Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 21501-18 nr. 78 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 21501-18 nr. 78 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 26 januari 1998
Bijgaand treft u aan het verslag van de Sociale Raad die op 15 december 1997 te Brussel plaatsvond.
Verslag van de Sociale Raad van 15 december 1997
Diverse dossiers (bewijslast, deeltijdarbeid, werkgelegenheidsrichtsnoeren, follow-up Essen) konden succesvol worden afgerond.
De inspanningen van het Voorzitterschap met betrekking tot de Werkgelegenheidstop van Luxemburg en de mogelijkheid tot formele vaststelling van de werkgelegenheidsrichtsnoeren in deze Raad werden zeer gewaardeerd door de lidstaten.
Tot de aanvaarde A-punten behoorden de uitbreiding van de werking van de richtlijnen inzake de Europese ondernemingsraad (94/45/EG) en inzake Ouderschapsverlof (96/34/EG) tot het Verenigd Koninkrijk.
De Sociale Raad bereikte zonder veel debat met unanimiteit een politiek akkoord op dit dossier. Verschillende lidstaten benadrukten het belang van dit dossier voor de verbetering van de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Voorts werd door diverse lidstaten benadrukt dat het voor afspraken in het kader van de sociale dialoog van belang is dat het draagvlak zo breed mogelijk is.
De Commissie was eveneens verheugd dat er een akkoord was bereikt. Tevens werd aangekondigd dat de Commissie zo snel mogelijk met een voorstel zou komen tot uitbreiding van deze richtlijn tot het Verenigd Koninkrijk.
Deze richtlijn, waar de raamovereenkomst die door de sociale partners (UNICE, CEEP en EVV) is gesloten onderdeel van uitmaakt, heeft twee doelen:
1) het opheffen van discriminatie van deeltijdwerkers en verbetering van de kwaliteit van de deeltijdarbeid;
2) bevorderen van de ontwikkeling van deeltijdarbeid op vrijwillige basis en bijdragen tot een flexibele organisatie van de arbeidstijden die tegemoet komt aan de wensen van werknemers en werkgevers.
Het beginsel van non-discriminatie is van toepassing op de arbeidsvoorwaarden. Sociale zekerheidsaspecten zijn uitgesloten omdat de sociale partners niet bevoegd zijn hierover een akkoord te sluiten. Om objectieve redenen en onder voorwaarden kunnen deeltijdwerkers die slechts incidenteel werkzaamheden verrichten uitgesloten worden van de werking van de richtlijn.
In het Algemeen Overleg ter voorbereiding van de Sociale Raad werd gevraagd naar de mogelijke gevolgen voor het Nederlandse beleid van het begrip «objectieve redenen» in de tekst van de overeenkomst van sociale partners.
Naar aanleiding hiervan zij het volgende vermeld:
Het is op grond van clausule 4.4.van de overeenkomst ter beoordeling en motivering van de lidstaten zelf – dit in overleg met sociale partners – en/of sociale partners, om te bepalen of en zo ja welke objectieve redenen binnen de nationale context rechtvaardigen dat het beginsel van gelijke behandeling afhankelijk wordt gesteld van bepaalde voorwaarden (drempelbepalingen). Zo'n drempelbepaling kan bijvoorbeeld zijn het vereiste van een minimum arbeidsduur van 12 uur per week, dan wel een minimum beloning of het vereiste van een minimum dienstverband van één jaar alvorens de deeltijder aanspraak kan maken op gelijke behandeling.
Deze clausule bevat derhalve geen dwingend voorschrift.
In Nederland is op 1 november 1996 de Wet Verbod tot het maken van onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden op grond van arbeidsduur (VOA) in werking getreden. Daarmee is de gelijke behandeling tussen deeltijders en voltijders ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden wettelijk gegarandeerd: door de werkgever of door sociale partners (bij afsluiting van een cao) mag geen onderscheid worden gemaakt op grond van arbeidsduur tenzij dat objectief gerechtvaardigd kan worden.
Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een objectieve rechtvaardiging wordt in de VOA aangesloten bij de criteria zoals die door het Europese Hof zijn ontwikkeld bij de rechtspraak inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen, namelijk:
– legitimiteit: de ter bereiking van het doel gekozen middelen dienen te beantwoorden aan een werkelijke behoefte;
– doelmatigheid: het middel moet geschikt zijn om dat doel te bereiken;
– proportionaliteit: en daarvoor ook noodzakelijk zijn;
De Nederlandse wetgever zag geen aanleiding om drempelbepalingen in de wet op te nemen om daarmee een bepaalde categorie mensen uit te sluiten van de werkingssfeer van de wet.
Ook in de sfeer van de sociale zekerheid, de pensioenen en het Wettelijk Minimum Loon zijn in de afgelopen jaren de knelpunten en drempels verwijderd waardoor terzake zich geen noemenswaardige belemmeringen meer voordoen in de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
Daarmee wordt door Nederland niet alleen ruimschoots voldaan aan het akkoord van sociale partners over deeltijd cq. richtlijn deeltijd, maar heeft Nederland als lidstaat aan de clausule 4.4. geen behoefte en zal hier ook geen gebruik van maken.
2. Werkgelegenheidsrichtsnoeren
Met unanimiteit werden, in vervolg op het principebesluit van de Europese Raad van 21 november jl., de werkgelegenheidsrichtsnoeren formeel vastgesteld door het aannemen van een resolutie terzake. De lidstaten spraken grote waardering uit voor de werkzaamheden van het Voorzitterschap voor de werkgelegenheidstop en de totstandkoming van de richtsnoeren.
Het Voorzitterschap benadrukte het belang van de betrokkenheid van sociale partners in dit kader en gaf aan dat hij met sociale partners had gesproken over hun betrokkenheid terzake.
Het komende Britse voorzitterschap gaf aan dat het met voortvarendheid dit onderwerp ter hand wilde nemen. De lidstaten werd verzocht om medio april 1998 hun nationale actieplannen gereed te hebben, zodat die daarna door de Europese Raad in Cardiff kunnen worden besproken.
Door diverse lidstaten werd het belang benadrukt van coherentie tussen de werkgelegenheidsrichtsnoeren en de richtsnoeren inzake werkgelegenheidssteun in het kader van de staatssteunbepalingen. Bewaakt moet worden dat zuivere werkgelegenheidsmaatregelen niet in de verdrukking komen. De Commissie moet hiertoe duidelijke grenzen aangeven.
De Commissie erkende het belang hiervan en zou over dit punt nadenken in de context van het Verdrag en de Verordening inzake staatssteun.
Het komende Britse voorzitterschap gaf aan het belang van dit onderwerp te erkennen. Het dossier staatssteun wordt behandeld in de Industrieraad van 7 mei 1998.
3. Ontwerpbesluit voor activiteiten op het terrein van analyse, onderzoek en samenwerking op het terrein van werkgelegenheid en arbeidsmarkt (Essen programma)
De Raad kon na een zeer korte beraadslaging akkoord gaan met het compromis van het Voorzitterschap om 30 Mecu beschikbaar te stellen voor een 3-jarig onderzoeksprogramma. De op basis van dit besluit in gang te zetten activiteiten zijn met name gericht op de uitwisseling van informatie en het verrichten van (langere termijn) onderzoek.
De Raad en de Commissie verklaarden dat bij benchmarking rekening zal worden gehouden met de specifieke vertrekposities van de diverse lidstaten.
4. Richtlijn Informatie, raadpleging en medezeggenschap van werknemers in het kader van het Statuut van de Europese Vennootschap
De Voorzitter gaf een korte introductie waarin werd benadrukt dat bij dit dossier nu vooral van belang is dat het momentum niet verloren gaat.
De Commissie gaf vervolgens aan dat er over twee belangrijke punten overeenstemming bestaat: de lidstaten willen een Europese Vennootschap en de lidstaten willen daarbij de informatie en consultatie van werknemers regelen. De prioriteit moet nu uitgaan naar de wijze waarop vorm wordt gegeven aan de onderhandelingsstructuur.
Het debat bleef – op verzoek van de Voorzitter – beperkt tot de grootste knelpunten. Diverse lidstaten waaronder Nederland kunnen op hoofdlijnen de door het Voorzitterschap voorgestelde lijn ondersteunen. Nederland gaf daarbij aan dat het Nederlandse regime evenwichtig, werkbaar en ook in internationale context bruikbaar is. Andere lidstaten kampten duidelijk nog met knelpunten, met name op nationaal terrein. Het Voorzitterschap concludeerde dat er nog geen overeenstemming kon worden bereikt.
Het komende Britse voorzitterschap gaf aan de werkzaamheden op dit dossier voort te willen zetten en riep de lidstaten op om een positieve en constructieve bijdrage te leveren. Benadrukt daarbij werd dat het voorstel de goede kant op gaat. Bij het zoeken naar een oplossing voor dit dossier zal rekening moeten worden gehouden met de bestaande tradities in de hele Gemeenschap. Het Britse voorzitterschap uitte de wil om tijdens zijn voorzitterschap tot een akkoord te komen.
5. Uitbreiding van de werkingssfeer van Verordening 1408/71 tot alle verzekerde personen (ambtenaren, studenten, niet actieven).
Het Voorzitterschap schetste de Raad de stand van zaken met betrekking tot de onderhandelingen over dit voorstel. Aangegeven werd dat vooral technische problemen ervoor hebben gezorgd dat de onderhandelingen nog niet zijn afgerond. Uitgezonderd één lidstaat erkennen alle lidstaten het belang van een akkoord op dit dossier, dat ertoe zal leiden dat het vrij verkeer van personen nog minder belemmeringen ondervindt.
Commissaris Flynn bedankte Nederland en Luxemburg voor hun inspanningen om dit dossier tot een succes te brengen, maar moest tot zijn spijt constateren dat enkele punten nog oplossing behoefden. Hij verzocht het komende Britse voorzitterschap dit dossier voort te zetten. Het Britse voorzitterschap gaf daarop aan dit dossier voort te zetten en zo mogelijk te willen afronden.
6. Witboek over de van de richtlijn betreffende de arbeidstijd uitgesloten sectoren
Aan de hand van vragen van het Voorzitterschap vond een oriënterend debat plaats. Door diverse lidstaten werd aangegeven dat het onaanvaardbaar is dat 3,5 miljoen werknemers nog niet onder de richtlijn betreffende arbeidstijd vallen. De meeste lidstaten spraken zich dan ook uit voor het zoveel als mogelijk toepassen van dezelfde regels voor de nu uitgesloten sectoren. Daarbij werd door bijna alle lidstaten aangegeven dat hun voorkeur uitging naar een gedifferentieerde aanpak per sector. Enkele lidstaten wilden een uitzondering maken voor mobiel personeel in de vervoersector, terwijl één lidstaat de gehele vervoersector wilde blijven uitzonderen.
Ook Nederland heeft aangegeven voorstander te zijn van uitbreiding van de minimumvoorschriften van de arbeidstijdenrichtlijn tot de tot nog toe daarvan uitgesloten sectoren en geeft de voorkeur aan een gedifferentieerde benadering.
Het Voorzitterschap concludeerde dat de lidstaten voor een groot deel op één lijn zaten, hetgeen een goed uitgangspunt vormt voor een oplossing voor deze problematiek in de toekomst.
Commissaris Flynn kondigde aan binnenkort met een voorstel te komen.
7. Voorstel voor een Richtlijn van de Raad betreffende de verdeling van de bewijslast op het gebied van de gelijke beloning voor en de gelijke behandeling van vrouwen en mannen
De Raad besloot unaniem om het in de Raad van juni bereikte gemeenschappelijk standpunt te bekrachtigen. Het Voorzitterschap constateerde met vreugde deze overeenstemming, omdat met dit dossier toch een belangrijke stap vooruit is gezet op het terrein van het tegengaan van discriminatie op grond van geslacht. Deze conclusie werd door verschillende lidstaten gedeeld.
Commissaris Flynn gaf blijk van enige teleurstelling over het feit dat de Commissievoorstellen inzake de definitie van indirecte discriminatie en het toepassingsgebied van de richtlijn (met name de richtlijnen 86/613/EEG van de Raad met betrekking tot zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot bescherming van het moederschap, 79/7/EEG van de Raad met betrekking tot de sociale zekerheid en Richtlijn 86/378/EEG van de Raad met betrekking tot ondernemings- en sectorale regelingen inzake sociale zekerheid niet waren overgenomen, maar was toch verheugd met dit akkoord.
8. Follow up VN-Vrouwenconferentie Peking
De Raad maakte de jaarlijkse balans op van de follow-up van de Conferentie van Peking, met als doel de nationale en Europese strategieën terzake te bestuderen. De Raad debatteerde naar aanleiding van een drietal door het Luxemburgs Voorzitterschap opgeworpen onderwerpen:
1) het mainstreamen van het nationale beleid van de lidstaten (ontwikkeling van instrumenten: monitoren nieuwe stijl en emancipatie-effect rapportage);
2) beste praktijken inzake positieve acties in de lidstaten;
3) maatregelen van de lidstaten ter bestrijding van geweld tegen vrouwen.
Alle lidstaten noemden in hun interventies op deze drie terreinen nationale voorbeelden van beleid en voornemens daartoe.
De Voorzitter vermeldde dat het EP 1999 wil uitroepen tot Europees jaar tegen het geweld jegens vrouwen.
Commissaris Flynn ging kort in op de recente Hof-uitspraak in de zaak Marschall, die betrekking heeft op gelijke kansen voor vrouwen en mannen en een vervolg-uitspraak op het Kalanke-arrest is. Flynn gaf aan verheugd te zijn over de duidelijkheid die het Hof met het Marschall-arrest heeft gecreëerd met betrekking tot voorkeursbehandeling van vrouwen op de arbeidsmarkt.
b. Vrij verkeer van werknemers
Commissaris Flynn gaf een korte toelichting op een drietal voorstellen van de Commissie en onderstreepte het belang van deze voorstellen voor het bevorderen van vrij verkeer van werknemers:
– het actieplan voor het vrije verkeer van werknemers;
– de follow-up van de werkzaamheden in de groep-Veil. Deze groep heeft zich beziggehouden met aanvullende pensioenen in verband met het vrije verkeer van werknemers;
– het voorstel inzake de aanpassing van Verordening 1408 in verband met de uitbreiding van de werkingssfeer met «derde landers».
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-78.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.