Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 21501-18 nr. 77 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 21501-18 nr. 77 |
Vastgesteld 18 december 1997
De algemene commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben op 11 december 1997 overleg gevoerd met minister Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de geannoteerde agenda van de Sociale Raad van maandag 15 december 1997.
Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Adelmund (PvdA) benadrukte het belang van de richtlijn deeltijdarbeid. De richtlijn gaat over het op het gebied van de arbeidsvoorwaarden gelijkstellen van deeltijdarbeid. Haar vraag was of nu ook snel afspraken worden gemaakt over een gelijkstelling van de deeltijdarbeid op het punt van de sociale zekerheid. Neemt de minister het initiatief om dit tot stand te brengen? Voorts wees zij erop dat het ontwerpen van de richtlijn een belangrijk onderdeel moet zijn van het sociale actieprogramma van de Europese Commissie. Zij vroeg of dat programma er komt en, zo ja, wat daarvan de ingrediënten zijn. Ook hoorde zij graag nog of met deze richtlijn het zogenaamde «atypische werk» is behandeld dan wel of hiervoor nog andere activiteiten te verwachten zijn. Daarnaast informeerde zij ernaar of thans snel tot ratificatie van de ILO-conventie over deeltijd kan worden overgegaan. Naar haar mening zijn daarvoor geen beletselen meer aanwezig.
Vervolgens vernam zij graag het algemene oordeel van de minister over de resultaten van de werkgelegenheidstop te Luxemburg. Is hiermee een basis gelegd voor een Europese bestrijding van de werkloosheid? Komt er een nationaal actieplan en, zo ja, wanneer? Zij was er benieuwd naar op welke richtsnoeren de minister zich zal richten en op welke terreinen hij zich wenst te meten met de drie beste lidstaten. Zo leek de ontwikkeling van de kinderopvang haar bij uitstek een zaak om in het actieprogramma op te nemen, zodat Nederland met streefcijfers kan aangeven op welke wijze het de prestatie van de drie beste lidstaten (Finland, Denemarken en Zweden) wenst te evenaren. In dat kader vroeg zij ook naar de rol van de sociale partners. Daarnaast informeerde zij nog naar de gezamenlijke inbreng van de ministers Zalm, Wijers en Melkert ten aanzien van de «broad economic guidelines».
Tevens stelde zij de vraag aan de orde of Nederland thans kan starten met een experiment voor invoering van het lage BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten, bijvoorbeeld in het kader van het aangekondigde onderzoek op dit punt.
Mevrouw Adelmund vond het, gezien de lange voorgeschiedenis van een en ander, opmerkelijk dat er nu een duidelijk voorstel ligt ten aanzien van de richtlijn informatie, raadpleging, medezeggenschap van werknemers in het kader van het statuut van de Europese vennootschap. Zij kon daarmee instemmen en sprak de hoop uit dat de politieke blokkades in dit opzicht nu zijn weggenomen. Hoe groot is de kans dat hierover een politiek akkoord wordt bereikt? Ook vroeg zij of er meer garanties voor werkelijk serieuze onderhandelingen kunnen worden ingebouwd, zodat men niet te snel terugvalt op de referentiebepalingen. In dat kader wenste zij dat de besluitvorming met tweederde meerderheid in de bijzondere onderhandelingsgroep (BOG) ook van toepassing is op afspraken over de medezeggenschap.
Mevrouw Schimmel (D66) waardeerde het dat bij de richtlijn deeltijdarbeid sprake is van minimumvoorschriften, zodat het lidstaten vrijstaat om gunstiger bepalingen te handhaven of in te voeren. Wel maakte zij een kanttekening bij de clausule 4.4 uit de overeenkomst van de sociale partners, waarin staat dat er objectieve redenen kunnen zijn op grond waarvan van de bepalingen kan worden afgeweken. Zij vroeg wat daaronder moet worden verstaan. Het was voor haar zelfs de vraag of deze vergaande clausule überhaupt wel met de richtlijn deeltijdarbeid spoort.
Zij was redelijk tevreden over de uitkomst van de werkgelegenheidstop te Luxemburg als zijnde een eerste stap naar kwalitatieve sociale convergentiecriteria. Wel wenste zij nog te vernemen in hoeverre de lidstaten kunnen «shoppen» tussen de negentien werkgelegenheidsrichtsnoeren. Gaat het om een totaalprogramma, of is het voldoende om op een aantal punten te rapporteren? Op zichzelf vond zij het uitstekend dat de regeringsleiders zich elke decembermaand over de rapportages van de lidstaten zullen buigen. Zij sloot zich aan bij de vraag over het lagere BTW-tarief.
Mevrouw Schimmel was, wat de richtlijn inzake de informatie, raadpleging en medezeggenschap van werknemers in het kader van het statuut van de Europese vennootschap betreft, niet zo tevreden over het voorstel dat de BOG met absolute meerderheid kan besluiten om geen afspraken te maken over medezeggenschap, met als gevolg dat bij het spaak lopen van de onderhandelingen geen beroep kan worden gedaan op de referentiebepalingen inzake medezeggenschap. Dat betekent namelijk dat er geen terugvalpositie is bij het spaak lopen van de onderhandelingen.
Zij herinnerde aan haar al eerder geuite twijfels over de consequenties voor de Nederlandse wetgeving van de richtlijn inzake de verdeling van de bewijslast op het gebied van de gelijke beloning voor en de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. In de richtlijn is sprake van een gedeelde bewijslast, terwijl in de Nederlandse wetgeving een omkering van de bewijslast plaatsvindt. In dat opzicht zou de richtlijn voor Nederland dan ook een verslechtering kunnen inhouden.
Mevrouw Visser-van Doorn (CDA) vroeg hoe in de overeenkomst van de Europese sociale partners invulling wordt gegeven aan het doel van de richtlijn deeltijdarbeid, namelijk om een algemeen kader in het leven te roepen voor het opheffen van discriminatie van deeltijdwerkers en deeltijdarbeid. Tevens wenste zij te vernemen of de Nederlandse wetgeving al aan alle verplichtingen uit deze richtlijn voldoet.
Zij vond het positief dat op de werkgelegenheidstop overeenstemming is bereikt over de negentien werkgelegenheidsrichtsnoeren. Zij betreurde het echter dat niet is gesproken over een harmonisatie van de werkloosheidscijfers, want is het voor de onderlinge vergelijkbaarheid van groot belang dat de lidstaten hierbij van dezelfde definities uitgaan. Wordt nog een poging gedaan om tot harmonisatie te komen? Ook vroeg zij wanneer het onderzoek naar de verlaging van het BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten zal zijn afgerond.
Vervolgens vroeg mevrouw Visser of de Nederlandse regering inderdaad zonder meer met alle elementen uit de richtlijn inzake informatie, raadpleging en medezeggenschap akkoord gaat.
Ook wenste zij te vernemen in welke zin het voorstel voor de richtlijn inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen is gewijzigd.
Tot slot bracht zij naar voren benieuwd te zijn naar de uitkomsten van het debat over de follow-up van de VN-vrouwenconferentie te Peking. Zij ging ervan uit dat daarbij ook expliciet wordt gesproken over maatregelen tegen de vrouwenhandel.
De heer Klein Molekamp (VVD) vroeg wat de minister precies onder de werkgelegenheidsrichtsnoeren verstaat. Zo vond hij het niet nodig om Europa als alibi aan te voeren voor maatregelen op het gebied van de kinderopvang. Deze discussie moet Nederland op eigen kracht kunnen voeren. Hij achtte een verlaging van de BTW op arbeidsintensieve diensten van groot belang, juist ook met het oog op het creëren van werkgelegenheid in de dienstverlenende sector. Het is dan ook te betreuren dat Europa in dezen een remmende werking heeft. Wat is de rol van de Sociale Raad op dit punt?
Hij constateerde voorts dat het besluit voor activiteiten op het terrein van analyse, onderzoek en samenwerking inzake werkgelegenheid en arbeidsmarkt vooralsnog op verzet van Duitsland stuit. Zijn vraag was of dit probleem inmiddels is verholpen. Hij kon zich vinden in het standpunt van het kabinet, dat het voorgestelde budget van 60 mln. ecu te hoog is. Aan welk lager bedrag denkt de minister dan? Wat is zijn opstelling als de overige lidstaten in de Sociale Raad toch aan de 60 mln. ecu vasthouden?
Ingaande op het witboek over de van de richtlijn betreffende de arbeidstijd uitgesloten sectoren, attendeerde de heer Klein Molekamp erop dat Nederland thans al een meer uitgewerkte wetgeving op dit punt kent. Wat zijn de gevolgen van de richtlijn voor de Nederlandse Arbeidstijdenwet? Komen daardoor nog meer sectoren in de knel dan nu al het geval is?
Tot slot wees hij erop dat in conclusie nr. 27 van de werkgelegenheidstop te Luxemburg wordt gesteld dat concurrentievervalsing te allen tijde moet worden voorkomen. In dat kader herinnerde hij aan de problemen in de scheepsbouw als gevolg van de concurrentievervalsing door de Duitse staatssteun terzake. De vraag is dan ook hoe de Sociale Raad hiermee omgaat en welke sancties er op staatssteun mogelijk zijn.
Uit conclusie nr. 34 maakte hij op dat de structuurfondsen eigenlijk alleen mogen worden aangewend voor het wegwerken van ontwikkelingsachterstanden in bepaalde regio's. Hij vroeg wat de gevolgen hiervan zijn voor de Nederlandse situatie en naar de opstelling van de minister in dezen. Wat hem betreft, zouden deze structuurfondsen beter kunnen worden afgebouwd. Zolang zij echter nog bestaan, moet ook worden gepoogd om hieruit voor Nederland iets binnen te halen.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wees erop dat het Europees Parlement in het kader van de richtlijn deeltijdarbeid ook een regeling met betrekking tot sociale zekerheid wenste. De Europese Commissie heeft gezegd dat in overweging te willen nemen. Het zou hem dan ook niet verbazen als dit punt in de volgende aanpassing van het vigerende sociale actieprogramma wordt opgenomen. Op zichzelf vond hij het logisch dat een gelijke behandeling op het punt van de arbeidsduur niet los wordt gezien van condities in het kader van sociale zekerheid. Het gelijktrekken van uitgangspunten op het gebied van de sociale zekerheid ligt op Europees niveau evenwel altijd een slag gevoeliger. Overigens is op Nederlands initiatief de terminologie «atypische arbeid» uit de conclusies van de werkgelegenheidstop verdwenen. Hij deelde mede dat het ter ratificatie aanbieden aan de Staten-Generaal van de ILO-conventie over deeltijd thans wordt voorbereid, waartoe onder andere een consultatie met de sociale partners plaatsvindt.
Vervolgens gaf hij aan dat de Europese Commissie niet is ingegaan op wat met clausule 4.4 uit de overeenkomst van sociale partners wordt bedoeld. In de praktijk zal dan ook moeten blijken wat onder «objectieve redenen» moet worden verstaan. Hij zegde toe nog eens te zullen bezien wat de consequenties van deze clausule voor de richtlijn en ook voor de Nederlandse wetgeving inzake de gelijke behandeling van deeltijdarbeid zijn. In het verslag van de Sociale Raad zal op de uitkomst hiervan worden ingegaan, ook omdat dit punt eventueel in de Raad zelf aan de orde zal worden gesteld.
Tevens verklaarde hij niet de indruk te hebben dat de Nederlandse wetgeving over deeltijdarbeid als het ware door de richtlijn wordt ingehaald. Het tegendeel was meer het geval. Het belang van de richtlijn is met name gelegen in het verbeteren van de gelijke uitgangspositie van arbeidsmarkt en economie in de diverse lidstaten. Daarom juichte Nederland de totstandkoming van de richtlijn toe.
Op zichzelf was hij niet ontevreden over het resultaat van de werkgelegenheidstop te Luxemburg. Allerwegen werd namelijk erkend dat de vroegere vrijblijvendheid van EU-verklaringen op dit punt met de totstandkoming van het werkgelegenheidsparagraaf uit het Verdrag van Amsterdam voorgoed is doorbroken. De top van Luxemburg heeft zelfs uitgesproken dat dit deel van het verdrag materieel al in werking wordt gezet, nog voordat het in de ratificatieprocedures in de lidstaten is bekrachtigd. In het najaarsoverleg is afgesproken dat een tripartiete werkgroep met de sociale partners wordt ingesteld ter voorbereiding van een nationaal actieprogramma. Het is voor de lidstaten niet mogelijk om uit de negentien werkgelegenheidsrichtsnoeren te «shoppen»; de lidstaten dienen op al die punten in hun rapportages terug te komen. Kernpunt is immers dat het werkgelegenheidsbeleid zich over een groot aantal terreinen uitstrekt. De Nederlandse inbreng in dezen, in casu de samenwerking tussen Financiën, Economische Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zal worden gecontinueerd.
Hij wees erop dat de richtsnoeren alleen bindend zijn voorzover het commitment in het Verdrag van Amsterdam daartoe strekt. Dan gaat het om de onderkende wenselijkheid en noodzaak van coördinatie tussen de lidstaten van wat overigens nationaal beleid blijft. Evident is dat bij het vorderen van die coördinatie een proces van convergentie totstandkomt. De materiële betekenis van de richtsnoeren is dan ook heel groot. De komende jaren zal ook blijken dat lidstaten ten aanzien van de inzet van het werkgelegenheidsbeleid naar elkaar toe wensen te groeien.
Vervolgens bracht hij naar voren dat de handhaving van het BTW-thema in de richtsnoeren voor de poorten van de hel is weggesleept. Veel lidstaten hebben hier zo hun aarzelingen over, omdat ook een facultatieve verlaging snel tot druk op andere lidstaten zal leiden om eenzelfde beweging te maken. Daarnaast speelt de afbakeningsproblematiek een rol. Ook tendeert het belastingdebat in Europa meer naar het proberen bewerkstelligen van harmonisatie dan naar het creëren van meer nationale ruimte. Nederland is overigens van mening dat de verlaging van het BTW-tarief aan dit streven niet behoeft af te doen.
De in Luxemburg overeengekomen formulering over de BTW houdt in dat de Ecofin-raad zich zal buigen over de voorstellen van commissaris Monti op dit punt. In dat kader zal een mogelijke concretisering aan de orde kunnen zijn. De afspraken in Luxemburg houden evenwel niet in dat al in dit stadium zonder meer met een experiment kan worden begonnen, ook niet in het kader van het genoemde onderzoek. Mocht de Ecofin-raad daartoe echter wel ruimte bieden, dan zal Nederland daarvan zeker gebruik maken. Dat past namelijk goed in het ook in Luxemburg afgesproken streven om de belastingdruk op arbeid te verminderen. Desgevraagd bevestigde hij dat dit onderwerp weer aan de orde kan komen op de volgende top over het werkgelegenheidsbeleid, aangezien dit punt in de conclusies van de top te Luxemburg is blijven staan. Dit betekent ook dat de Europese Commissie thans moet verkennen of indiceren welke ruimte voor onderzoek en experimenten bestaat. Overigens sloot hij bepaald niet uit dat een experiment op dit terrein nuttig kan zijn om een verantwoord onderzoeksresultaat te kunnen presenteren.
Hij was niet erg optimistisch met betrekking tot de kans op overeenstemming over de door het voorzitterschap voorgestelde lijn inzake de richtlijn informatie, raadpleging en medezeggenschap. De nationale praktijken en inzichten van de lidstaten liggen op dit gebied namelijk ver uiteen. In die zin was het al een prestatie dat de werkgroep-Davignon tot aanbevelingen is gekomen, waarop het voorzitterschap zich thans baseert. Met het oog daarop steunt Nederland de voorstellen dan ook ten volle. Het alternatief is namelijk dat bij dit dossier opnieuw lethargie en blokkades zullen optreden, hetgeen slecht is voor de interne markt en voor het verder vervolmaken van het issue van informatie, raadpleging en medezeggenschap in Europa.
Ingaande op de vragen over de onderhandelingsvrijheid, het onderhandelingskader en de referentievoorschriften, wees hij erop dat aan de sociale partners in de BOG een cruciale rol wordt toegekend. Het is dan niet logisch om deze sociale partners de mogelijkheid van een nuloplossing te ontzeggen. Overigens is het tamelijk onwaarschijnlijk dat de sociale partners daartoe zullen besluiten. Het aangeven dat de onderhandelingen sowieso niet in een nuloplossing mogen uitmonden, brengt bovendien met zich dat dan ook criteria moeten worden vastgesteld waaraan de onderhandelingsuitkomst moet voldoen. Dat is dan ook in strijd met de cruciale rol die in dezen aan de sociale partners is toegekend. Vanwege het risico van deze «catch 22-situatie» heeft Nederland dan ook met deze bepalingen ingestemd. Daarnaast vond de minister het ook uit politiek-strategisch oogpunt ongewenst om te gaan tornen aan de besluitvormingsbepalingen, aangezien deze bepalingen in het midden liggen van de verschillende lijnen die in de discussie zijn getrokken. Als aan deze bepalingen wordt getornd, bestaat het risico dat het hele kaartenhuis in elkaar zakt.
Ook bracht hij nog onder de aandacht dat Eurostat de afgelopen jaren al een grote verbeteringsslag heeft gemaakt ten aanzien van het hanteren van gelijke definities in de statistieken. De Europese Commissie heeft in dat kader ook een aantal opdrachten uitgevaardigd, opdat de cijfers uit de verschillende lidstaten met elkaar kunnen worden vergeleken. Hierbij wordt in Brussel dus wel degelijk voortgang bereikt, hoewel een en ander niet meteen tot een op alle punten bevredigende uitkomst zal leiden.
Verder deelde hij mede dat in het richtlijnvoorstel inzake de verdeling van de bewijslast geen substantiële wijzigingen zijn aangebracht.
De minister gaf voorts aan dat in de follow-up van de VN-vrouwenconferentie te Peking wel degelijk ook wordt ingegaan op maatregelen tegen vrouwenhandel, aangezien Luxemburg zich in dezen ook baseert op wat met de verklaring van Den Haag onder het Nederlands voorzitterschap tot stand is gebracht.
Hij had niet de indruk dat overeenstemming over het Essenprogramma zal zijn te bereiken. Er zijn namelijk nog geen aanwijzingen dat Duitsland zijn standpunt in dezen heeft veranderd. Nederland vond het budget van 60 mln. ecu inderdaad aan de hoge kant. Het zou mooi zijn als men iets boven de helft daarvan uitkwam. Er zit overigens nog wel een zekere speelruimte in, die ook moet worden benut om tot overeenstemming te komen. Het is namelijk een slecht signaal als de uitvoering van dit programma geblokkeerd blijft, zeker na de resultaten die ten aanzien van het werkgelegenheidsbeleid in Amsterdam en Luxemburg zijn bereikt.
Ten aanzien van de richtlijn inzake de arbeidstijden gaf de minister aan dat Nederland alle sectoren, ook de nu nog uitgesloten sectoren, onder dit regime wenst te brengen, mits in de Europese en nationale vertaling daarvan een gedifferentieerde aanpak mogelijk blijft. Dat is dan analoog aan de Nederlandse Arbeidstijdenwet, waarbij in het Arbeidstijdenbesluit voor een aantal specifieke sectoren specifieke regelingen zijn getroffen. Desgevraagd gaf hij aan dat de bureaucratie door de richtlijn niet onevenredig zal toenemen, althans in relatie tot het doel om de interne markt te bevorderen. Zonder regelgeving kan de vrije markt niet adequaat opereren.
Ook maakte hij duidelijk dat hij liever een minder dubbelzinnige conclusie had gezien dan hetgeen in conclusie nr. 27 van de werkgelegenheidstop te Luxemburg is verwoord. Hij was ook van opvatting dat juist Duitsland en enkele andere lidstaten veel meer moeten worden bewogen tot het reduceren van de staatssteun. De onderhavige conclusie kan worden gelezen als een pleidooi voor beperking van de staatssteun, maar kan ook als een alibi worden gezien om wel met staatssteun door te gaan of die zelfs te intensiveren. Dat laatste is zeker niet in het Nederlands belang. Hij zegde dan ook toe om op dit punt zeker alert te blijven.
Tot slot duidde hij aan dat Nederland kritisch is op de bestedingen uit de structuurfondsen, bedoeld ter ondersteuning van de werkgelegenheid. Het rondpompen van geld naar rijkere lidstaten dient niet het Nederlands belang. In de conclusie wordt overigens niet van het afbouwen van de structuurfondsen gesproken. De fondsen spelen immers ook een cruciale rol bij de interne cohesie in de Europese Unie, zeker met de nieuwe toetreders.
Samenstelling: Leden: Van der Linden (CDA), Blauw (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Weisglas (VVD), Terpstra (CDA), Verspaget (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Ter Veer (D66), voorzitter, Ybema (D66), Van Middelkoop (GPV), Leers (CDA), Sipkes (GroenLinks), Woltjer (PvdA), ondervoorzitter, Hendriks, Gabor (CDA), Voûte-Droste (VVD), Schuurman (CD), Hessing (VVD), Van den Bos (D66), Van Oven (PvdA), Hoogervorst (VVD), Rouvoet (RPF), Van Waning (D66), Rehwinkel (PvdA), Koenders (PvdA).
Plv. leden: Bukman (CDA), Te Veldhuis (VVD), Blaauw (VVD), Verhagen (CDA), Van der Ploeg (PvdA), Hillen (CDA), Koekkoek (CDA), Wessels (D66), Van den Berg (SGP), Van der Hoeven (CDA), M. B. Vos (GroenLinks), Witteveen-Hevinga (PvdA), Meyer (groep-Nijpels), G. de Jong (CDA), O. P. G. Vos (VVD), Poppe (SP), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Roethof (D66), Crone (PvdA), Verbugt (VVD), Leerkes (Unie 55+), Hoekema (D66), Lilipaly (PvdA), Adelmund (PvdA).
Samenstelling: Leden: Wolters (CDA), voorzitter, Van Nieuwenhoven (PvdA), Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Meyer (groep-Nijpels).
Plv. leden: Terpstra (CDA), Oudkerk (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Mulder-van Dam (CDA), A. de Jong (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), G. de Jong (CDA), Dijksma (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Apostolou (PvdA), Heeringa (CDA), Van Boxtel (D66), J. M. de Vries (VVD), B. M. de Vries (VVD), Leerkes (Unie 55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD), Hoogervorst (VVD), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-77.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.