21 501-18
Sociale Raad

nr. 90
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 19 november 1998

Bijgaand doe ik u, mede namens de Minister van Financiën, de geannoteerde agenda toekomen voor de Sociale Raad op 1 en 2 december a.s. in Brussel. Dit ten behoeve van het Algemeen Overleg op 26 november a.s.

Deze vergadering is op 1 december voor een gedeelte gecombineerd met de Ecofin Raad. Deze gecombineerde Raad zal de verdere voorbereiding van de Europese Raad te Wenen inzake het Europees werkgelegenheidsbeleid ter hand nemen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

K. G. de Vries

Geannoteerde agenda van de Sociale Raad van 1 en 2 december 1998 te Brussel

De volgende onderwerpen zullen op deze raad aan de orde komen:

1. Werkgelegenheid/Voorbereiding van de Europese Raad van Wenen/Nationale Actieplannen

Voortbouwend op de Sociale Raad van 20 november en de Ecofin Raad van 23 november zullen de Sociale Raad en de Ecofin Raad (deels in een gecombineerde Raad) op 1 december a.s. het debat over de werkgelegenheid voortzetten.

Het gaat hierbij met name om de volgende onderwerpen:

a. Ontwerp gezamenlijk Verslag over de werkgelegenheid 1998;

b. Voorstel voor richtsnoeren voor het werkgelegenheid van de Lidstaten in 1999;

c. Verslag over de werkgelegenheidspercentages in 1998. Prestaties van de Lidstaten op het gebied van de werkgelegenheid.

De Nederlandse inzet is gebaseerd op het kabinetsstandpunt dat hierover op 13 november aan de Kamer is gezonden.

2. Ontwerp-richtlijn over de rol van de werknemers in de Europese vennootschap (follow-up van het rapport Davignon)

Het Oostenrijkse voorzitterschap verwacht op deze Sociale Raad politieke overeenstemming te bereiken over het voorstel voor een richtlijn over de rol van werknemers in de Europese vennootschap.

Het uitgangspunt van de richtlijn is dat de rol van de werknemers bij een Europese Vennootschap het beste kan worden overgelaten aan vrije onderhandelingen tussen het management en een delegatie van de werknemers (de zogenaamde Bijzondere OnderhandelingsGroep: BOG).

Ter compensatie van de machtsongelijkheid tussen de twee delegaties (management/BOG) is er een vangnet dat gaat gelden indien de onderhandelingen niet binnen een bepaalde tijd tot een akkoord leiden en het management toch de oprichting van een SE wil doorzetten.

Dat vangnet bevat ook bepalingen over de invloed van werknemers op de samenstelling van het bestuurs- of toezichthoudend orgaan. Deze bepalingen gelden evenwel alleen in de situatie waarin al vóór de oprichting van de Europese vennootschap bij ten minste één van de daarin deelnemende vennootschappen sprake was van zo'n werknemersinvloed op de samenstelling van het bestuur of het toezichthoudend orgaan.

Voor meer informatie over het totale dossier verwijs ik naar mijn brief van 16 november jl.

Het uiteindelijk op de Sociale Raad voorliggende document van het voorzitterschap is thans evenwel nog niet bekend.

In het Coreper (Corps Représentant Permanent; de vergadering van de Permanente Vertegenwoordigers van de lidstaten bij de EU) wordt thans nog een aantal technische kwesties besproken.

Dit betreft onder meer de wijze waarop bestaande informatie- en raadplegingsstructuren bij oprichting van een Europese Vennootschap kunnen blijven gewaarborgd.

Verder betreft het de te hanteren besluitvormingsprocedures in de BOG om in te kunnen stemmen met vermindering van medezeggenschapsrechten en de besluitvormingsprocedures bij afwezigheid van een overeenstemming tussen het management en de BOG.

Het uiteindelijke voorstel zal getoetst worden aan het Nederlandse uitgangspunt dat de BOG voldoende representatief is en dat de uitgangspositie daarvan voor de onderhandelingen met het management in alle gevallen voldoende stevig is.

Onder het voorbehoud van de nadere technische besprekingen de komende dagen in het Coreper, lijken de voorstellen van het Oostenrijkse voorzitterschap van dien aard, dat de positie van werknemers nu met zodanige waarborgen en voorwaarden is omkleed, dat in belangrijke mate aan de Nederlandse wensen wordt tegemoet gekomen en dat de voorstellen derhalve ook voor Nederland een aanvaardbaar compromis inhouden.

3. Gewijzigd voorstel voor een richtlijn inzake carcinogene agentia op het werk (wettelijke basis: art. 118 A EEG verdrag)

Door het voorzitterschap wordt voorgesteld op deze Sociale Raad te komen tot een politiek akkoord over een gewijzigd voorstel voor een richtlijn van de Raad tot tweede wijziging van de Richtlijn 90/394/EEG over de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan (kankerverwekkende) stoffen op het werk.

Het voorstel voor de tweede wijziging van de richtlijn stoffen 90/394/EEG bevat de volgende elementen:

– Een aanvulling van de bestaande richtlijn 90/394/EEG voor de bescherming van werknemers tegen de risico's van carcinogene stoffen, die waarschijnlijk kankerverwekkende effecten hebben;

– Verduidelijking van de bestaande richtlijn 90/394/EEG met betrekking tot hardhout stoffen;

– Het opnemen in de richtlijn van de grenswaarden van vinylchloridemonomeer (VCM) en asbest, zoals in de richtlijn 78/610/EEG is vastgelegd.

Nederland kan met het voorliggende voorstel akkoord gaan als een compromis om tot besluitvorming te komen. Daarnaast zal Nederland als onderdeel van het compromis een verklaring afleggen die er toe strekt dat de grenswaarde voor houtstof in de toekomst op Europees niveau naar een lager niveau (meer bescherming) zal moeten worden gebracht.

Onze nationale wetgeving bevat reeds de voorgestelde bepalingen op dit gebied. Op onderdelen gaat de bestaande Nederlandse wetgeving verder en biedt ze een hogere bescherming voor de werknemers. Door de gebruikte rechtbasis van het voorstel (art. 118 A Europees Verdrag, minimum voorschriften) vormt dit echter geen belemmering voor Nederland om toch akkoord te gaan met het voorliggende voorstel.

4. Gewijzigd voorstel voor een richtlijn inzake het werken in explosieve omgeving (wettelijke basis: art. 118 A EEG Verdrag)

Door het voorzitterschap wordt voorgesteld op deze Sociale Raad te komen tot een politiek akkoord over het gewijzigd voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende minimum voorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en de veiligheid van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen.

De inhoud van het voorstel is kort samengevat het volgende:

– vaststelling van specifieke voorschriften ter verbetering van de gezondheidsbescherming en de veiligheid van de werknemers die door explosieve omgevingen gevaar kunnen lopen;

– oprichting van een passend kader voor de explosieveiligheid voor de industrie in het algemeen;

– vaststelling – zoals in artikel 118 A van het Verdrag wordt bepaald – van de minimumvoorschriften voor de gezondheidsbescherming en de veiligheid van de werknemers die door explosieve omgevingen gevaar kunnen lopen.

Nederland kan met het voorliggende voorstel akkoord gaan. De Nederlandse wetgeving is reeds in overeenstemming met hetgeen op Europees niveau afgesproken wordt.

5. Uitbreiding Verordening 1408/71 met studenten (wettelijke basis: artikelen 6, 51 en 235 EEG Verdrag)

Door het voorzitterschap wordt voorgesteld op deze Sociale Raad te komen tot een politiek akkoord over een voorstel voor een besluit van de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 voor studenten. Deze verordening betreft de toepassing van sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de gemeenschap verplaatsen. Tevens gaat het in dit verband om een wijziging van Verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) 1408/71 met het oog op de uitbreiding ervan tot studenten.

Verordening 1408/71/EEG regelt de coördinatie van sociale zekerheidsrechten van migrerende werknemers en zelfstandigen. Sinds enkele jaren wordt gesproken over uitbreiding van de werkingssfeer van de Verordening naar ambtenaren, studenten en andere verzekerde personen. Met name onder het Nederlandse voorzitterschap in 1997 is hieraan aandacht besteed. Vanwege diverse technische problemen is besloten tot opsplitsing van het voorstel. In juni 1998 heeft de Raad het voorstel tot uitbreiding van de werkingssfeer naar ambtenaren aanvaard. Vervolgens bleken er in september nog steeds fundamentele technische vragen open te staan ten aanzien van de uitbreiding naar overige personen. Derhalve is in september besloten om het voorstel opnieuw te splitsen en het gedeelte dat betrekking heeft op overige personen terug te verwijzen naar de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid. De Commissie heeft vervolgens een apart voorstel ingediend met betrekking tot de uitbreiding van de werkingssfeer van verordening 1408/71/EEG tot studenten.

Het voorliggende voorstel bevat onder meer bepalingen op grond waarvan een student, afkomstig uit de ene Lidstaat en studerend in een andere Lidstaat, in dat laatste land alléén verzekerd is voor het onderdeel van de sociale zekerheid waarvoor hij niet meer verzekerd is in het land van herkomst. Hiermee wordt voorkomen dat de student in twee landen tegelijk verzekerd is.

Nederland kan het Commissievoorstel in algemene zin ondersteunen en heeft geen specifieke problemen. Wat Nederland betreft zou kunnen worden volstaan te regelen dat studenten geen dubbele premie betalen en dat zij verzekerd zijn voor ziektekosten en arbeidsongevallen. Het huidige Commissievoorstel voldoet hieraan.

6. Europass

Door het voorzitterschap wordt voorgesteld op deze Sociale Raad te komen tot een politiek akkoord over het gewijzigd voorstel voor een beschikking van de Raad inzake de bevordering van Europese opleidingstrajecten in alternerende opleidingen, waaronder begrepen het leerlingwezen.

Het voorstel beoogt de mobiliteit in het leerlingwezen binnen de Europese Unie te bevorderen. De ontwerpbeschikking omvat een voorstel om op Europees niveau tot een zogenaamde Europass te komen. In het kader van het leerlingwezen of hoger onderwijs wordt de mogelijkheid geboden dat leerlingen/studenten gedurende hun opleiding een periode in een andere lidstaat doorbrengen.

In de Sociale Raad van 4 juni jl. is hierover reeds een Gemeenschappelijk standpunt bereikt. Dit standpunt is toen voor advies aan het Europees Parlement aangeboden.

De Raad bespreekt nu een gewijzigd voorstel op basis van EP-amendementen.

Nederland kan met het gewijzigd voorstel instemmen.

7. Actieprogramma Veiligheid, Hygiëne en Gezondheidsbescherming

Naar aanleiding van het tussentijds verslag van de Europese Commissie over het actieprogramma van de Gemeenschap op het gebied van Veiligheid, Hygiëne en Gezondheidsbescherming op het werk (1996–2000) zal een debat worden gevoerd.

Het tussentijds verslag geeft een beeld van hetgeen op dit gebied in de periode 1996–1998 tot stand is gebracht, zoals bijvoorbeeld:

– Het opzetten van het Europees Agentschap in Bilbao voor veiligheid en gezondheid op het werk;

– De implementatie in de Lid-Staten van de Europese regelgeving op het gebied van veiligheid en gezondheid van werknemers.

Verder worden de plannen en prioriteiten aangekondigd voor de periode 1998–2000.

Deze nieuwe prioriteiten zijn:

– De Europese wetgeving effectiever maken (handhaving);

– De uitbreiding van de EU voorbereiden. Het gaat hierbij met name om de overname van het acquis op het gebeid van arbeidsomstandigheden;

– Maatregelen om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verbeteren ten behoeve van de vergroting van arbeidsparticipatie.

Het standpunt van Nederland is dat de gekozen prioriteiten goed aansluiten op de visie van Nederland op de Arbo-beleidsvorming in Europa.

Het effectiever maken van (Europese) wetgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden is een wens die al enige tijd leeft in Nederland. Met name het ook door de Europese Commissie onderkende belang van een correcte tenuitvoerlegging is een zaak die Nederland krachtig wil ondersteunen.

Verder is Nederland een voorstander om het arbeidsomstandighedenbeleid nauwer te verbinden met arbeidsintegratie van gehandicapten en verhoging van de inzetbaarheid (employability).

8. Follow-up Beijing Conferentie

Door het voorzitterschap zal verslag worden gedaan over de follow-up van de wereldvrouwenconferentie van Beijing.

Nadat in 1997 gerapporteerd is over mainstreaming, positieve actie en geweld jegens vrouwen, heeft het Oostenrijkse voorzitterschap voorgesteld om dit jaar geen rapportage op te stellen.

Dit gezien het feit dat in de jaarlijkse rapporten van de Europese Commissie over Gelijke Kansen een speciaal hoofdstuk is opgenomen over de follow-up van Beijing. Daarbij komt nog dat eind november in Madrid een speciale conferentie wordt gehouden over de follow-up van Beijing.

Het Oostenrijks voorzitterschap stelt voor om de EU follow-up meer te stroomlijnen.

Hiertoe stelt het Voorzitterschap voor om data te verzamelen, indicatoren te ontwikkelen en beleidsontwikkeling te benchmarken en te monitoren.

Dit sluit goed aan bij het Nederlandse beleid ter vergroting van het aandeel van vrouwen in onder meer politiek en openbaar bestuur.

9. Leonardo

Door het voorzitterschap zal mondeling verslag worden gedaan over de stand van zaken over het voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van de tweede fase van het communautaire actieprogramma inzake beroepsopleiding «Leonardo da Vinci».

De besluitvorming over dit programma vindt plaats in de Onderwijsraad.

De doelstellingen van het Commissievoorstel ter voortzetting van het huidige Leonardo-programma zijn:

– het verbeteren van de sociale en arbeidsmarktintegratie van jonge mensen;

– het vergroten en ontwikkelen van (beroeps)vaardigheden;

– het aanmoedigen van processen om mensen weer in het arbeidsproces op te nemen.

Nederland kan instemmen met de inhoudelijke voorstellen van dit programma, maar is wel van oordeel dat de budgettaire kaders moeten passen binnen het Nederlands uitgangspunt van reële nulgroei.

10. Diversen

a. Informatie en raadpleging op nationaal niveau

Door de Commissie zal informatie worden gegeven over het resultaat van de consultatie van de sociale partners (Sociaal Protocol) inzake de richtlijn over informatie en raadpleging van werknemers. Onlangs bleek dat sociale partners op Europees niveau niet bereid bleken hierover onderhandelingen te starten. Naar aanleiding daarvan heeft de Commissie begin november een ontwerp-richtlijn vastgesteld met betrekking tot informatie en raadpleging van werknemers op nationaal niveau.

Het gaat om een richtlijn met minimumvoorwaarden voor de nationale medezeggenschapsregelgeving van de Lidstaten.

b. Arbeidstijden uitgesloten sectoren

Door de Commissie zal informatie worden gegeven over de stand van zaken van de consultatie van de sociale partners (Sociaal Protocol) inzake het Witboek van de Commissie over de van de richtlijn arbeidstijden uitgesloten sectoren en activiteiten. Deze uitgesloten sectoren en activiteiten zijn weg-, lucht-, zee- en spoorwegvervoer, de binnenvaart, de zeevisserij, andere activiteiten op zee, alsmede de activiteiten van artsen in opleiding. Voor een aantal sectoren is reeds een akkoord gesloten door de sociale partners (zeevervoer en spoorwegvervoer).

Naar boven