Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 21501-18 nr. 81 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 21501-18 nr. 81 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 8 oktober 1998
Bijgaand doe ik u, mede met het oog op het Algemeen Overleg op 15 oktober a.s., de geannoteerde agenda toekomen voor de Sociale Raad op 27 oktober a.s. in Luxemburg. Hierbij zij aangetekend dat de definitieve agenda van de Sociale Raad nog niet is vastgesteld en derhalve de onderwerpen onder voorbehoud staan vermeld.
Geannoteerde agenda van de Sociale Raad van 27 oktober 1998
Op dit moment is de definitieve agenda van de Sociale Raad van 27 oktober a.s. nog niet bekend. Onderstaande onderwerpen zijn momenteel onderwerp van bespreking in de Raadswerkgroep Sociale Vraagstukken of zijn voorgenomen voor behandeling de komende weken in de raadswerkgroep en komen derhalve in aanmerking voor agendering. Het is dus nog niet zeker of deze onderwerpen op de uiteindelijke agenda zullen komen.
1. Werkgelegenheid/Voorbereiding van de Europese Raad van Wenen/Nationale Actieplannen
Door het voorzitterschap zal mededeling worden gedaan over de stand van zaken in het werkgelegenheidstraject richting Europese Raad van december. Ook de voorzitter van het Employment and Labour Market Committee (ELC) zal de Raad informeren over de bevindingen van het ELC ten aanzien van de nationale actieplannen en implementatierapporten die door de Lidstaten zijn aangeleverd.
In de tweede helft van 1998 is en wordt de voortgang bestudeerd die de Lid-Staten hebben geboekt bij de implementatie van de richtsnoeren op basis van de rapporten die de Lidstaten in juli moesten indienen. Het Nederlandse Implementatierapport alsmede het Addendum zijn inmiddels ook in het bezit van Uw Kamer.
Op basis van deze evaluatie zal de Commissie op 15 oktober voorstellen presenteren ten behoeve van de werkgelegenheidsrichtsnoeren 1999. Deze voorstellen zullen worden neergelegd in het jaarlijkse concept-gezamenlijk rapport over werkgelegenheid (van Commissie, Sociale Raad en Ecofin) waarin ook een evaluatie van de NAP's is opgenomen. Voorts zal het Employment and Labour Market Committee, naar verwachting in coördinatie met het Economic Policy Committee, advies uitbrengen aan respectievelijk Sociale Raad en Ecofinraad terzake van de Commissievoorstellen. De Sociale Raad van 20 november en de gecombineerde Sociale Raad en Ecofin van 1 en 2 december zullen tenslotte de Europese Raad van medio december voorbereiden. Daar zal immers worden besproken in hoeverre de richtsnoeren moeten worden aangepast. Naar verwachting zal een extra Sociale Raad in januari een resolutie aannemen waarin de procedure voor de richtsnoeren van 1999 is vastgelegd. Dit vanwege het feit dat het Verdrag van Amsterdam nog niet in werking is getreden.
Tijdens de Sociale Raad van 27 oktober zal dus de voortgang in het proces worden gemeld en waarschijnlijk een eerste ronde worden gehouden over het gezamenlijk rapport. Aangezien de Commissievoorstellen pas 15 oktober worden verwacht kan nog niet worden aangegeven wat het Nederlandse standpunt zal zijn.
De Nederlandse inzet zal in ieder geval de volgende elementen bevatten:
– een goede implementatie en stroomlijning cq. verdieping van de huidige richtsnoeren is van eminent belang
– niet teveel nieuwe richtsnoeren op andere terreinen dan die momenteel de richtsnoeren beslaan
– het belang van een transparant, onbureaucratisch proces.
Bij de nationale voorbereiding van het standpunt over de eventuele aanpassing van de werkgelegenheidrichtsnoeren zullen de sociale partners in de gelegenheid worden gesteld hun opvattingen kenbaar te maken.
1a. Conclusies Innsbruck: werkgelegenheidsrichtsnoeren en gelijke kansen
Van 8 t/m 10 juli jl. vond in Innsbruck een Informele Sociale Raad van EU Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en EU Ministers van Emancipatiezaken plaats.
Hier werd op informele wijze gediscussieerd over de versterking en de mainstreaming van het gelijke kansen-perspectief in de NAP's en de werkgelegenheidsrichtsnoeren.
Na afloop van de discussie stelde het voorzitterschap het volgende:
– Belangrijkste betekenis van deze gecombineerde Raad is dat de «gelijke kansen-doelstelling» een centrale plaats heeft gekregen in het Europese werkgelegenheidsbeleid;
– Mainstreaming is hierbij de centrale doelstelling. Het gelijke kansen perspectief zal behalve in de vierde pijler als horizontale doelstelling in de overige werkgelegenheidsrichtsnoeren en de NAP's dienen te worden opgenomen en uitgevoerd. Het Raadgevend Comité Gelijke Kansen zal de definitie van «mainstreaming» moeten gaan uitwerken;
– Herverdeling van arbeid, zorg en inkomen noodzaken tot een nadere uitwisseling van «best practices» tussen de lidstaten. Benchmarking en het ontwikkelen van statistische informatievoorziening over gelijke kansen zijn hiervoor nodig. T.b.v. de werkgelegenheidsrichtsnoeren '99 zullen kwalitatieve én kwantitatieve doelstellingen t.a.v. gelijke kansen moeten worden geformuleerd;
– Bijzondere aandacht is de komende jaren nodig voor het uitbouwen en toegankelijk maken van kinderopvangvoorzieningen en ouderschapsverlof. Voor dit laatste is een cultuuromslag noodzakelijk;
– Er dient een «opwaardering» te komen van parttime werk, incl. het bieden van (sociale) bescherming van part-time werkers;
– T.b.v. de gelijke kansen-doelstelling in de werkgelegenheidsrichtsnoeren en de Nationale ActiePlannen (NAP) 1999 zal de vierde pijler toegespitst worden op gelijke kansen tussen mannen en vrouwen; het gelijke kansen perspectief voor gehandicapten en arbeidsongeschikten zal worden verwerkt in de eerste pijler (employability);
– Sociale partners dienen mainstreaming van gelijke kansen op de agenda van de collectieve onderhandelingen dienen plaatsen.
De conclusies van de Informele Raad zullen door het Oostenrijks voorzitterschap worden ingebracht in de eerst volgende inhoudelijke bespreking van de werkgelegenheidsrichtsnoeren in de Sociale Raad. In hoeverre deze conclusies door de Raad zullen worden overgenomen kan thans dus nog niet worden voorzien.
2. Richtlijn carcinogene agentia (kankerverwekkende stoffen)
Door het voorzitterschap wordt voorgesteld op deze Sociale Raad te komen tot een gemeenschappelijk standpunt over het voorstel.
Nederland kan met het voorliggende voorstel akkoord gaan als een compromis om tot besluitvorming te komen. Onze nationale wetgeving bevat namelijk reeds de voorgestelde bepalingen op dit gebied en op onderdelen gaat de Nederlandse wetgeving verder en biedt meer bescherming. Door de gebruikte rechtsbasis van het voorstel (art 118 A Europees Verdrag, minimum voorschriften) vormt dit geen belemmering.
Het voorstel voor een tweede wijziging van de richtlijn carcinogene agentia 90/394/EEG bevat de volgende elementen:
– Een aanvulling van de bestaande richtlijn 90/394/EEG voor de bescherming van werknemers tegen de risico's van mutagene stoffen (die mogelijk kanker kunnen veroorzaken);
– Opname van bijlage 3 (kankerverwekkende processen) in de bestaande richtlijn 90/394/EEG inzake blootstellen aan stoffen van beuken-en eikenhout;
– Het opnemen in de richtlijn van de grenswaarden van vinylchloridemonomeer (VCM) en asbest, zoals in de richtlijn 78/610/EEG is vastgelegd.
3. Richtlijn over de rol van de werknemers in de Europese vennootschap (SE) (follow-up van het rapport Davignon)
Het Oostenrijkse voorzitterschap tracht op de Sociale Raad van 2 december a.s. een politieke overeenstemming te bereiken over het voorstel voor een richtlijn over de rol van werknemers in de Europese vennootschap (SE).
Door het voorzitterschap zal op deze Raad de stand van zaken van de besprekingen in de raadswerkgroep worden aangegeven, eventueel gevolgd door een politieke discussie om enige voortgang in het dossier te bewerkstelligen.
Dit voorstel is een onderdeel van een tweeluik, namelijk de verordening voor het Statuut van de Europese Vennootschap, die wordt behandeld in de Interne Marktraad, en het voorstel voor de bovengenoemde richtlijn, dat wordt behandeld in de Sociale Raad.
Het nu voorliggende voorstel borduurt voort op het Britse voorstel. Het bevat – afgezien van tekstuele vereenvoudigingen – slechts wijzigingen t.a.v. die punten waarover de Lidstaten het in de laatste Sociale Raad onder Brits voorzitterschap niet eens konden worden.
Het uitgangspunt van de richtlijn is dat de vormgeving van de rol van de werknemers bij een Europese Vennootschap het beste kan worden overgelaten aan vrije onderhandelingen tussen het management en een delegatie van het personeel. Ter compensatie van de machtsongelijkheid tussen de twee delegaties (management/werknemers) bevat de richtlijn een set referentievoorschriften (standard rules) die zullen gaan gelden indien de onderhandelingen niet binnen een bepaalde tijd tot een akkoord leiden en het management toch de oprichting van een Europese Vennootschap wil doorzetten.
Deze referentievoorschriften bevatten ook bepalingen over de invloed van werknemers op de samenstelling van het bestuurs- of toezichthoudend orgaan. Deze participatie-bepalingen gelden evenwel alleen in de situatie waarin al voor de oprichting van de Europese vennootschap bij ten minste een van de daarin deelnemende vennootschappen sprake was van zo'n werknemersinvloed op de samenstelling van het bestuur of het toezichthoudend orgaan.
Het voorstel behandelt uitsluitend de informatie, raadpleging en participatie bij die Europese vennootschappen die zijn ontstaan als resultaat van een (grensoverschrijdende) fusie of de vorming van een gezamenlijke holding of gemeenschappelijke dochter-onderneming en de omzetting van een nationale vennootschap.
De belangrijkste voor Nederland nog openstaande punten die nog aan de orde zullen komen op de Sociale Raad hebben betrekking op:
– De waarborgen tegen verlies van bestaande participatierechten o.m. via het eisen van bijzondere meerderheden voor bepaalde ingrijpende besluiten van de bijzondere onderhandelingsgroep die onderhandelt namens het personeel. Zoals bijvoorbeeld het besluit om af te zien van participatierechten of het sluiten van een akkoord met het management dat voor een belangrijke minderheid van de werknemers een verlies aan participatierechten met zich mee brengt.
– De voorwaarden waaronder een nationale vennootschap kan worden omgezet in een Europese vennootschap. Nederland heeft er altijd voor gepleit dat de waarborgen voor de rol van de werknemers bij deze oprichtingswijze minimaal evenwaardig dienen te zijn aan die bij de overige drie toegelaten oprichtingswijzen van een Europese vennootschap.
Mede in verband met de onlangs gehouden Duitse verkiezingen en daarmee de onzekerheid omtrent de toekomstige Duitse opstelling, neemt Nederland een afwachtende houding aan en houdt voorshands vast aan de eerder ingenomen positie op de Sociale Raad van 4 juni jl.
4. Mededeling over de toekomst van de sociale dialoog
Door het voorzitterschap zal de stand van zaken van de besprekingen in de raadswerkgroep worden medegedeeld in het bijzonder over de hervorming van het permanent comité arbeidsvraagstukken (PCA) dat een onderdeel vormt van de tweede mededeling over de toekomst van de sociale dialoog.
In deze vervolgmededeling staat hervorming van de rol van het PCA centraal omdat alle betrokkenen de laatste jaren bij verschillende gelegenheden hebben aangegeven dat dit comité niet optimaal functioneert.
Het PCA is een bestaande structuur waar sociale partners, Raad en Commissie elkaar treffen terzake van onderwerpen op het terrein van arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid.
De Commissie stelt voor:
– eenmaal per half jaar een «technical meeting» te houden tussen ELC en sociale partners om de betrokkenheid bij het Europese werkgelegenheidstraject te waarborgen;
– het aantal bijeenkomsten van het PCA op minimaal twee per jaar te houden, namelijk in elk geval voorafgaand aan de Europese Raden;
– de vertegenwoordiging van de sociale partners in het PCA uit te breiden. De Commissie stelt voor om in het instellingsbesluit een aantal organisaties met naam te noemen.
De tweede mededeling over de toekomst van de sociale dialoog is de resultante van een inventarisatie door de Commissie van standpunten van de Lidstaten inzake de eerste mededeling uit 1996. Omdat de Commissie er van uit gaat dat de meningen van de Lidstaten in voldoende mate worden gereflecteerd in de vervolgmededeling, is alleen het voorstel tot hervorming van het PCA eruit gelicht ter behandeling in de Sociale Raad.
Nederland kan hervorming van het PCA van harte ondersteunen met dien verstande dat duidelijk moet zijn wie de Raad zal vertegenwoordigen en dat slagvaardigheid van het PCA voorop moet staan. Voorts zou Nederland ervoor willen pleiten ook de overige onderdelen uit de vervolgmededeling over de toekomst van de sociale dialoog in raadskader te bespreken. Met name het onderdeel over de verdere ontwikkeling van de sectorale dialoog en de consequenties daarvan voor communautaire processen zou verder uitgediept kunnen worden.
5. Sociaal actieprogramma Europese Commissie (1998–2000)
Aan de hand van vragen die zullen worden opgesteld door het voorzitterschap zal een oriënterend debat worden gehouden over het sociaal actieprogramma 1998–2000. Deze vragen zijn nog niet bekend; de raadswerkgroep van 6 oktober zal zich hierover buigen.
In dit programma van de Commissie wordt het kader voor de activiteiten in de periode 1998–2000 geschetst. Het programma is met name geconcentreerd op drie terreinen:
1) werk, employability en mobiliteit (creëren van werkgelegenheid en bestrijding werkloosheid, vrij verkeer van werknemers, werkgelegenheidsrichtsnoeren)
2) de veranderende wereld van werk (modernisering werkorganisatie, anticiperen op industriele herstructurering, informatiemaatschappij, veilige en gezonde werkomstandigheden)
3) de ontwikkeling van een inclusieve samenleving (moderniseren en verbeteren van de sociale bescherming, gelijke behandeling, tegengaan van discriminatie).
Sociaal beleid moet zorgdragen voor een redelijke levensstandaard voor allen, in een actieve, inclusieve en gezonde maatschappij, met de nadruk op werkgelegenheid, goede arbeidsomstandigheden en gelijke kansen.
In het programma wordt, in de geest van de Europese Raden van Amsterdam en Luxemburg werkgelegenheid in het hart van sociaal beleid geplaatst.
De Europese Commissie zal op basis van dit Actieprogramma de komende jaren voorstellen gaan ontwikkelen.
De Nederlandse inzet is uiteraard afhankelijk van de vragen die worden voorgelegd. Wel kan reeds worden gesteld dat het versterken van de economische dimensie naast de sociale dimensie van groot belang is. Diverse onderwerpen uit het actieprogramma, zoals werkgelegenheid, modernisering van de werkorganisatie en actie tegen sociale uitsluiting staan ook hoog op de Nederlandse agenda.
Voor een definitieve beoordeling zullen uiteraard de afzonderlijke voorstellen, die voortvloeien uit het actieprogramma, moeten worden afgewacht en op hun merites moeten worden beoordeeld.
6. Actieprogramma van de Gemeenschap op het gebied van veiligheid, hygiëne en gezondheidsbescherming op het werk
Door de Commissie zal een tussentijds verslag worden gepresenteerd over het actieprogramma van de Gemeenschap op het gebied van veiligheid, hygiëne en gezondheidsbescherming op het werk (1996–2000). Het programma bevat nog geen concrete voorstellen.
Het tussentijdsverslag geeft een beeld van hetgeen in de periode 1996–1998 tot stand is gebracht:
– Het opzetten van het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk in Bilbao;
– Het SAFE-programma (ter verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk). Het voorstel is nog steeds in de Raad niet tot besluitvorming gekomen omdat de Lid-Staten problemen hebben met de rechtsbasis;
– Omzetting en bijwerking van bestaande wetgevende maatregelen;
In het tussentijds verslag worden de plannen en prioriteiten aangekondigd voor de periode 1998–2000.
Deze nieuwe prioriteiten zijn:
– De Europese wetgeving effectiever maken (handhaving);
– De uitbreiding van de EU voorbereiden. De Commissie heeft veiligheid en gezondheid aangeduid als een van de essentiële elementen van het acquis op sociaal gebied;
– Maatregelen om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verbeteren ten behoeve van de vergroting van arbeidsparticipatie.
– Aandacht voor nieuwe risico's.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-81.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.