Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 21501-18 nr. 93 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 21501-18 nr. 93 |
Vastgesteld 18 december 1998
De algemene commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben op 19 november 1998 overleg gevoerd met minister K. G. de Vries en staatssecretaris Verstand van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, over:
– het verslag van de Sociale Raad van 27 oktober 1998 (21 501-18, nr. 85);
– de agenda van de Sociale Raad van 20 oktober 1998 (21 501-18, nr. 86);
– de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 28 oktober 1998 ter aanbieding van het concept voor het gezamenlijk verslag van de Europese Commissie en de Raad over de werkgelegenheid in 1998 en het voorstel van de Europese Commissie voor de werkgelegenheidsrichtsnoeren 1999 (SOZA-98-727);
– het kabinetsstandpunt inzake de Europese werkgelegenheidsstrategie (21 501-18, nr. 89).
Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Verburg (CDA) gaf aan dat haar fractie het eens is met het kabinet dat bij de Europese coördinatie van werkgelegenheid van niet meer dan die coördinatie sprake mag zijn. Werkgelegenheid en werkgelegenheidsbeleid zijn eigen verantwoordelijkheden van de lidstaten.
Kan de minister in het overleg van 20 november aandacht besteden aan het overlegmodel met sociale partners? Kan hij reageren op het oordeel van de Europese Commissie dat het ambitieniveau in het nationaal actieplan van Nederland wat mager is en dat Nederland niet behoort tot de precieze uitvoerders van de richtsnoeren in 1998? Om te voorkomen dat Nederland tot deze categorie blijft behoren, is het zaak dat het nationaal actieplan 1999 vóór de begrotingsbehandeling in december gereed is.
Waarom is in 1998 geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te experimenteren met een lager BTW-tarief voor arbeidsintensievediensten? Wil de minister in het overleg van 20 november voorstellen om aan de negentien richtsnoeren er één toe te voegen in het kader van voorkoming en bestrijding van zwartwerken? Wil hij dit punt ook aan de orde stellen tijdens de gecombineerde vergadering met de Ecofin-raad op 1 december?
Zijn inmiddels ook allochtonen opgenomen in de «mainstreaming» voor het beleid inzake gelijke behandeling?
Mevrouw Bussemaker (PvdA) kon in grote lijnen instemmen met de notitie van het kabinet inzake zijn standpunt over de Europese werkgelegenheidsstrategie. Wat was de Nederlandse inbreng in de discussie die op 27 oktober in de Sociale Raad plaatsvond over aanscherping, beoordeling en coördinatie van de actieplannen? Kan een toelichting worden gegeven op de prestatienorm? Kunnen richtsnoeren niet zoveel mogelijk uitgedrukt worden in concrete «benchmarking», opdat duidelijke kwantitatieve doelstellingen ontstaan? Ook zouden voor enkele richtsnoeren kwalitatieve doelen bezien moeten worden.
Hoe denkt de minister aandacht te besteden aan de balans tussen de vier pijlers (ondernemerschap, employability, aanpassingsvermogen en bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen)? Waar moet naar zijn mening de prioriteit liggen, ook voor Nederlands beleid? Kan ernaar worden gestreefd dat volgend jaar de «mainstreaming» van het beleid inzake gelijke behandeling concreet is vertaald naar doelen en meetinstrumenten? Kan er, ondanks de grotere aandacht voor gehandicapten en allochtonen, nog meer aandacht voor deze groepen worden gevraagd en kunnen de lidstaten nu worden opgeroepen om terzake ook preventief beleid te voeren?
Kan bij richtsnoer 6 over levenslang leren gestreefd worden naar een internationale vergelijking tussen de vele regelingen die terzake bestaan? Bij richtsnoer 13 wil de regering een verlaging van het BTW-tarief voorstellen voor bepaalde arbeidsintensieve diensten. Kan de minister hiervoor met kracht pleiten bij de Sociale Raad en kunnen hiermee in Nederland experimenten worden uitgevoerd? Richtsnoer 15 betreft de modernisering van de organisatie van de arbeid. Vindt de minister niet dat hierbij meer aandacht moet worden besteed aan atypisch werk in het algemeen, aan gelijkstelling van vol- en deeltijdarbeid in het bijzonder en aan maatregelen ter vermindering van stress op het werk? Bij richtlijn 19 inzake de combinatie van arbeid en zorg wil de regering opmerken dat ook de sociale partners moeten worden aangesproken. Dit betekent toch niet dat de verantwoordelijkheid die de lidstaten zelf hebben, ongedaan wordt gemaakt of sterk gerelativeerd moet worden?
Hoe denkt de minister over specifieke interdepartementale structuren voor het monitoren van de implementatie van actieplannen? Hoe ziet de minister de relatie tussen de Sociale Raad en de Ecofin-raad? Hoe komt Nederland tot een gecoördineerde inbreng in de gezamenlijke vergadering van deze raden?
De heer Harrewijn (GroenLinks) vroeg de minister om een reactie op de voorkeur van de nieuwe Duits bondskanselier Schröder voor meer bindende doelstellingen in het Europese werkgelegenheidsbeleid. Uit de notitie over het kabinetsstandpunt is namelijk op te maken dat Nederland wil benadrukken dat werkgelegenheid vooral een nationale verantwoordelijkheid is. De heer Harrewijn vond dat het kabinet zich in de notitie op een «sikkeneurige» en zelfingenomen wijze verzette tegen het oordeel van de Europese Commissie dat Nederland niet behoort tot de precieze uitvoerders van de richtsnoeren. Voorts blijkt uit de notitie dat Nederland moeite heeft met kwantitatieve doelstellingen. Het is dan ook zaak om tussen landen tot vergelijkbare cijfers te komen. De heer Harrewijn vond ook dat in de notitie te vaak werd benadrukt dat Nederland niet te veel nieuwe ambities wilde koesteren en dat Europa niet te veel mag kosten. Wordt het Europese beleid niet al te veel een verplichting? Wat doet Nederland meer of anders onder invloed van de Europese aanpak? De Europese Commissie vraagt zich af of Nederland de toegezegde sluitende aanpak van langdurige werkloosheid wel zal waarmaken. Kan de minister hierop ingaan? De heer Harrewijn vond dat Nederland meer kwantitatieve doelstellingen mocht bepalen, wat meer ambitie mocht tonen en wat minder tevredenheid over de eigen situatie.
Hij was blij met de poging die het kabinet wil doen om een verlaagd BTW-tarief voor bepaalde arbeidsintensieve diensten in te voeren. Kan Nederland hierin het voortouw nemen? De doelen voor werkgelegenheid voor jongeren en langdurig werklozen zullen volgens het kabinet en de Europese Commissie in een volgend actieplan worden verhelderd. Wat is hierover afgesproken? Worden ook langdurig werklozen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten vanaf het eerste jaar in de sluitende aanpak meegenomen? Wordt er iets gedaan met de «best practice-ervaringen» van andere landen of worden deze voor kennisgeving aangenomen?
Kan de minister toelichten wat de bedoeling is van de verandering van «the costs of hiring additional employees» in «the costs of hiring a first employee and of hiring additional employees»?
De heer Harrewijn vond dat Nederland niet overal en bij ieder onderdeel op irritante wijze over de financiën dient te praten. Iedere inhoudelijke inbreng lijkt overschaduwd te worden door de positie die Nederland denkt te kunnen innemen gezien de EU-bijdrage die het levert. Hoe kan dit worden gerijmd met hetgeen in de regeringsverklaring is opgenomen, namelijk dat Nederland rekent op Europese gelden voor het eigen werkgelegenheidsbeleid? Is overigens onderzocht hoe de ESF-bijdragen voor werkgelegenheid precies worden besteed? Waarop rekent de regering?
Mevrouw Örgü (VVD) was blij dat de regering van mening is dat het Europese beleid op het gebied van sociale zaken en werkgelegenheid een verantwoordelijkheid is van de lidstaten. Zij vreesde wel dat dit beleid voorlopig slechts op papier zal bestaan. Zij vroeg of voor de verslagen van de Europese Commissie niet kan worden gezocht naar primaire en beter met elkaar te vergelijken inspanningen die de afzonderlijke lidstaten plegen. Kan opheldering worden gegeven over de allesomvattende indicator voor de werkgelegenheid, die kennelijk een verkeerd beeld geeft van de aanpak van de vier pijlers? Kan de minister nagaan hoe de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat Nederland de richtsnoeren op een flexibele wijze interpreteert? Mevrouw Örgü was nog steeds tegen de uitbreiding van het aantal richtsnoeren. Richtsnoer 2 dient dan ook niet te worden opgesplitst. Het is goed dat in richtsnoer 9 gehandicapten en allochtonen expliciet worden vermeld. Wat kan naar de mening van de minister worden gedaan aan fraude, waarover recent in De Volkskrant is geschreven? Kan hiervoor richtsnoer 13 worden gebruikt?
Mevrouw Schimmel (D66) vond dat de eerste bedoeling van het overzicht van «best practices» is dat lidstaten van elkaar kunnen leren op het gebied van zorg en arbeid. Kan een aantal hiervan begin volgend jaar ter informatie aan de vaste commissie worden toegestuurd, zoals «Total equality scheme» (Denemarken), «Parental leave and childcare» (Zweden), «Special training projects for fathers» (Zweden) en de Portugese en Zweedse programma's over arbeidsgehandicapten?
Mevrouw Schimmel was het met de regering eens over de punten waarop het rapport tekortschoot. Voorts dient inderdaad de mening van de ELC door te klinken in een gezamenlijk programma en moet werkgelegenheid een zaak blijven van lidstaten. Kan de minister reageren op de uitspraak van de heer Melkert dat het nationale sociale beleid langzaam zal verdwijnen door de coördinatie van het Europese werkgelegenheidsbeleid? Zij ging ervan uit dat in de Raad besproken zal worden wat ten grondslag ligt aan het oordeel van de Europese Commissie dat Nederland de sluitende aanpak van langdurige werkloosheid flexibel interpreteert. De richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid moeten inderdaad niet worden veranderd, zoals het kabinet stelde in zijn notitie. Het «mainstreamen» van het beleid voor gelijke kansen moet dé horizontale issue blijven; er moeten geen nieuwe worden geïntroduceerd. Zij ondersteunde voorts de inzet van de regering om ervoor te zorgen dat invoering van een verlaagd BTW-tarief voor arbeidsintensieve diensten op de agenda blijft staan.
Kan informatie worden verschaft over het ontbreken van gegevens over het Oostenrijkse voorstel met betrekking tot het werkgelegenheidsbeleid? Kan een overzicht worden verstrekt van de landen waarin is geregeld wat de invloed is van de medezeggenschapsstructuur op de samenstelling van besturen of toezichthoudende organen?
De minister was het ermee eens dat bij het werkgelegenheidsbeleid slechts sprake kan zijn van coördinatie van dat beleid, met de nadruk op verantwoordelijkheid voor en betrokkenheid bij de vormgeving ervan. Het beleid zal voorlopig inderdaad slechts op papier bestaan, maar hij streeft ernaar het zo transparant en bespreekbaar te maken dat er een positieve gedachtewisseling uit kan voortvloeien. Het was de minister onbekend of bondskanselier Schröder vindt dat er bindende doelstellingen binnen het Europese werkgelegenheidsbeleid moeten komen. Hij zegde toe de Oostenrijkse voorstellen aan de vaste commissie te zullen overhandigen nadat zij beschikbaar zijn gekomen tijdens de raadsvergadering van 20 november.
De Nederlandse regering is terughoudend op het punt van kwantitatieve doelstellingen omdat het gaat om een materie waarin grote cijfers niet altijd makkelijk zijn te realiseren. Cijfers moeten wel meetbaar en vergelijkbaar zijn. Bovendien dient kwaliteit ook een rol te spelen. De minister erkende dat de punten die met arbeid te maken hebben, niet zozeer gericht zijn op de kwaliteit van die arbeid, als wel op de arbeid zelf. Hij vond de vier pijlers even belangrijk, maar de aandacht voor werkloosheid het allerbelangrijkst.
De Europese Commissie heeft de laatste tijd een positiever oordeel over de houding van Nederland. Dit oordeel vond de minister niet van veel belang: een land moet zelf op basis van vergelijking en analyse tot de conclusie komen dat op relevante punten een prestatie wordt geleverd. Het was niet de bedoeling om in de reactie op het oordeel van de Europese Commissie «sikkeneurig» te klinken. Het is echter juist dat in dit soort documenten een nuchtere toon wordt gehanteerd. Daaruit mag niet worden opgemaakt dat de regering niet bereid is om te praten over een niet rooskleurig oordeel. Bovendien heeft zij wel degelijk ambities op het Europese terrein en wil Nederland daarvoor zeker wel kosten maken. De regering is van mening dat ook op de Europese begroting gestreefd dient te worden naar nulgroei. De indruk bestaat dat de aandacht voor de financiële kant van de dossiers door de Europese collega's wordt gewaardeerd: enkele landen kunnen wat leren van de Nederlandse financiële discipline. Het is een goede zaak dat Nederland zijn mening over dit terrein laat horen. Daarnaast heeft Nederland simpelweg het recht op een deel van de financiën die de Europese Unie ter beschikking stelt.
De minister zegde toe de verlaging van het BTW-tarief voor arbeidsintensieve diensten tijdens de raadsvergadering aan de orde te stellen. Er zijn echter maar drie of vier landen die hier voorstander van zijn. Het was volgens hem niet juist dat Nederland in 1998 de mogelijkheid had om te experimenteren met het verlaagde BTW-tarief. Hij kon dan ook niet aangeven waarom volgens sommigen die ruimte niet werd benut.
Hij zal tijdens de raadsvergadering ook de instelling van een apart richtsnoer voor de bestrijding van zwart werk aan de orde stellen, maar benadrukte dat de verwezenlijking daarvan niet tijdens die vergadering zou plaatsvinden.
Hij was blij dat de aandacht voor gehandicapten en allochtonen inmiddels groter is.
Hij achtte het moeilijk om overzichtelijk te maken wat de methodologische resultaten van richtsnoer 4 (levenslang leren) zijn, gezien de grote nationale verschillen. Als dit onderwerp wordt gerelateerd aan de problematiek op de arbeidsmarkt, zou Nederland van andere landen wel wat kunnen leren op het gebied van dualisering. Hij zegde toe te bekijken wat de kwalitatief interessante aspecten op dit traject zijn.
Het is niet mogelijk om vóór de begroting het nationaal actieplan 1999 gereed te hebben, maar wel het plan van aanpak voor de sluitende aanpak. Deze zal voor alle nieuwe werklozen worden ingevoerd. Daarbij is het van groot belang dat dit niet ten koste gaat van maatregelen voor langdurig werklozen. De minister zegde toe er tijdens de raadsvergadering op aan te dringen, zowel de nieuwe als de langdurig werklozen op hetzelfde politieke niveau een plaats in de richtsnoeren te geven. Aan deze ambitie zal in de toekomst veel geld worden uitgegeven.
Het is juist dat de uitgezette trajecten voor langdurig werklozen en arbeidsongeschikten niet voor iedereen gelijk lopen. De minister zegde toe vóór mei of juni 1999 met de vaste commissie van gedachten te wisselen over de implementatie van de plannen voor 2000.
Hij meldde dat in het kabinet uitvoerig wordt gesproken over de coördinatie en inhoud van de inbreng in de komende raadsvergadering en dat deze inbreng ambtelijk goed wordt voorbereid.
Van de Europese «best practices» leert Nederland heel veel, gezien de uiteenlopende rapporten die hierover zijn verschenen. Het accent ligt daarbij op het leuker en makkelijker maken van het ondernemerschap. Nederland is nog steeds niet enthousiast over het Leonardo da Vinciproject. De minister zegde toe de gevraagde informatie over een aantal «best practices» aan de vaste commissie te doen toekomen zodra dit beschikbaar is.
Hij zou er tijdens de Raad voor pleiten om richtsnoer 2 niet te handhaven zoals die is voorgesteld, omdat hij het belang van de aandacht voor de bestaande instroom van werklozen niet geringer wil laten lijken dan die voor de nieuwe instroom. Hij was er voorstander van om de werkgelegenheidsrichtsnoeren niet telkens te veranderen.
De fraude zal niet aan de orde komen en bovendien wordt dit onderwerp door minister Zalm behartigd.
De minister zegde toe zich ervoor in te zetten dat de sociale dimensie op de Europese agenda komt en dat deze bespreekbaar wordt gemaakt. Daarna dient ervoor te worden gezorgd dat de sociale dimensie zo snel mogelijk integraal onderdeel uitmaakt van de Europese discussie, zodat er een goede afstemming kan plaatsvinden. Het zal nog lang duren voordat het nationale sociale beleid is verdwenen, maar het is duidelijk dat de nadering van de monetaire unie ervoor zal zorgen dat de lidstaten worden gedwongen om gerichter aan de sociale agenda te werken.
De staatssecretaris wees erop dat de allochtonen niet zijn opgenomen in de vierde pijler. Aan hen is richtsnoer 9 gewijd, waarin is geformuleerd dat het beleid met betrekking tot allochtonen en gehandicapten momenteel nog op doelgroepen is gericht. Dit is in Europa historisch bepaald. Wellicht zal deze gerichtheid in de toekomst veranderen.
De staatssecretaris was het er van harte mee eens dat het feit dat de sociale partners in richtlijn 19 zijn genoemd, niet mag betekenen dat de overheid zich aan haar verantwoordelijkheid onttrekt. Deze ligt zowel bij de overheid als bij de sociale partners.
In richtlijn 18 is opgenomen dat een emancipatiemonitor arbeid, zorg en inkomen zal worden ontwikkeld. Op basis daarvan kunnen conclusies worden getrokken en kan bezien worden hoe tot een evenredige vertegenwoordiging in de desbetreffende sectoren kan worden gekomen.
Er zijn nog heel weinig praktijkvoorbeelden van «gender mainstreaming» omdat nog weinig andere lidstaten zich daarmee bezighouden. Er kan echter geconstateerd worden dat terzake een goede ontwikkeling in gang is gezet. In Nederland is aan alle departementen verzocht dit «mainstreamen» als actiepunt mee te nemen.
Mevrouw Verburg (CDA) wilde weten wanneer de monitor inzake arbeid, zorg en inkomen kan worden verwacht. Kan de staatssecretaris duidelijker toelichten waarom allochtonen niet vallen onder de vierde pijler? Kan de minister bij de dualisering van leren en werken aandacht besteden aan het voorkomen van drop-outproblemen?
Mevrouw Bussemaker (PvdA) wees mevrouw Schimmel erop dat de heer Melkert met zijn uitspraak bedoelde dat het effect van de coördinerende afspraken een steeds belangrijkere rol gaat vervullen. Hoe zal ervoor worden gezorgd dat bij de Europese richtsnoeren binnen de vier pijlers aandacht komt voor «mainstreaming»? Hierover zijn namelijk geen concrete afspraken gemaakt. Zij wees erop dat op 18 november in het Europees Parlement een resolutie is aangenomen waarin ernaar wordt gestreefd om de vierde pijler («gender mainstreaming») te concretiseren en ook ten behoeve van gehandicapten uit te werken. Hoe denkt de minister dat de afstemming tussen de Sociale Raad en de Ecofin-raad worden verbeterd? Kunnen richtsnoeren voor sociaal beleid en voor economisch beleid niet op hetzelfde moment worden vastgesteld?
De heer Harrewijn (GroenLinks) verzocht de minister zijn ambitie te handhaven om in de toekomst veel aandacht en geld te besteden aan de sluitende aanpak. Hij benadrukte dat naast de coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid ook concrete maatregelen moeten worden ontworpen om dat beleid te stimuleren. Kan de minister hierop ingaan? Hij pleitte ervoor het Europese geld op een effectieve wijze in te zetten en niet zozeer te kijken naar wie wat betaalt en wat men daarvoor terugkrijgt.
Mevrouw Örgü (VVD) verzocht de staatssecretaris nader in te gaan op de historische achtergrond van richtsnoer 9.
Mevrouw Schimmel (D66) was van mening dat het Europese werkgelegenheidsbeleid op een ander niveau gecoördineerd dient te worden, aangezien de beleidsconcurrentie ertoe zou kunnen leiden dat verschillende, negatieve effecten ontstaan in de uiteenlopende sociale gebieden.
De minister meldde dat er voor drop-outs een apart richtsnoer bestaat. Hij zegde toe exact te achterhalen wat de inhoud is van de resolutie die het Europees Parlement op 18 november heeft aangenomen inzake «gender mainstreaming», opdat hij hierop in de raad kan ingaan. De afstemming tussen de Sociale Raad en de Ecofin-raad is op het Europese vlak inderdaad nog niet goed geregeld, maar in Nederland wel. Hij zegde toe dat de sociale dimensie volledig zal worden opgenomen in de economische en dat het omgekeerde ook het geval zal zijn. Hij bleef geïnteresseerd in het financiële aandeel dat Nederland aan de EU levert, naast de effectiviteit van het Europese geld. Het leek hem niet verstandig om Europa een belangrijke rol toe te kennen bij de coördinatie bij de ontwikkeling van het Europese werkgelegenheidsbeleid.
De staatssecretaris deelde mee dat ernaar wordt gestreefd om de monitor arbeid, zorg en inkomen vóór de zomervakantie uit te brengen. De gehandicapten zijn niet opgenomen in de vierde pijler omdat deze alleen de gelijkheid tussen mannen en vrouwen betreft. Met haar opmerking over de historische achtergrond van richtsnoer 9 wilde zij aangeven dat de geschiedenis van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de EU veel langer is dan die van de «mainstreaming» en dat dit laatste ook de andere richtsnoeren betreft. Het uitgangspunt is in Europa de aandacht te vestigen op dit terrein en als dat nodig is, terzake te interveniëren.
Samenstelling: Leden: Weisglas (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Voorhoeve (VVD), Voûte-Droste (VVD), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Verhagen (CDA), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), ondervoorzitter, De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Patijn (VVD), voorzitter, Van den Akker (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Bos (PvdA), Weekers (VVD), Albayrak (PvdA), Eurlings (CDA) en Van Dok-van Weele (PvdA).
Plv. leden: Blaauw (VVD), Dittrich (D66), Van den Berg (SGP), Örgü (VVD), Klein Molekamp (VVD), Remak (VVD), Ter Veer (D66), Van Bommel (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), De Graaf (D66), Valk (PvdA), Van der Knaap (CDA), Verbugt (VVD), Balkenende (CDA), Mosterd (CDA), M. B. Vos (GroenLinks), Feenstra (PvdA), Zijlstra (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Crone (PvdA), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA) en Gortzak (PvdA).
Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Harrewijn (GroenLinks), Balkenende (CDA), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Örgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA) en Wilders (VVD).
Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Hamer (PvdA), Van Gent (GroenLinks), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Hofstra (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Klein Molekamp (VVD), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Vendrik (GroenLinks), Mosterd (CDA), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA), Wagenaar (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA) en De Vries (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-93.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.