Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 21501-18 nr. 80 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 21501-18 nr. 80 |
Vastgesteld 12 juni 1998
De algemene commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben op 2 april 1998 overleg gevoerd met minister Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:
– het verslag van de Sociale Raad van 15 december 1997(21 501-18, nr. 78);
– de agenda voor de Sociale Raad van 7 april 1998(SOZA 98-284; EU 98-40).
Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Adelmund (PvdA) liet opmerkingen over het nationaal actieplan (NAP) achterwege, omdat hierover nog een apart debat is geagendeerd. Zij benadrukte dat de komst van de euro de noodzaak tot een gecoördineerde, evenwichtige aanpak van het sociale en economische beleid in de EU alleen maar groter maakt. Steeds is in dit verband gewezen op het belang van evenwichtige verhoudingen tussen Ecofin-raad en Sociale Raad, tussen Economisch monetair comité en het Comité werkgelegenheid en arbeidsmarktvraagstukken. Wordt bij de voorbereiding van de Europese Raad van Wenen en de voorbereiding van de bijeenkomst van het Brede economische comité samengewerkt tussen alle bovengenoemde geledingen? Benieuwd was zij naar de achterliggende redenen voor de beperking die besloten ligt in de annotatie bij agendapunt 3 voor de komende Sociale Raad, luidende: «Anders dan in het eerder Luxemburgse voorstel terzake gelden deze medezeggenschapsbepalingen alleen in een situatie waarin al vóór de oprichting van de Europese vennootschap bij ten minste één van de daarin deelnemende vennootschappen sprake was van werknemersinvloed op de samenstelling van het bestuur of het toezichthoudend orgaan.» Bij het tot stand brengen van Europese vennootschappen moeten informatie, consultatie en medezeggenschap goed geregeld zijn. Werknemers moeten een algemeen geldende minimumgarantie krijgen, overeenkomstig het laatste Luxemburgse voorstel. De oprichting van een Europese vennootschap mag niet leiden tot verwatering van de rechten van de werknemers van één van de deelnemende vennootschappen. Bezwaarlijk is verder, dat de richtlijn pas van toepassing is op bedrijven met meer dan 1000 werknemers. Naar aanleiding van punt 4 van de agenda bepleitte zij gelijkstelling van deeltijdarbeid in de sfeer van de sociale zekerheid. Eerder liet de minister weten dat het logisch was om in die richting te werken. Zijn inmiddels initiatieven in die richting genomen? Zij steunde de minister in zijn streven om een verbod op het gebruik van asbest te bewerkstelligen. Hoe denkt de minister dit te bereiken? Naar aanleiding van een staking van Franse vrachtwagenchauffeurs heeft de Commissie in de Interne Raad een voorstel gepresenteerd dat haar grotere bevoegdheden geeft om in te grijpen als het vrije verkeer van goederen in gevaar komt. In dit verband herinnerde zij aan eerdere debatten over het grondrecht om te staken. Het voorstel van de Commissie doet vermoeden dat het principe van het vrije verkeer van goederen boven dit grondrecht wordt geplaatst, alleen maar omdat die laatste rechten in het Verdrag van Amsterdam niet zijn geregeld. Het voorstel van de Commissie strookt niet met de wens van de PvdA om ook de grondrechten goed te regelen. Hoe ziet de minister dit? Op welke termijn verwacht hij dat beide in goed evenwicht met elkaar kunnen worden geregeld?
De heer Terpstra (CDA) steunde het door de minister ingenomen standpunt terzake van de onder punt 3 van de agenda bedoelde richtlijn (medezeggenschap Europese vennootschap). Hij bepleitte een «missionaire aanpak» in dezen. De onder punt 4 bedoelde uitbreiding van de werkingssfeer van de deeltijdrichtlijn beschouwde hij als een zegening ten gevolge van de recente verkiezingsoverwinning van Labour. Verwacht de minister nog meer van dit soort zegeningen? Ook stemde hij in met het streven van de minister om te komen tot een verbod op asbest en met het voornemen om in de periode tot zo'n verbod de bescherming van werknemers te verbeteren. Instemming betuigde hij ook met het Nederlandse standpunt inzake de richtlijn chemische agentia. Verwijzend naar een desbetreffend, uitvoerig debat bij de behandeling van de PEMBA bepleitte hij naar aanleiding van de punten 7 en 8 van de agenda om ook op Europees niveau het probleem van de migrerende werknemers structureel onder de aandacht te brengen. Waarom verzet Nederland zich tegen het exportabel maken van uitkeringen op grond van de regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en ernstig lichamelijk gehandicapte kinderen (TOG)? Wanneer trekt Nederland dit standpunt in? Ten slotte vroeg hij waarom het NAP zo snel naar Brussel is gestuurd. Het behoefde toch pas op 15 april a.s. te zijn ontvangen? Enig uitstel had ruimte geboden voor nader overleg met de Kamer. Welke diepgang had het overleg met sociale partners over het NAP? Van de zijde van sociale partners had hij vernomen dat van overleg nauwelijks sprake was.
Mevrouw Essers (VVD) vroeg naar aanleiding van punt 2 van het verslag van de Sociale Raad van 15 december jl. of Europese steun voor noodlijdende bedrijven mogelijk blijft. In dit verband herinnerde zij aan de consequente Nederlandse beleidslijn die dit soort steun afwijst. Hoe wordt dit op Europees niveau gezien? Onder punt 6 van het verslag staat als Nederlands standpunt verwoord: «Ook Nederland heeft aangegeven voorstander te zijn van uitbreiding van de minimumvoorschriften van de arbeidstijdenrichtlijn tot de tot nog toe daarvan uitgesloten sectoren.» Zijn in Nederland op dit moment nog sectoren uitgesloten en zo ja, hoeveel mensen betreft het? Betekent het door Nederland in Europees verband ingenomen standpunt dat nog wordt nagedacht over aanscherping van de Nederlandse Arbeidstijdenwet? In verband met dit laatste herinnerde zij aan het standpunt van haar fractie dat Nederland op dit punt toch al verder gaat dan in Europees verband wenselijk moet worden geacht.
Naar aanleiding van punt 1a van de agenda voor de komende Sociale Raad vroeg mevrouw Essers of al is aan te geven wat de inhoud zal zijn van het verslag van het voorzitterschap van de follow-up van de werkgelegenheidstop. Zeer benieuwd was zij naar het besprokene tijdens de informele Sociale Raad van maart jl. Zij betreurde het dat tijdens dit AO niet kan worden gesproken over het NAP. Betekent het feit dat dit plan al aan sociale partners is voorgelegd en dat het aan Brussel is gezonden, dat de inbreng van de Kamer eigenlijk «mosterd na de maaltijd» is?
Mevrouw Giskes (D66) sloot zich aan bij eerdere vragen en opmerkingen over de bespreking van het NAP. Hebben andere landen even alert gereageerd als Nederland? Ook sloot zij zich aan bij vragen van mevrouw Adelmund over punt 3 van de agenda voor de komende Sociale Raad. Waarom tilt Nederland zo zwaar aan het exportabel maken van de TOG? Wat zou het budgettair tot gevolg hebben als dit soort uitkeringen wel exportabel werd? Hoe staat het met het wetsvoorstel betreffende export van uitkeringen?
De minister gaf aan dat ook Denemarken en Engeland hun NAP al hebben ingestuurd. Het is de verantwoordelijkheid van de regering om het NAP op Europees niveau in te brengen. Het plan bevat in hoofdlijnen een (optioneel geformuleerde) clustering van lopend beleid, een perspectief op de toekomst en een verantwoording in het kader van de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Niets belet de Kamer om zich daarover zodanig te uiten dat de regering zich bewogen voelt om op Europees niveau nadere inzichten kenbaar te maken. Ook na 15 april is er nog alle ruimte daarvoor. Mocht de Kamer er echt behoefte aan hebben om op zeer korte termijn al bepaalde signalen op Europees niveau te geven, dan is 15 april wel een relevante datum.
Nederland heeft inmiddels besloten niet te verzoeken tot plaatsing van de TOG op de bijlage terzake van niet-exploitabele uitkeringen. De desbetreffende passage in de annotatie bij punt 8 van de agenda kan derhalve als niet geschreven worden beschouwd. De eerdere afweging op dit punt was niet budgettair bepaald, maar werd ingegeven door een keuze voor een bepaald systeem. De nu gemaakte keuze beschouwde hij als een, zij het gerechtvaardigd, grensgeval. Het eruit voortvloeiende budgettaire beslag bedraagt ongeveer f 40 000.
Bij de voorbereiding van de Top van Wenen wordt uitgegaan van de vorm van coördinatie zoals die geldt sinds de Top van Essen (1994) en is versterkt door de bepalingen in het werkgelegenheidshoofdstuk uit het Verdrag van Amsterdam. De voorbereiding wordt derhalve ter hand genomen door de Sociale Raad en de Ecofin-raad en de daarbij betrokken Comités. Nieuw is dat mede op basis van de NAP's ook de Europese Commissie erbij betrokken is. Hoe een en ander precies vorm krijgt, is nog niet bekend. Tijdens de zitting van juni a.s. zal worden besproken hoe de Europese Raad zal omgaan met de NAP's en hoe zal worden beoordeeld hoe deze zich verhouden tot de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Hij was zich niet bewust van klachten van sociale partners over het overleg over het NAP. Mocht dit echt het geval zijn, dan vernam hij dit graag van betrokkenen. Naar verwachting zullen de NAP's vooral resulteren in een meer concrete Europese discussie over werkgelegenheidsvraagstukken.
Naar verwachting zal het Verenigd Koninkrijk ook toetreden tot de reeds gecreëerde Europese juridische ruimte inzake de Euro-OR en het ouderschapsverlof. Op zich vond de minister het ook positief dat het Engelse voorzitterschap streeft naar een oplossing voor de richtlijn als bedoeld onder punt 3 van de agenda. Negatief is het echter dat het Verenigd Koninkrijk ruimte wil creëren om geen minimumnormen te hanteren in gevallen waarin daar thans nationaal nog geen sprake van is. Dit strookt niet met wat op dit punt thans reeds in Nederland is gerealiseerd en met het Nederlandse streven om op dit punt binnen Europa overal een gelijk speelveld te creëren. Tegen deze achtergrond was hij niet optimistisch over de kans om in dit dossier voortgang te boeken. Verlaging van de toepassingslimiet voor deze richtlijn tot beneden de 1000 werknemers achtte hij niet haalbaar.
Verwijzend naar het gebrek aan overeenstemming op dit punt bij de behandeling van de richtlijn detachering werknemers, gaf de minister aan thans geen ruimte te zien voor initiatieven gericht op gelijkstelling van deeltijdarbeid in de sfeer van de sociale zekerheid.
Spanje, Portugal en Griekenland verzetten zich om uiteenlopende redenen tegen een totaal verbod op de verwerking van asbest. Hoewel hij er op dit moment geen hoge verwachtingen van had, achtte de minister het desalniettemin zijn taak om vanuit de Nederlandse ervaringen op dit punt te blijven pleiten voor een Europees verbod. Daarbij gaat het niet alleen om de gezondheid van werknemers, maar ook om het scheppen van gelijke concurrentievoorwaarden.
De minister zegde toe schriftelijk te antwoorden op de vraag naar de verhouding tussen het grondrecht om te staken en voorstellen van de Commissie inzake het garanderen van het vrije verkeer van goederen.
Ook gaf hij aan zich te willen inspannen om op Europees niveau aandacht te vragen voor problemen rond migrerende werknemers, al vroeg hij er (wijzend op problemen van migratie tussen Nederland, Duitsland en België) begrip voor dat hiermee lange tijd gemoeid zal zijn. De «steen der wijzen» op dit gebied is nog lang niet gevonden.
Nederland voelt er niets voor dat steunprogramma's voor noodlijdende bedrijven onder het mom van werkgelegenheidsbevordering worden gepresenteerd. Hoewel desbetreffende passages tijdens de Europese Raad van Luxemburg zijn gemitigeerd, vertoont het geheel op dit punt nog een zekere ambivalentie. Nederland zal NAP's op dit punt kritisch beoordelen en zal zo nodig de aandacht vestigen op onjuist gebruik van de resolutie inzake werkgelegenheidsrichtsnoeren. Desgevraagd zegde hij toe in het kader van de voorbereiding van de Industrieraad van 7 mei a.s. schriftelijk te rapporteren over de invulling die het Britse voorzitterschap hieraan wil geven.
De Nederlandse Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit omvatten reeds de sectoren die door de Commissie enkele jaren geleden als uitgesloten werden beschouwd. Het valt derhalve niet te verwachten dat de behandeling van het desbetreffende witboek zal leiden tot aanscherping van de Nederlandse wetgeving. Mocht dit toch het geval blijken te zijn, dan wordt de Kamer daar terstond over geïnformeerd.
De informele Sociale Raad betrof o.a. ervaringen die in het Verenigd Koninkrijk zijn opgedaan met programma's voor sociale activering en bevordering van werkgelegenheid. Deels sloten die aan op Nederlandse ervaringen. Ook is gesproken over de besluitvorming van de Commissie over de Europese structuurfondsen, in het bijzonder het Sociale Fonds en de verhouding tot de regionale fondsen. Bij die gelegenheid is het inmiddels formeel in Brussel neergelegde Nederlandse standpunt verwoord.
Samenstelling: Leden: Van der Linden (CDA), Blauw (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Weisglas (VVD), Terpstra (CDA), Verspaget (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Ter Veer (D66), voorzitter, Ybema (D66), Van Middelkoop (GPV), Leers (CDA), Sipkes (GroenLinks), Woltjer (PvdA), ondervoorzitter, Hendriks, Gabor (CDA), Voûte-Droste (VVD), Schuurman (CD), Hessing (VVD), Van den Bos (D66), Van Oven (PvdA), Hoogervorst (VVD), Rouvoet (RPF), Van Waning (D66), Rehwinkel (PvdA), Koenders (PvdA).
Plv. leden: Bukman (CDA), Te Veldhuis (VVD), Wagenaar (PvdA), Blaauw (VVD), Verhagen (CDA), Van der Ploeg (PvdA), Hillen (CDA), Koekkoek (CDA), Wessels (D66), Van den Berg (SGP), Van der Hoeven (CDA), M. B. Vos (GroenLinks), Witteveen-Hevinga (PvdA), Meyer (groep-Nijpels), G. de Jong (CDA), O. P. G. Vos (VVD), Poppe (SP), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Roethof (D66), Crone (PvdA), Verbugt (VVD), Leerkes (Unie 55+), Hoekema (D66), Lilipaly (PvdA), Adelmund (PvdA).
Samenstelling: Leden: Wolters (CDA), voorzitter, Van Nieuwenhoven (PvdA), Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Meyer (groep-Nijpels).
Plv. leden: Terpstra (CDA), Oudkerk (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Mulder-van Dam (CDA), A. de Jong (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), G. de Jong (CDA), Dijksma (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Apostolou (PvdA), Heeringa (CDA), Van Boxtel (D66), J. M. de Vries (VVD), B. M. de Vries (VVD), Leerkes (Unie 55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD), Hoogervorst (VVD), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-80.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.