft de gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie. En tenslotte dienen er in de visie van het Voorzitterschap structurele aanpassingen in de goederen- en kapitaalmarkt te worden doorgevoerd. Met betrekking tot het eerste punt meldde de Voorzitter dat EcoFin, Sociale Raad en sociale partners hierbij gezamenlijk zouden moeten optrekken. Van sociale partners verwachtte hij een bijdrage die verder ging dan alleen maar een gemeenschappelijke oriëntatie inzake de loonontwikkeling.

De UNICE-vertegenwoordiger stelde dat de oplossing voor het probleem van de werkloosheid vooral op het nationale niveau ligt (onder verwijzing naar Ierland en Nederland) en dat de EU alleen maar complementair dient op te treden. Lid-Staten dienen met name de indirecte loonkosten terug te dringen. Wat betreft de lonen merkte hij op dat er al sprake is van een proces van convergentie al zijn de verschillen tussen Lid-Staten nog erg groot. Europese interventie op dit punt zou dat convergentie-proces echter alleen maar verstoren. Van werknemerszijde (EVV) werd gepleit voor een andere «policy mix». Nu de monetaire stabiliteit gewaarborgd is zou een actiever budgettair en economisch beleid gevoerd kunnen worden, dat op Europees niveau gecoördineerd dient te worden. De vakbeweging in de EU heeft zich de laatste jaren terughoudend opgesteld bij de loononderhandelingen. De loonstijgingen zijn duidelijk achter gebleven bij de productiviteitsgroei maar in termen van werkgelegenheid heeft dit weinig opgeleverd. De vakbeweging toonde zich bereid haar deel van het werk in het kader van de werkgelegenheidsstrategie (met name in het kader van de derde pijler inzake «adaptability») te doen maar wenste tegelijk dat er een betere afstemming komt tussen de macro-economische richtsnoeren en de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Een geharmoniseerde loonontwikkeling was echter niet nodig in de EU en de voorzitter van het EVV zag dan ook voorlopig geen Europese cao's inzake lonen tot stand komen. De Europese vakbeweging is niet bereid verder te gaan dan «monitoring» op dit punt.

Namens het Europees Parlement stelde de voorzitter van de EP-Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat de Europese sociale partners een duidelijke rol dienen te krijgen bij de vaststelling van de macro-economische richtsnoeren. In het kader van de ontwikkeling naar een economische regering is dit een noodzakelijke stap. Hij betreurde het dat loon is uitgesloten in het Verdrag van Amsterdam. Loonbeleid op Europees niveau komt echter steeds meer in het centrum van de aandacht te staan en hij verwachtte dat de ontwikkeling zal gaan in de richting van Europese cao's. Op Europees niveau zal verder een andere «policy mix» tot stand moeten komen waaraan de Europese Centrale Bank, nationale regeringen en sociale partners hun bijdragen zullen moeten leveren.

De sociale agenda zal moeten worden verbreed waarbij hij met name aandacht vroeg voor arbeidsmobiliteit. Ook wees hij met nadruk op de noodzaak om fiscale concurrentie te vermijden. Tenslotte wees hij op een viertal problemen die zich op het ogenblik nog voordoen, n.l.:

– het democratisch deficit dat opgesloten ligt in het Verdrag van Amsterdam. Het Europees Parlement speelt slechts een ondergeschikte rol, indien sociale partners op Europees niveau tot een akkoord komen. Hij sprak de verwachting uit dat het recente akkoord inzake arbeid voor bepaalde duur bij het EP op problemen zou stuiten en achtte het niet onwaarschijnlijk dat daarover een negatief advies zou worden uitgebracht;

– de Europese Sociale Dialoog verloopt heel traag en produceert dus ook maar heel langzaam resultaten. Wellicht dat het via een sector-benadering sneller zou kunnen gaan;

– het Verdrag van Amsterdam kent op sociaal terrein nog teveel onderwerpen die aan unanimiteit zijn gebonden;

– de werkgelegenheidsrichtsnoeren bergen nog te weinig Europese doelstellingen in zich. Inzake de reductie van indirecte arbeidskosten zou bijvoorbeeld ook een Europese doelstelling geformuleerd dienen te worden.

De vertegenwoordigers van de Lid-Staten waren verdeeld met betrekking tot de vraag wat op Europees niveau aan coördinatie diende te geschieden. Door enkele Lid-Staten werd gesteld dat de oplossingen toch vooral op het nationale niveau gezocht moesten worden en dat het met name aan de nationale sociale partners is om zich over de loonontwikkeling uit te spreken. Door andere Lid-Staten daarentegen werd gepleit voor een veel actiever beleid op Europees niveau. Zo werd bijvoorbeeld gepleit voor een Europees beleid dat economische groei van 3% en meer, weer mogelijk zou moeten maken. Het monetair beleid dient hieraan een bijdrage te leveren. Tevens werd gepleit voor harmonisatie van het fiscaal beleid. De macro-economische richtsnoeren zouden onderwerp van gezamenlijk overleg moeten zijn van de EcoFin en de Sociale Raad. De sociale partners als «co-auteurs» van het sociale Europa, zouden bereid moeten zijn om tot Europese afspraken over de loonontwikkeling te komen.

Minister De Vries pleitte voor een verbreding van de Europese agenda. Sociaal beleid, fiscaal beleid en monetair beleid dienden in hun onderlinge samenhang te worden bezien en besproken. Met name het element «level playing field» diende in het oog te worden gehouden. Met betrekking tot de rol van sociale partners wees Nederland erop dat deze een eigen rol te spelen hebben vanuit hun eigen verantwoordelijkheid. Het moet mogelijk zijn om met sociale partners een gezamenlijk perspectief c.q. een gezamenlijke kalender op te stellen en vervolgens ook tot gezamenlijke oriëntaties en analyses te komen. Sociale partners dienen op hun verantwoordelijkheid te worden aangesproken maar hen moet aan de andere kant ook niet een rol worden opgedrongen die zij niet kunnen waarmaken. Ook overheden zullen hun verantwoordelijkheid moeten nemen op terreinen die binnen hun bevoegdheden liggen.

De discussie gedurende het tweede dagdeel, waarbij alleen vertegenwoordigers van de Lid-Staten aanwezig waren, stond in het teken van de vraag hoe het Werkgelegenheidspact meer concreet diende te worden ingevuld. De Voorzitter stelde dat een op stabiliteit gericht beleid niet voldoende is maar dat een werkgelegenheidsvriendelijk budgettair en fiscaal beleid nodig zal zijn alsmede een actief arbeidsmarkt- en onderwijsbeleid. In het Werkgelegenheidspact zullen (in etappes) bindende en controleerbare doelstellingen moeten worden neergelegd m.b.t. jeugdigen, langdurig werklozen, gelijke kansen voor vrouwen en gehandicapten. Onder Duits voorzitterschap zal vooral prioriteit worden verleend aan de strijd tegen de jeugdwerkloosheid. Dat betekent in de optiek van het Voorzitterschap overigens niet dat er nieuwe programma's zouden moeten komen maar veel kan gewonnen worden met een betere coördinatie, versterkte samenwerking teneinde de informatie-uitwisseling en daarmee het van elkaar leren, te verbeteren.

Commissaris Flynn wees met name op de conclusies van de Europese Raad te Wenen (december 1998). De werkgelegenheidsrichtsnoeren zullen nog meer dan nu het geval is moeten worden aangevuld met «deadlines» en «targets». Het EU-beleid zal meer moeten worden ingericht op het bevorderen van werkgelegenheid. Er zal meer synergie/consistentie moeten komen tussen de macro-economische en de werkgelegenheidsrichtsnoeren. 1999 zal het jaar worden waarin voor het eerst de nationale Nationale Actieplannen voor Werkgelegenheid (NAP's) aan een echte evaluatie worden onderworpen. Er zal hard gewerkt moeten worden aan een verbetering van indicatoren en statistieken.

Tijdens de daaropvolgende discussie kwam van vele zijden de vraag naar de invulling en de meerwaarde van het Europees Werkgelegenheidspact, als opgebracht tijdens het vorige dagdeel, terug. Onder meer minister De Vries vroeg het Voorzitterschap of sociale partners partij zullen zijn bij het pact, welke invulling het voorzitterschap in concreto denkt te geven aan de gesignaleerde prioriteiten (inzake jeugdige werklozen, langdurig werklozen e.d.) en wat de meerwaarde zal zijn ten opzichte van de werkgelegenheidsrichtsnoeren die op het ogenblik al zijn geformuleerd. Verder meldde minister De Vries van mening te zijn dat het pact zich niet alleen op enkele aspecten van de richtsnoeren zou moeten richten maar dat de richtsnoeren in hun volle breedte tot uitvoering dienden te worden gebracht.

Commissaris Flynn concludeerde ter afsluiting dat het beter was om niet te proberen het wiel opnieuw uit te vinden. Met het kader van Luxemburg (de werkgelegenheidsrichtsnoeren) was in feite het raamwerk geschapen waarbinnen we zouden moeten opereren. Sociale partners zal gevraagd moeten worden om hun bijdrage te leveren zoals die in de werkgelegenheidsricht-snoeren al is vastgelegd. Dat zal snel moeten gebeuren. Verder zal, opnieuw binnen het bestaande kader, hard gewerkt moeten worden aan de verbetering van de indicatoren en tenslotte pleitte hij er nogmaals voor om de synergie tussen macro-economische en werkgelegenheidsrichtsnoeren de nodige aandacht te geven.

Naar boven