21 501-18
Sociale Raad

nr. 88
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 6 november 1998

De vaste commissies voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 en voor Europese Zaken2 hebben op 15 oktober 1998 overleg gevoerd met minister K. G. de Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de agenda van de Sociale Raad van 27 oktober 1998.

Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Bussemaker (PvdA) vroeg de minister bij de Europese Commissie (EC) erop aan te dringen dat de stukken voor de Sociale Raad voortaan eerder verschijnen.

Zij sprak steun uit voor de Nederlandse inzet voor de werkgelegenheidsrichtsnoeren, maar vroeg wel om nadere uitwerking ervan.

Mevrouw Bussemaker constateerde dat lidstaten, ook Nederland, zich bij de naleving van de richtsnoeren maar weinig op de vraagzijde richten. De eenzijdige nadruk op employability wordt niet gerechtvaardigd door de feitelijke oorzaak van de werkloosheid: meer dan de helft van de 18 miljoen Europese werklozen is redelijk opgeleid en behoeft niet zozeer scholing als wel een baan. Hoe worden de successen die Nederland hiermee heeft behaald, vertaald in de Europese richtsnoeren voor de volgende werkgelegenheidsplannen?

Vervolgens sprak mevrouw Bussemaker haar teleurstelling erover uit dat het gelijkekansenperspectief, de vierde pijler, vooral gelijke kansen tussen mannen en vrouwen betreft, terwijl andere achtergestelde groepen zoals gehandicapten onder de eerste pijler vallen en allochtonen zelfs helemaal niet worden genoemd. Kunnen er voor de gelijke kansen voor deze groepen binnen de bestaande pijlers actiepunten ontwikkeld worden? Zij sprak zich uit voor mainstreaming en vroeg de minister, deze aandacht voor het gelijkekansenperspectief binnen alle pijlers tot uitdrukking te laten komen in de Nederlandse verslaglegging.

Mevrouw Bussemaker vroeg de minister ook om een notitie over de Nederlandse inzet bij de verdieping van de Europese richtsnoeren, in het bijzonder voor de gelijke kansen. Deze zou er voor 13 november moeten zijn om nog voor de volgende Sociale Raad te kunnen worden besproken in een apart overleg, waarbij de evaluatie van de Europese Commissie moet worden betrokken.

Sinds 1995 zijn er in Nederland resultaten geboekt met verkleining van de wig om arbeid goedkoper te maken. Mevrouw Bussemaker vroeg de minister hoe het hiermee staat in de andere lidstaten.

Mevrouw Bussemaker stemde in met de Nederlandse ondersteuning van de hervorming van het permanente comité voor arbeidsvraagstukken (PCA). Wat wordt er bedoeld met de zinsnede in de geannoteerde agenda dat het wel duidelijk moet zijn wie de Sociale Raad zal vertegenwoordigen? Zij noemde het van groot belang dat de EC actief deelneemt aan het overleg en vroeg de minister, bij de EC te bepleiten dat het overleg wordt uitgebreid naar de Ecofin-raad, waarmee de Sociale Raad een belangrijke relatie heeft.

In de thema's van het sociaal actieprogramma (SAP) miste mevrouw Bussemaker naast de aandacht voor werk de aandacht voor flexibilisering van de arbeidsmarkt en stress, en voor sociale zekerheid.

In artikel 13 van het Verdrag van Amsterdam wordt onder andere discriminatie op grond van seksuele geaardheid verboden, maar in het SAP krijgt alleen deze vorm van discriminatie geen aandacht. Mevrouw Bussemaker vroeg de minister zich ervoor in te zetten dat dit onderwerp alsnog daarin wordt opgenomen.

Mevrouw Verburg (CDA) kondigde aan dat haar fractie bij de komende regeling van werkzaamheden van de vaste commissie een voorstel zal doen voor een afzonderlijk overleg met de minister over het nationaal actieplan inzake de werkgelegenheid (NAP). Het heeft wel in Europa op de agenda gestaan, maar is in de commissie nooit inhoudelijk besproken, terwijl werkgelegenheid een eerste verantwoordelijkheid van de lidstaten zelf is.

In navolging van een onofficiële versie van de rapportage van de Europese Commissie over de NAP's bepleitte mevrouw Verburg meer overleg tussen de Nederlandse regering en de sociale partners. Het NAP heeft weliswaar een keer op de agenda van de Stichting van de arbeid gestaan, maar zou eigenlijk in samenwerking met de sociale partners ontwikkeld moeten worden.

Verder constateerde zij dat de EC zich afvraagt of Nederland zal slagen in een sluitende aanpak. Het NAP is hierin onvoldoende duidelijk en bij de best practices wordt Nederland helemaal niet genoemd door de EC.

Mevrouw Verburg noemde de Sociale Raad van 27 oktober een tussenstand, gezien de volgende vergaderingen van 20 november en van 1 december en 2 december samen met de Ecofin-raad. Zij vroeg aandacht voor het NAP en initiatieven voor werkgelegenheid, en voor sociale zekerheid, armoedebeleid en de fiscale aspecten ervan in het licht van de fiscale convergentie in Europa. Ook wees zij erop dat de begroting en de sociale nota in de tweede week van december worden behandeld, terwijl de richtsnoeren op 1 en 2 december worden voorbereid, maar pas na de begrotingsbehandeling worden vastgesteld. Hoe verhouden deze zaken zich tot elkaar?

In aansluiting op opmerkingen van mevrouw Bussemaker bepleitte mevrouw Verburg extra aandacht voor de mainstreaming van gelijke behandeling. Zij vroeg de minister naar de mainstreaming in de Nederlandse regering, nu er weer een aparte staatssecretaris voor arbeid, zorg en emancipatie is.

Mevrouw Verburg stemde in met het voorstel tot wijziging van het PCA, maar vroeg om een goede representativiteit van de sociale partners daarin, zowel de centrale organisaties als de brancheorganisaties, en om ruimhartigheid in het aantal deelnemers aan het comité.

Zij vroeg vervolgens naar de inzet van de minister in het debat over de Europese vennootschap, dat lijkt te zijn vastgelopen. Ook zag zij graag dat de onderwerpen deeltijdarbeid en zorg aan het SAP worden toegevoegd.

Ten slotte vroeg mevrouw Verburg de minister, in de tweede fase meer gebruik te maken van het programma Leonardo da Vinci, vooral voor reïntegratie en employability, in het bijzonder van oudere werknemers.

Mevrouw Örgü (VVD) sprak zich uit tegen uitbreiding van het aantal richtsnoeren en vroeg om een verduidelijking van de voorgestelde herverdeling van arbeid en zorg in verband met de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Ook vroeg zij naar de inhoud van de referentievoorschriften voor de rol van werknemers in de Europese vennootschap en naar de termijn waarop deze van kracht worden. Ten slotte vroeg zij naar de implementatie van de Europese wetgeving en de handhaving op het gebied van veiligheid, hygiëne, gezondheid en bescherming op het werk.

De heer Harrewijn (GroenLinks) sloot zich aan bij de woorden van mevrouw Bussemaker over de beschikbaarheid van de stukken. Naar verwachting verschijnen de stukken van de EC op 15 oktober; dit is te kort voor de Sociale Raad van 27 oktober om ze goed te kunnen bespreken.

In krantenberichten las de heer Harrewijn dat Nederland het volgens de EC nu beter doet dan onder het vorige kabinet. Het NAP is minder vaag en zaken zijn concreter ingevuld met bedragen. De Europese Commissie vraagt zich wel af of Nederland de doelstelling om 20% van de werklozen een nieuwe kans te geven via stages en werkervaringsplaatsen haalt. Wat is de reactie van de minister hierop?

De heer Harrewijn verklaarde het NAP bij de begrotingsbehandeling te zullen bespreken, op de richtsnoeren over de BTW na, waarin te veel aan nationale overheden wordt overgelaten. Hij vroeg om extra aandacht hiervoor in de discussie over de verdieping van de richtsnoeren en bepleitte een laag BTW-tarief voor arbeidsintensieve diensten als goede mogelijkheid om werkgelegenheid te creëren, en een nultarief voor hergebruikgoederen.

De heer Harrewijn steunde het pleidooi van mevrouw Verburg voor ruimhartigheid bij de nieuwe samenstelling van het PCA. Hij achtte de deskundigheid van vrouwenorganisaties, gehandicaptenorganisaties en minderhedenorganisaties naast die van de traditionele sociale partners van groot belang voor een modern werkgelegenheidsbeleid.

Ten slotte vroeg de heer Harrewijn waarom het mislukken van de onderhandelingen tussen Europese werkgevers en werknemers in het wegtransport over een maximaal 48-urige werkweek niet op de agenda van de Sociale Raad staat. Komt de EC met een eigen ontwerprichtlijn of gaat zij het overleg weer op gang brengen?

Mevrouw Schimmel (D66) vroeg wat punt 2 van de definitieve agenda van de Sociale Raad, «eventueel A-punten», inhoudt.

Ervan uitgaande dat de minister inmiddels het gezamenlijk verslag inzake werkgelegenheid had ontvangen, wilde zij vernemen of dit ook de evaluatie van de actieplannen is. Wordt aan de hand van dit verslag vastgesteld wat de succesvolste aanpak van de werkloosheid is?

Omdat dit stuk op 5 oktober op het ministerie zou binnenkomen, vond mevrouw Schimmel het logisch dat de vaste commissie het nog niet heeft ontvangen. Dit vereenvoudigt echter niet de mogelijkheden van de Tweede Kamer om op Europees niveau mee te praten. Wil de minister overigens het rapport van de EC zo snel mogelijk naar de Kamer sturen? Ook de sociale dialoog die op Europees niveau steeds belangrijker wordt, beperkt de invloed van de nationale parlementen en overigens ook van het Europees Parlement. Zo worden in de richtlijn deeltijdarbeid, die in het kader van de sociale dialoog tot stand is gekomen, de uitzonderingen ruimer geformuleerd dan in de Nederlandse wetgeving. Een nationaal parlement heeft echter geen invloed meer op de uitkomsten van de sociale dialoog.

Mevrouw Schimmel betuigde haar instemming met de inzet van de Nederlandse regering bij de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Ook zij sprak zich ervoor uit om het in gang gezette proces te laten voortgaan. Zij vroeg de minister te bevestigen dat Nederland de conclusies van de informele Sociale Raad in Innsbruck zal inbrengen op de komende Sociale Raad.

Blijkens het verslag van de gecombineerde Sociale Raad en Onderwijsraad van 3 en 4 juni heeft Nederland het punt van flexibiliteit en zekerheid ingebracht. Zal Nederland dit ook naar voren brengen in verband met de werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 1999?

Mevrouw Schimmel sprak haar zorgen uit over de passage over de rol van werknemers in de Europese vennootschap. Wat is de juridische status van de referentievoorschriften? Vormen deze voorschriften minimale regelgeving met rechten omtrent informatie, consultatie en participatie, en kunnen werknemers een beroep hierop doen? Verder zag zij een tegenstrijdigheid in de tekst. Enerzijds wordt ervan uitgegaan dat participatiebepalingen worden gehandhaafd en anderzijds wordt er gesproken van waarborgen tegen verlies van participatierechten.

Ten slotte wees mevrouw Schimmel erop dat volgens de Arbo-wetgeving die bij de Tweede Kamer in behandeling is, de regering op Europees niveau zal aandringen op vereenvoudiging en modernisering van weten regelgeving. Op welke manier werkt de regering hieraan?

Het antwoord van de minister

De minister erkende dat de stukken voor de Sociale Raad laat verschijnen. De Kamer krijgt de stukken echter zodra deze op het ministerie zijn aangekomen. Dit geldt ook voor het rapport van de EC over de NAP's, dat hij pas hedenmorgen had ontvangen.

De minister noemde dit rapport een belangrijke innovatie, waardoor het beleid bespreekbaar wordt en lidstaten van elkaar kunnen leren. Hij had enige tijd geleden in een gesprek met Europees commissaris Flynn te horen gekregen dat deze zeer tevreden is over de Nederlandse aanpak en ook in de krant gelezen dat het tweede paarse kabinet het beter doet dan het eerste.

De minister sprak zich uit tegen uitbreiding van de bestaande richtsnoeren. Voortdurende aanpassingen leiden tot bureaucratie. Eerst moeten de huidige richtsnoeren nog tot resultaat leiden en in de continuïteit hiervan kan er aanleiding zijn om het beleid bij te stellen. Zo zal de EC binnen de bestaande richtsnoeren meer nadruk leggen op de verbetering van de gelijke kansen.

De minister beaamde dat gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor allochtonen en gehandicapten even belangrijk zijn als voor mannen en vrouwen, en zegde toe te zullen nagaan of hiervoor aandacht kan worden verkregen in de Sociale Raad. Dit punt komt ook aan de orde in de sluitende aanpak van Nederland.

Volgens de minister zou uit het NAP en de implementatienotitie moeten blijken wat de regering op dit punt doet. In het overleg over de NAP's en de reactie van de EC erop zou hierover verder gesproken kunnen worden.

De minister verklaarde dat enkele agendapunten voor de Sociale Raad van 27 oktober pas inhoudelijk aan de orde komen in de Sociale Raad van 20 november. Hij sprak de hoop uit dat ter voorbereiding daarvan tijdig overleg met de commissie mogelijk is.

Voor een antwoord op de vraag naar de wig in andere lidstaten, verwees hij naar de rapportages.

De minister lichtte toe dat het PCA nauwelijks resultaten bereikt door de grote omvang ervan en een gebrek aan politieke leiding. Opheffing van het comité achtte hij niet aan de orde voordat er via herstructurering was gestreefd naar een kleiner, breder samengesteld en productiever PCA. Vergroting van de politieke bemoeienis van de Sociale Raad kan de betekenis van het PCA ten goede komen. Tot nu toe vertegenwoordigt alleen de voorzitter de Sociale Raad in het PCA, maar voor de toekomst zijn er verschillende opties voor uitbreiding: de trojka, de ministers-presidenten of de ministers van sociale zaken. Verder zal het PCA bestaan uit representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties. De EC zal knopen moeten doorhakken voor een zodanige samenstelling dat het PCA werkt, en zal hierbij niet iedereen tevreden kunnen stellen.

De vraag over de discriminatie naar seksuele geaardheid verwees de minister naar het overleg met de minister-president, omdat dit onderwerp niet alleen de Sociale Raad, maar alle dossiers betreft.

De minister wees erop dat het NAP de komende periode van vijf jaar betreft en dat hij dus niets kon zeggen over het succes van de sluitende aanpak. Met het oog op een inverdieneffect zijn er bruto extra bedragen uitgetrokken, waarmee grotere programma's mogelijk zijn. Over de uitwerking hiervan wordt nog met de sociale partners overleg gevoerd, dat voor de begrotingsbehandeling zal worden afgerond.

De minister kon niet bevestigen dat Nederland niet wordt genoemd bij de best practices. Wel had hij in de pers positieve opmerkingen van de EC over Nederland gelezen, en daarnaast de welbekende kritiek op de lage participatie door ouderen en vrouwen.

Vragen over de inhoud van de nieuwe richtsnoeren kon de minister niet beantwoorden, want hij kende de desbetreffende voorstellen nog niet. Mogelijk komen deze aan de orde in het overleg voor de Sociale Raad van 20 november.

Wanneer er punten in verband met gelijke behandeling geagendeerd staan voor de Sociale Raad, zal staatssecretaris Verstand daarbij aanwezig zijn. Anders zal de minister haar vertegenwoordigen.

Voor het weer op gang brengen van de discussie over de Europese vennootschap heeft het Oostenrijkse voorzitterschap creatieve, maar heel ingewikkelde voorstellen gedaan, waarover de minister zich nog geen oordeel had kunnen vormen. Hij zegde toe de vragen hierover schriftelijk te zullen beantwoorden. Wel kon hij al zeggen dat de termijn waarop aan de referentie-eisen moet worden voldaan, zes maanden is.

De minister beaamde dat Leonardo da Vinci een goed programma is, maar wees erop dat het erg duur dreigt te worden, terwijl men op Europees niveau de kosten probeert te beperken.

Het onderwerp BTW-tarieven betreft een fiscaal dossier en komt dan ook niet op de Sociale Raad aan de orde. De minister erkende wel erbij betrokken te zijn doordat het ook met arbeid te maken heeft. Hij had dan ook onlangs een brief met suggesties aan staatssecretaris Vermeend geschreven, die op dit punt verantwoordelijk is. Ook dit onderwerp komt inhoudelijk terug op de Sociale Raad van 20 november en kan dus in de voorbespreking daarvan aan de orde komen.

Flexibiliteit en zekerheid hebben aandacht gekregen in de richtsnoeren. Aan de hand van de evaluatie kan worden besproken of deze voldoende is.

Het verzoek van mevrouw Verburg om deeltijdarbeid in het SAP op te nemen, zou de minister meenemen.

De minister zegde toe de vraag van mevrouw Schimmel naar de inzet van de Nederlandse regering op het gebied van de vereenvoudiging van de Arbo-wetgeving schriftelijk te zullen beantwoorden.

Het mislukken van het overleg over de 48-urige werkweek in het wegvervoer komt in de Transportraad aan de orde. De minister zegde toe over dit onderwerp contact te zullen opnemen met de minister van Verkeer en Waterstaat.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Terpstra

De voorzitter van de algemene commissie voor Europese Zaken,

Patijn

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Van Dijk


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Harrewijn (GroenLinks), Balkenende (CDA), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Örgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA), Wilders (VVD). Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Hamer (PvdA), Van Gent (GroenLinks), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Hofstra (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Klein Molekamp (VVD), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Vendrik (GroenLinks), Van den Akker (CDA), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA), Wagenaar (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA), De Vries (VVD).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Weisglas (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Voorhoeve (VVD), Voûte-Droste (VVD), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Verhagen (CDA), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), ondervoorzitter, De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Patijn (VVD), voorzitter, Van den Akker (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Bos (PvdA), Weekers (VVD), Albayrak (PvdA), Eurlings (CDA), Van Dok-van Weele (PvdA).

Plv. leden: Blaauw (VVD), Dittrich (D66), Van den Berg (SGP), Örgü (VVD), Klein Molekamp (VVD), Remak (VVD), Ter Veer (D66), Van Bommel (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), De Graaf (D66), Valk (PvdA), Van der Knaap (CDA), Verbugt (VVD), Balkenende (CDA), De Milliano (CDA), M. B. Vos (GroenLinks), Feenstra (PvdA), Zijlstra (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Crone (PvdA), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Gortzak (PvdA).

Naar boven