21 501-18
Sociale Raad

nr. 85
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 10 november 1998

Bijgaand doe ik u het verslag toekomen van de Sociale Raad die op 27 oktober jl. in Luxemburg heeft plaatsgevonden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

K. G. de Vries

Verslag van de Sociale Raad van 27 oktober 1998

Deze eerste Sociale Raad onder Oostenrijks voorzitterschap was een Raad zonder besluitvorming en vooral bedoeld ter voorbereiding op de Raadszittingen van 20 november en 1/2 december a.s. Er vonden inhoudelijke debatten plaats over het Sociaal Actieprogramma en over de rol van werknemers in de Europese vennootschap. Verder nam de Raad kennis van de voortgangsverslagen van het voorzitterschap van de besprekingen over een aantal andere dossiers in de Raadswerkgroep Sociale Vraagstukken.

Hieronder volgt per agendapunt een kort verslag van de beraadslagingen.

1. Werkgelegenheid (voorbereiding van de Europese Raad van Wenen)

Gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid in 1998, werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 1999 en het verslag over de werkgelegenheidspercentages 1998

Commissaris Flynn presenteerde de Commissievoorstellen en legde daarbij de nadruk op de noodzaak van een actieve en preventieve aanpak van het werkloosheidsprobleem. In de ontwerprichtsnoeren voor 1999 zal meer aandacht moeten worden besteed aan de dienstensector, de lasten op arbeid, levenslang leren en de combinatie van zorg en arbeid. Verder wees hij op de voorgestelde vereenvoudiging c.q. stroomlijning van procedures die met zich meebrengt dat Lidstaten eenmaal per jaar en wel in het begin van de maand juni van elk jaar een rapportage over hun werkgelegenheidsbeleid zullen moeten voorleggen.

Hoewel het onderwerp niet was geagendeerd voor inhoudelijke bespreking (de Sociale Raad van 20 november is immers geheel gewijd aan werkgelegenheid) vond toch een eerste discussie over de Commissievoorstellen plaats. Hieruit bleek dat delegaties zich over het algemeen kunnen vinden in de teksten die de Commissie op 14 oktober jl. had gepresenteerd (deze zijn uw Kamer toegezonden bij brief d.d. 28 oktober 1998). Een aantal Lidstaten wees erop dat in het kader van de continuïteit en de geloofwaardigheid van de procedure het verstandig is om de richtsnoeren voor 1999 zo weinig mogelijk te laten afwijken van die voor 1998. Enkele Lidstaten gingen al meer in detail op de voorstellen in door te vragen om duidelijke criteria voor de beoordeling van de Nationale Actieplannen voor werkgelegenheid (NAP's) van de Lidstaten, opdat de evaluatie op een hoger niveau wordt gebracht. Ook riepen de Lidstaten elkaar op om de procedure zoals die is afgesproken in het Verdrag van Amsterdam en bevestigd tijdens de Werkgelegenheidstop in Luxemburg, zorgvuldig na te leven. Dat wil o.a. zeggen dat Lidstaten die onvoldoende gepresteerd hebben hier in het kader van deze procedure ook nadrukkelijk op moeten worden gewezen (algemene aanbevelingen op grond van het Verdrag van Amsterdam). Tenslotte werd door enkele Lidstaten ook gewezen op de zogenaamde «horizontale» punten in de ontwerp-richtsnoeren 1999. In het voorstel van de Commissie wordt namelijk, voordat wordt overgegaan tot het formuleren van concrete richtsnoeren, een aantal horizontale punten opgesomd waarmee de Lidstaten in hun Nationaal Actieplan volgend jaar rekening zouden moeten houden.

De opgesomde thema's zijn nogal ongelijk van aard (bijvoorbeeld informatiemaatschappij, Europees Sociaal Fonds en zwart werk) en niet allemaal «horizontaal» toe te passen op de set richtsnoeren (behalve uiteraard het principe van mainstreaming van gelijke kansen). Daarmee wordt de indruk gewekt dat het om additionele richtsnoeren zou gaan, hoewel dus formeel niet als zodanig benoemd.

Brief van de voorzitter van het Employment and Labour Market Committee (ELC)

De heer Borstlap, in zijn hoedanigheid van voorzitter van het ELC, zette de werkzaamheden van het Comité gedurende de afgelopen maanden uiteen. Verder schetste hij de procedure en meer in het bijzonder de vereenvoudiging en stroomlijning die zal worden doorgevoerd. Hij wees hierbij tevens op de contacten tussen het ELC en de sociale partners. In de integrerende rol die het ELC vervult in de coördinatie van de werkgelegenheidsdocumenten ter voorbereiding van de Raad, zullen uiteraard de opvattingen van alle partijen worden meegenomen. Hiermee doelde de voorzitter van het comité op de bijdrage vanuit het Economic Policy Committee (EPC) en de inbrengen die worden geleverd vanuit de milieu- en onderwijscomité's. Dit zal moeten leiden tot één geïntegreerd rapport dat, conform het Verdrag van Amsterdam, via het ELC aan de Raad zal worden aangeboden.

De voorzitter van de Raad constateerde vervolgens dat de Raad akkoord gaat met de voorgestelde vereenvoudiging c.q. stroomlijning van de procedure en sprak de verwachting uit dat de samenwerking tussen Sociale Raad en EcoFin goed zal verlopen en dat beide Raden (inclusief hun beide voorportalen ELC en EPC) in het kader van deze samenwerking, op passende wijze zullen zijn betrokken bij de voorbereiding van de Europese Raad van Wenen.

Verslag van het voorzitterschap over gelijke kansen naar aanleiding van de informele ministeriële vergadering in Innsbruck

De Sociale Raad nam zonder verdere discussie kennis van het verslag van het voorzitterschap van de informele raad.

2. Ontwerp-richtlijn van de Raad betreffende de rol van de werknemers in de Europese vennootschap

Over dit onderwerp vond een debat plaats. De voorzitter leidde de discussie in en stelde dat de voorgestelde oplossingen als een pakket dienen te worden gezien en benaderd. Zij wees erop dat het in het voornemen van het voorzitterschap ligt om de ontwerp-richtlijn en de ontwerp-verordening over de Europese vennootschap (Interne marktraad) parallel te behandelen. Tenslotte verzocht zij delegaties zich in de discussie te beperken tot de hoofdlijnen van het voorstel.

De overgrote meerderheid van de Lidstaten kon de oplossingsrichting zoals door het voorzitterschap geschetst onderschrijven. Doordat de nieuwe Italiaanse minister van arbeid een andere positie innam dan tot nu toe van Italiaanse vertegenwoordigers was vernomen (een positie die meer dan in het verleden was gericht op medewerking aan afronding van het dossier), werd de Spaanse delegatie in een tamelijk geïsoleerde positie gebracht met de bezwaren tegen het richtlijnvoorstel.

Zoals hierboven reeds gemeld, kon een grote meerderheid van delegaties zich, uiteraard afhankelijk van de nadere invulling, vinden in de benaderingswijze van het voorzitterschap. Het dossier werd vervolgens terugverwezen naar de Raadswerkgroep en Coreper. Het voorzitterschap sprak de hoop uit dat het mogelijk is in december een akkoord te bereiken op zowel richtlijn (Sociale Raad van 2 december) als verordening.

3. Voorstel voor een besluit van de Raad tot wijziging van Besluit 70/532/EEG houdende instelling van het Permanent Comité voor arbeidsmarktvraagstukken

De Raad nam kennis van het voortgangsverslag en de voorzitter sprak de hoop uit dat het mogelijk zal zijn om op 2 december a.s. het dossier af te ronden.

4. Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en de veiligheid van werknemers die door explosieve omgevingen gevaar kunnen lopen

De Raad nam zonder discussie kennis van het voortgangsverslag. De voorzitter sprak de hoop uit dat het dossier op 2 december besluitrijp is.

5. Voorstel voor een verordening (EG) van de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van Verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 : uitbreiding tot studenten

De Raad nam zonder discussie kennis van het voortgangsverslag. Wederom sprak de voorzitter de hoop uit dat het dossier op 2 december a.s. besluitrijp is.

6. Mededeling van de Commissie betreffende het «Sociaal actieprogramma 1998–2000»

Hierover vond een openbaar debat plaats. De voorzitter stelde in haar inleiding dat op Europees niveau een ambitieus sociaal beleid gevoerd zal moeten worden. De EMU en de uitbreiding zullen dit nodig maken. Sinds het Verdrag van Amsterdam en de Werkgelegenheidstop in Luxemburg is daarmee voor het thema werkgelegenheid/werkloosheid reeds een begin gemaakt.

Vervolgens noemde zij een aantal thema's, naast de hierboven reeds genoemde, waaraan de komende jaren aandacht zal moeten worden besteed. Dat waren dan vooral gelijke kansen voor vrouwen, de informatie-maatschappij, armoede en sociale uitsluiting, demografische ontwikkelingen en de rol van sociale partners c.q. de sociale dialoog. Het Verdrag van Amsterdam biedt voor het sociale terrein vele mogelijkheden en uitdagingen en het zal nu zaak zijn om ook in de praktijk tot een ambitieus beleid te komen.

Commissaris Flynn wees eveneens op de mogelijkheden die het Verdrag van Amsterdam in zich bergt en verzekerde de Raad dat de Commissie zich terdege voorbereidt op de situatie die ontstaat na de ratificatie van het Verdrag.

In de daarop volgende discussie keerden bovengenoemde thema's en met name de EMU en de uitbreiding (de vragen van het voorzitterschap concentreerden zich daar ook op) met grote regelmaat terug. Velen wezen op de nauwe band c.q. de complementariteit tussen het sociale en economisch-financiële beleid en de daaruit voortvloeiende noodzaak om tot beleidsintegratie te komen. Van verschillende zijde werd eveneens betoogd dat sociaal beleid niet als kostenpost moest worden gezien maar veeleer als een productieve factor.

Sprekend over de vraag wat er concreet op Europees niveau diende te gebeuren kwamen, uiteraard, verschillen van inzicht naar voren. Aan de ene kant van het spectrum bevonden zich Lidstaten die pleitten voor verdergaande regulering op Europees niveau. Aan de andere kant stonden enkele Lidstaten die Europese regelgeving zoveel als mogelijk wilden beperken en elk nieuw initiatief eerst aan een subsidiariteit- annex concurrentie-test wilden onderwerpen. Algemeen was het gevoelen dat de mogelijkheden die het Verdrag van Amsterdam op het punt van de non-discriminatie (art. 13) biedt, zullen moeten worden benut. Commissaris Flynn kondigde later ook aan dat de Commissie al doende is om een wetgevend initiatief op dit terrein voor te bereiden.

Aan het eind van het debat concludeerde de voorzitter dat een versterking van het Europees sociaal beleid nodig is en dat vooral gewerkt dient te worden aan de onderlinge afstemming van het economisch, fiscaal, monetair en sociaal beleid. Zij noemde tevens het voorwaardenscheppend karakter van het te voeren beleid, dat er hopelijk tevens toe zal bijdragen dat armoede uit de Europese samenleving verdwijnt. Zij achtte tenslotte het actieprogramma dat de Commissie had voorgelegd een goede basis voor de toekomstige werkzaamheden.

7. Voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van de tweede fase van het communautaire actieprogramma inzake beroepsopleiding «Leonardo da Vinci»

De voorzitter zette in grote lijnen de inhoud van het voorstel uiteen. Zij meldde dat de ad hoc groep die zich met dit voorstel bezig houdt, tot aan de Onderwijs Raad nog tweemaal bijeen zal komen.

Op 5 november a.s. wordt het advies van het Europees Parlement verwacht. Het voorzitterschap sprak de hoop uit dat het mogelijk zal zijn om op de Onderwijs Raad van 4 december a.s. tot een politiek akkoord te komen.

Na de melding van het voorzitterschap zette Nederland het standpunt uiteen van reële nulgroei, zowel voor de gehele EU-begroting als per categorie, en gaf daarmee aan dat ook de begroting van het programma Leonardo in dat kader beschouwd moet worden.

8. Conferentie «Een maatschappij voor alle generaties» (Wenen, 12–13 oktober 1998)

Het verslag van het voorzitterschap gaf geen aanleiding tot discussie.

Naar boven