21 501-18
Sociale Raad

nr. 94
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 18 december 1998

De algemene commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben op 26 november 1998 overleg gevoerd met minister K. G. de Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, over het verslag van de Sociale Raad van 20 november 1998 en de geannoteerde agenda van de Sociale Raad van 1 december 1998 en 2 december 1998.

Van het overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Örgü (VVD) meende dat het eindverslag inzake de richtlijn Europese vennootschap duidelijk maakt dat het moeilijk is om de verschillende lidstaten met elkaar te vergelijken. De VVD wordt hiermee gesterkt in haar oordeel dat sociaal beleid en werkgeversbeleid een verantwoordelijkheid van de lidstaten zelf zijn.

Zij vond het verheugend dat in een aantal concrete richtsnoeren aandacht zal worden geschonken aan zwart werk. In welke richtsnoeren en op welke wijze zal hierop worden ingegaan?

Vervolgens vroeg zij om een verduidelijking van richtsnoer 1, inzake de langdurige werklozen. De invulling van de kwantitatieve aspecten van richtsnoer 6 inzake levenslang leren dient te worden overgelaten aan de lidstaten. Deze richtsnoer is derhalve overbodig.

De VVD is van mening dat het budgettaire kader voor de tweede fase van het communautaire actieprogramma inzake beroepsopleiding «Leonardo da Vinci» duidelijk moet zijn en stemt in met het uitgangspunt van een nulgroei. Wat wordt echter bedoeld met een reële nulgroei?

Mevrouw Verburg (CDA) vroeg de minister of hij op de hoogte is van de inhoud van het plan «De nieuwe Europese weg», opgesteld door Europese sociaal-democraten in Europa. Welke impact verwacht hij daarvan op te maken afspraken op Europees niveau?

Welke resultaten verwacht hij van de coördinatie van de nationale actieplannen? In welke mate zal de werkloosheid in Europa in de komende jaren effectief afnemen? Wat is de ambitie in Europees kader?

In het kader van Agenda 2000 moet over de toekomst van de structuurfondsen nog verder worden onderhandeld. Waarop is de verwachting van de minister gebaseerd dat het Europees sociaal fonds (ESF) in de komende jaren een bijdrage van bijna 300 mln. zal leveren voor de vormgeving van de nationale actieplannen?

Het CDA onderschrijft de voorzichtige lijn die is gekozen in het kader van de richtlijn Europese Vennootschap, maar is benieuwd naar de uiteindelijke vormgeving van de vennootschapsbelasting op Europees niveau.

Op welke wijze kan het Nederlandse leerlingwezen profijt hebben van Europass? Er moet in dit kader worden geleerd van de ervaringen van andere lidstaten, alleen al om de drop-outproblematiek in het leerlingwezen te bestrijden.

Hoewel de follow-up van de wereldvrouwenconferentie in Beijing sympathiek is, vroeg mevrouw Verburg wat de regering op Europees niveau wil coördineren. Overigens heeft alleen Nederland niet bij de VN gerapporteerd over de activiteiten in het kader van de follow-up van de Beijingconferentie.

Mevrouw Bussemaker (PvdA) stelde vast dat enkele belangrijke voorstellen van de regering voor de richtsnoeren 1999 het niet hebben gehaald. Die voorstellen betreffen extra steun voor langdurige werklozen, het beteugelen van zwart werk en het lage BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten. Zij vroeg de minister aan te geven hoe de Sociale Raad op dit punt precies is verlopen en drong erop aan om in de volgende vergadering en de Jumboraad wederom in te zetten op een richtsnoer voor een laag BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten, zodat het lage BTW-tarief in Nederland kan worden ingezet zonder dat andere landen ook daartoe worden verplicht. Wil hij in dit verband ingaan op de relatie tussen de rol van sociaal-democraten in Europa en de nationale belangen in het Europese proces van coördinatie van werkgelegenheidsbeleid?

De fractie van de PvdA steunt in grote lijnen de Nederlandse inbreng terzake van het Oostenrijkse compromisvoorstel inzake de Europese vennootschap, maar vraagt wel welke consequenties de nog niet ingevulde punten kunnen hebben. Het is te betreuren dat er algemene minimumnormen ontbreken.

Een bijzondere onderhandelingsgroep (BOG) kan er vrijwillig, zij het met twee derde meerderheid, van afzien om over medezeggenschap te onderhandelen. Wat vindt de minister van het Oostenrijkse voorstel tot differentiatie terzake? Is de tweederde meerderheid niet een absolute ondergrens? Hoeveel wil hij afwijken van zijn wens om in de referentievoorschriften altijd recht te geven op zowel instelling van een «Euro-OR» als beïnvloeding van de samenstelling van het bestuur of het toezichthoudend orgaan? In de regels voor de samenstelling van de BOG is in eerste instantie gekozen voor nationale representatie, minimaal één vertegenwoordiger uit elke lidstaat waar de Europese vennootschap een vestiging of dochter heeft. Hoe oordeelt de minister erover dat er op die manier geen garantie is dat uit alle vestigingen een vertegenwoordiging aanwezig zal zijn bij de BOG? Deelt hij de opvatting van de PvdA-fractie dat de regels zodanig moeten zijn dat vermeden wordt dat er een incentive ontstaat in de vorm van vermindering van werknemersinvloed om een nationale vennootschap in een Europese vennootschap om te zetten?

Mevrouw Bussemaker stemde in met de overigens nog niet ideale richtlijn inzake carcinogene agentia op het werk en voegde eraan toe het Nederlandse streven naar betere bescherming te steunen.

Zij stemde vervolgens in met de richtlijn inzake sociale zekerheid voor studenten, maar meende dat er meer groepen zijn waarvoor een en ander geregeld moet worden, zoals werknemers uit derde landen die legaal in Europa verblijven.

Zij sloot zich aan bij de opmerkingen van mevrouw Verburg over de follow-up van de Beijingconferentie. Sluit de follow-up overigens alleen aan bij het Nederlandse streven om het aantal vrouwen in politieke en openbare functies te vergroten en niet bij andere thema's?

Waarom zijn de sectoren en activiteiten weg-, lucht-, zee- en spoorwegvervoer, binnenvaart, zeevisserij en andere activiteiten op zee alsmede de activiteiten van artsen in opleiding uitgesloten van de richtlijn arbeidstijden? De werkgevers in deze sectoren houden zich graag aan de Europese regelgeving, omdat die op het gebied van de arbeidstijden heel weinig regelt. Deelt de minister de opvatting van de PvdA-fractie dat er op langere termijn toch regelgeving nodig is voor deze sectoren?

Mevrouw Schimmel (D66) vroeg de minister aan te geven welke bezwaren in de Sociale Raad werden aangevoerd tegen het voorstel om het bestaande beleid voor langdurige werklozen in een aparte richtsnoer op te nemen. Wil de minister pogingen ondernemen om alsnog een dergelijke richtsnoer tot stand te brengen?

Zij vond het teleurstellend dat de bepalingen voor de invloed van werknemers op de samenstelling van het toezichthoudend orgaan of bestuur alleen blijven gelden in een situatie waarin al vóór de oprichting van de Europese vennootschap bij ten minste één van de daarin deelnemende vennootschappen sprake was van werknemersinvloed. De zuidelijke lidstaten kennen een dergelijke werknemersinvloed niet. Er zullen dus Europese vennootschappen zijn zonder invloed van werknemers op de samenstelling van het toezichthoudend orgaan of bestuur. Mevrouw Schimmel stelde pas in te kunnen stemmen met de richtlijn Europese vennootschap als op dit punt een wijziging heeft plaatsgevonden.

Het antwoord van de regering

De minister onderschreef dat een vergelijking tussen de lidstaten op het punt van werkgeversbeleid en werkgelegenheidsbeleid moeilijk is te maken. Het is wel positief dat elk land transparant maakt wat er gebeurt op het terrein van de werkgelegenheid. Dat biedt de nationale parlementen meer inzicht. Tevens kunnen de lidstaten van elkaar leren.

Er bestaat in Europees verband consensus over het tegengaan van zwart werk, maar er wordt geen relatie gelegd met een laag BTW-tarief voor sectoren waarin zwart werk heel verleidelijk is omdat met het hoge BTW-tarief de arbeid erg duur is. Hoe de aanbeveling van Oostenrijk op dit punt precies zal luiden, is nog niet bekend.

De regering heeft in de Sociale Raad voorgesteld om van de bestaande richtlijn inzake werkloosheidsbestrijding, waarin prioriteit wordt gegeven aan het bestrijden van nieuwe instroom terwijl daarin ook is opgenomen dat de oude voorraad niet vergeten moet worden, twee richtsnoeren te maken die voor beide groepen afzonderlijk aandacht vragen. De meningen van de verschillende lidstaten over het Nederlandse voorstel waren verdeeld. Een aantal lidstaten was van mening dat niet aan beide aspecten prioriteit kan worden gegeven en legde het accent op de nieuwe instromers. Nederland is er voorstander van om de inspanning voor de bestaande groep werklozen evenveel aandacht te geven als de additionele inspanning ten behoeve van de nieuwe groep. Dit punt staat volgende week wederom op de agenda.

De lidstaten zullen voor richtsnoer 6 inzake levenslang leren rapportages en inspanningen moeten realiseren, maar zullen de uitvoering zelf ter hand moeten nemen.

De minister stelde in een eerder gehouden Sociale Raad te hebben aangegeven dat de regering zeer geïnteresseerd is in de budgettaire kaders van het actieprogramma Leonardo da Vinci en dat de uitgangspunten van de regering ook van toepassing zijn op dit programma. Het was niet duidelijk waarom een programma dat inhoudelijk eenvoudiger is, zoveel duurder moet uitvallen.

Met een reële nulgroei wordt bedoeld dat ook een inflatiecorrectie wordt toegepast. Het is niet de inzet van de regering dat er een reële achteruitgang van de budgetten ontstaat.

De minister gaf aan in partijpolitieke kring te willen ingaan op het sociale plan «De nieuwe Europese weg» van het project evaluatie stelselherziening (PES) maar als vertegenwoordiger van de regering in de aanstaande Sociale Raad het kabinetsbeleid ten aanzien van de relevante sociaal-economische politiek te zullen uitdragen. Hij zegde toe dit stuk graag aan de commissies te verstrekken.

De vraag hoeveel de werkloosheid effectief zal afnemen, is niet reëel. De werkgelegenheid in Europa hangt in grote mate af van de wereldconjunctuur en van sociaal-economische ontwikkelingen en afspraken over arbeidsvoorwaarden in de verschillende landen. Het is onmogelijk om aan te geven welke resultaten op termijn zullen worden bereikt. Er is in Europa een enorme verscheidenheid in doelstellingen. Nederland geeft op het ogenblik bijna 10 mld. uit aan maatregelen die de toegang tot de arbeidsmarkt vergemakkelijken en zal extra intensiveringen plegen voor het tegengaan van langdurige werkloosheid en nieuwe instroom in de WW. De toeleiding naar de arbeidsmarkt wordt steeds moeilijker naarmate het aantal werklozen afneemt, wat op zichzelf een verheugende ontwikkeling is. Het kabinet heeft als doelstelling dat uiteindelijk iedereen in de samenleving een plek vindt waar hij naar vermogen zijn inzet kan leveren voor de samenleving.

Over de uitvoering van het nationaal actieplan in Nederland is onlangs een nota verschenen, waarin wordt uitgesproken dat op termijn op het financiële vlak nog enkele punten moeten worden ingevuld. Een belangrijke bron daarvoor is het overleg met de sociale partners.

De toekomst van de structuurfondsen is niet zo onzeker als wel wordt gesuggereerd, hoewel de omvang ervan niet vaststaat. Er zullen in Europees verband op het terrein van de werkgelegenheidsbevordering grote inspanningen geleverd blijven. Het is niet onzeker dat Nederland 300 mln. krijgt uit de fondsen. Nederland zal gelden krijgen, omdat het Nederlandse werkgelegenheidsbeleid naadloos aansluit bij het pakket dat Europa daarvoor definieert. Wellicht kunnen hierover volgend jaar hardere gegevens worden gegeven.

Het is op dit moment niet duidelijk in welke mate Nederland zal deelnemen aan Europass. De minister zegde toe de kennis daarover te mobiliseren en op te nemen in de rapportage van de volgende Sociale Raad.

De follow-up van de Beijingconferentie staat op de agenda als een onderwerp voor algemene gedachtewisseling. Het Oostenrijkse voorzitterschap doet enkele voorstellen, waarmee Nederland kan instemmen. Of de regering in gebreke is gebleven om te rapporteren, zou hij nog laten nagaan en mededelen aan de commissies.

Naar aanleiding van een krantenartikel over de BTW is in een vorig algemeen overleg gevraagd de stand van zaken weer te geven, een verzoek waaraan hij toen niet kon voldoen. Het artikel in de krant berust op een misverstand. Er is op het ogenblik niet de mogelijkheid om dit te doen. Het BTW-regime is in ver gaande mate geharmoniseerd en geregeld in de zesde BTW-richtlijn. Nederland heeft steeds bepleit om voor werkgelegenheidsbevorderende en milieuvriendelijke maatregelen de mogelijkheid van een verlaging van het BTW-tarief te scheppen. De minister had zijn voorstel speciaal gericht op een verlaging van het BTW-tarief voor arbeidsintensieve activiteiten die niet aan grensoverschrijdende concurrentie onderhevig zijn, waarvoor hij bijval kreeg van zijn Franse collega. De Duitse collega was niet bereid om hierin mee te gaan. En de Engelse collega wist nog niet of Engeland daartoe zelf zou overgaan, maar wilde een lidstaat wel daartoe in de gelegenheid stellen als althans andere lidstaten daarvan geen last hadden. Nadat de Ecofin-raad zich er negatief over had uitgelaten, heeft de Europese Commissie de groep financiële vraagstukken gevraagd om het vraagstuk van het BTW-tarief te bezien. De groep heeft ertoe besloten om experimenten mogelijk te maken. De Europese Commissie zal daarvoor een conceptrichtlijn opstellen. Het is natuurlijk de vraag of en zo ja, wanneer er een richtlijn komt. De lidstaten moesten in oktober 1998 kenbaar maken welke branches zij in aanmerking willen laten komen voor een dergelijke richtlijn.

Om de sfeer te tekenen onder de sociaal-democraten in Europees verband vertelde de minister dat er in sociaal-democratische kring voor een vergadering altijd een maaltijd wordt georganiseerd. Hij zei altijd naar een bespreking voorafgaand aan de Sociale Raad te gaan om te vernemen wat er in andere landen leeft. Coördinatie is van belang, maar de politieke situatie is niet in alle lidstaten gelijk. Sommige buitenlandse politici kunnen makkelijker in het openbaar uit het eigen partijprogramma voorlezen dan Nederlandse bewindslieden.

Het dossier inzake de sectoren en activiteiten die van de richtlijn arbeidstijden zijn uitgesloten, stond de minister niet duidelijk voor ogen. Hij zegde toe de commissies schriftelijk te informeren over de stand van zaken.

De heer Goudsmit (beleidsmedewerker ministerie SZW) ging in op de Europese vennootschap. Indien en voorzover er nog aanpassingen van belastingwetgeving nodig zijn in verband met de komst van de Europese vennootschap moet het voortouw daartoe worden genomen door de minister van Financiën. Naar het zich laat aanzien, zijn er op dit moment geen specifieke problemen.

Binnenkort zal duidelijk worden of Oostenrijk de ambitie heeft om dit dossier onder eigen voorzitterschap af te ronden. Maar het lijkt zelfs te optimistisch om ervan uit te gaan dat het onder Duits voorzitterschap geheel wordt afgerond. Oostenrijk kan mikken op een politiek akkoord op vier hoofdpunten, maar ook op een politiek akkoord over de tekst van de richtlijn. Veel hangt af van de opstelling van een aantal zuidelijke lidstaten.

De heer Goudsmit gaf vervolgens de opzet van de richtlijn aan. Als een Europese vennootschap wordt opgericht, moet het management praten met vertegenwoordigers van de werknemers uit alle lidstaten waar de Europese Vennootschap werknemers heeft. In principe is de uitkomst van de onderhandelingen geheel vrij.

Nederland heeft vanaf het begin aangegeven dat met het principe van vrije onderhandelingen alleen kan worden ingestemd, indien is voldaan aan twee cruciale voorwaarden. De eerste voorwaarde is dat de BOG representatief is samengesteld en dat bij de stemmingen binnen dat orgaan voldoende rekening wordt gehouden met het aantal werknemers dat wordt vertegenwoordigd door de diverse leden van de BOG. De tweede voorwaarde is dat de BOG een voldoende stevige onderhandelingspositie heeft in de onderhandelingen. Nederland heeft dit geprobeerd te regelen door een vangnet aan te brengen waarop kan worden teruggevallen indien het management toch de oprichting van een Europese vennootschap wil doorzetten als er geen akkoord met de werknemers bereikt kan worden. Met deze opzet is ervaring opgedaan in het kader van de richtlijn Europese ondernemingsraden.

Het vangnet bevat twee delen. Het eerste deel is voor informatie en raadpleging over grensoverschrijdende kwesties. Daarvoor is materieel bepaald dat in alle Europese vennootschappen de werknemers de instelling kunnen eisen van een soort Europese ondernemingsraad, een werknemersvertegenwoordigend orgaan. Het is bij deze richtlijn niet vereist dat een Europese vennootschap meer dan 1 000 werknemers heeft, hetgeen vanuit werknemersperspectief een groot voordeel is. Bovendien zijn de rechten van het werknemersvertegenwoordigend orgaan wat sterker dan in de Europese ondernemingsraad die voor andere ondernemingen geldt. Het tweede deel van het vangnet betreft het participatierecht, de invloed van de werknemers op de samenstelling van een toezichthoudend bestuur of orgaan.

Het compromis is: als het management en de BOG van een Europese vennootschap geen akkoord bereiken, geldt automatisch het beste model van de participatierechten dat reeds voor de oprichting van de Europese vennootschap geldt bij een van de aan die oprichting deelnemende vennootschappen, tenminste indien een nog vast te stellen percentage van de werknemers van de Europese vennootschap al over participatierechten beschikte. Ligt het percentage lager, dan geldt ook het beste model, maar alleen als een meerderheid van de werknemers zich daarvoor uitspreekt. De referentievoorschriften geven immers geen recht op participatierechten, indien bij geen van de aan de oprichting deelnemende vennootschappen al sprake was van participatie. Dit kan ertoe leiden dat er Europese vennootschappen zijn, in de zuidelijke lidstaten, waar helemaal geen sprake is van participatie.

Nederland is van mening dat in alle Europese vennootschappen de werknemers een bepaalde minimale hoeveelheid invloed moeten kunnen uitoefenen op strategische besluitvorming en heeft steeds een voorbehoud gemaakt bij de stelling dat er geen participatie zal zijn als er van tevoren ook geen participatie was. Om toch uit te komen op een minimale waarborg voor invloed van werknemers op strategische besluitvorming, is geprobeerd om de informatie- en consultatierechten van het werknemersvertegenwoordigend orgaan te versterken. Nu dit is gelukt, zou aanvaard kunnen worden dat in sommige constellaties de werknemers geen invloed krijgen op de samenstelling van een toezichthoudend bestuur of orgaan.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Schimmel (D66) constateerde dat het kabinet op het punt van de participatie in de Europese vennootschap het maximale meent te hebben bereikt. Maar er zijn lidstaten waar geen sprake is van participatie. Als werkgevers uit die lidstaten een Europese vennootschap oprichten, hebben de werknemers daarvan geen participatierecht. Volgens de fractie van D66 kan de ontwerprichtlijn op het terrein van participatie dan niet totstandkomen.

Mevrouw Bussemaker (PvdA) had veel moeite met het ontbreken van een minimumbepaling voor de participatie van werknemers in een Europese vennootschap. Naar welk percentage streeft de minister?

Mevrouw Verburg (CDA) vroeg of de minister ervan overtuigd is dat deze ontwerprichtlijn en de fiscale aspecten omtrent de Europese vennootschap volstrekt los van elkaar kunnen worden gezien.

De minister deelde mede dat tot zijn verbazing binnen de Europese vakbeweging heel verschillend wordt gedacht over participatierechten. De Belgische vakbeweging moet niets hebben van het Duitse systeem. In de zuidelijke lidstaten prefereert de vakbeweging ten opzichte van het management een heldere positie die geen medeverantwoordelijkheid impliceert. In de noordelijke lidstaten is de participatie meer ingeburgerd. Het is een Europees probleem, waarbij verschillen in cultuur een rol spelen. Deze ontwikkeling, die nog jaren kan vergen en wellicht nooit met succes wordt bekroond, kan zeker niet los worden gezien van de ontwikkelingen op het gebied van het vennootschapsrecht. Het verband zal scherp in de gaten worden gehouden.

Nederland zet in op een zo laag mogelijk percentage, opdat de bescherming zo hoog mogelijk wordt. De landen die op het gebied van participatie veel te bieden hebben, onderschrijven dit streven. Als het probleem ontstaat dat landen van mening verschillen over het beste systeem van participatierechten, zal daarvoor een oplossing moeten worden gevonden.

De voorzitter van de algemene commissie voor Europese Zaken,

Patijn

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Terpstra

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Van Dijk


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Weisglas (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Voorhoeve (VVD), Voûte-Droste (VVD), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Verhagen (CDA), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), ondervoorzitter, De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Patijn (VVD), voorzitter, Van den Akker (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Bos (PvdA), Weekers (VVD), Albayrak (PvdA), Eurlings (CDA), Van Dok-van Weele (PvdA).

Plv. leden: Blaauw (VVD), Dittrich (D66), Van den Berg (SGP), Örgü (VVD), Klein Molekamp (VVD), Remak (VVD), Ter Veer (D66), Van Bommel (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), De Graaf (D66), Valk (PvdA), Van der Knaap (CDA), Verbugt (VVD), Balkenende (CDA), Mosterd (CDA), M. B. Vos (GroenLinks), Feenstra (PvdA), Zijlstra (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Crone (PvdA), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Gortzak (PvdA).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Harrewijn (GroenLinks), Balkenende (CDA), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Örgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA), Wilders (VVD).

Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Hamer (PvdA), Van Gent (GroenLinks), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Hofstra (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Klein Molekamp (VVD), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Vendrik (GroenLinks), Mosterd (CDA), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA), Wagenaar (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA), De Vries (VVD).

Naar boven