21 501-18
Sociale Raad

nr. 91
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 25 november 1998

Bijgaand doe ik u toekomen het verslag van de Sociale Raad die op 20 november jl. in Brussel heeft plaatsgevonden.

Naar aanleiding van het Algemeen Overleg op 19 november jl. doe ik u verder toekomen een overzicht van de landen die regelgeving hebben over medezeggenschap en invloed van werknemers op een toezichthoudend orgaan of bestuur (richtlijn Europese Vennootschap)1. Het overzicht is afkomstig uit het Eindverslag van de «Groep Davignon».

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

K. G. de Vries

Verslag van de Sociale Raad van 20 november 1998

Deze Sociale Raad stond geheel in het teken van de Europese Werkgelegenheidsstrategie en de voorbereiding van de Europese Top van Wenen. Deze Sociale Raad was niet besluitvormend van karakter, maar de uitkomsten van de discussie zullen door het voorzitterschap verwerkt worden in een document waarin voorstellen voor wijziging van de Commissievoorstellen geformuleerd zullen worden. Dit document zal aan de gecombineerde Ecofin/Sociale Raad voorgelegd worden, die 1 december a.s. bijeenkomt.

De discussie tijdens de Sociale Raad concentreerde zich op twee documenten:

– het Ontwerp gezamenlijk Verslag over de werkgelegenheid in 1998 en

– het Commissievoorstel voor de Werkgelegenheidsrichtsnoeren 1999.

Er is met name uitgebreid gesproken over de werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 1999. Daarbij werd veelal verwezen naar het advies van het Werkgelegenheids- en Arbeidsmarkt Comite (ELC).

Er bestond algemene overeenstemming over het verwerken van het onderwerp mainstreaming van gelijke kansen voor mannen en vrouwen in de eerste drie pijlers (inzetbaarheid, ondernemerschap en aanpassingsvermogen). Verder was men het erover eens dat in een aantal concrete richtsnoeren aandacht zal worden geschonken aan zwart werk.

De overige onderdelen van de horizontale onderwerpen zal de Commissie uiteindelijk verwerken in de overwegingen van de op te stellen resolutie (ná de Europese Top) ter vaststelling van de richtsnoeren 1999.

Overeenkomstig het kabinetsstandpunt, hield Nederland bij de richtsnoeren 1 en 2 een pleidooi om het beleid rond de al bestaande langdurig werklozen vast te leggen in een aparte richtsnoer. Hoewel enkele Lid-Staten dit steunden, bleek er geen algemene overeenstemming bereikt te kunnen worden. Een aantal Lid-Staten vreesde dat dit teveel geld zou kosten en gaf er de voorkeur aan het beleid te concentreren op de preventie van instroom.

Vrijwel alle Lid-Staten hadden bezwaar tegen de door de Commissie gegeven formulering van het nieuwe richtsnoer 4, waarin opgeroepen wordt te bezien of het belasting- en uitkeringssysteem hervormd moet worden. Het voorstel van het ELC om de tekst te herformuleren aan de hand van de Conclusies van de Europese Raad van Cardiff kreeg algemene instemming. De Lid-Staten achtten het weliswaar wenselijk om het belasting- en uitkeringsstelsel te evalueren op de effecten op de werkloosheid en inactiviteit, maar van de wenselijkheid en noodzaak van hervormingen kan niet per definitie uitgegaan worden. Voorts verzocht een aantal Lid-Staten om een duidelijker formulering van het tweede deel dat betrekking heeft op oudere werknemers.

De meeste Lid-Staten gaven aan zich bij richtsnoer 6 inzake levenslang leren te kunnen verenigen met het voorstel van het ELC om het kwantitatieve aspect van de doelstellingen in dit richtsnoer aan de Lid-Staten zelf over te laten. Lid-Staten dienen zichzelf doelen te stellen, maar deze zijn vanwege de grote verschillen tussen de Lid-Staten niet altijd op Europees niveau kwantitatief vergelijkbaar.

Bij richtsnoer 14 verzocht Nederland nadrukkelijk om het heropnemen van het richtsnoer over experimentele BTW verlaging op arbeidsintensieve diensten. Een viertal Lid-Staten steunde deze lijn, maar de Commissie en andere Lid-staten hebben hier bezwaar tegen, of hebben er geen behoefte aan.

De bespreking van het Gezamenlijk Verslag over de werkgelegenheid beperkte zich met name tot bezwaren van een aantal Lid-Staten tegen de beoordeling die zij in dit verslag kregen. Deze landen betoogden dat de werkloosheidssituatie snel verbetert. Ook werden er bezwaren geuit tegen de tijdvak-indeling, waarin de beoordelingsperiode is verdeeld. Een andere indeling zou de ontwikkeling in die landen in een gunstiger daglicht stellen.

Een aantal Lid-Staten vroeg aandacht voor objectieve criteria voor het vaststellen en selectie van zogenaamde «goede praktijken». Tenslotte vroeg een aantal Lid-Staten om een toelichting bij de grafieken (de zogenaamde «diamanten») rond de samengestelde werkgelegenheidsindicator.

Gehoord de discussie heeft het Voorzitterschap aangekondigd dat het ten behoeve van de gecombineerde Ecofin/Sociale Raad van 1 december een document zal opstellen, waarin een aantal wijzigingen op de door de Commissie geformuleerde voorstellen zullen worden gepresenteerd.


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven