21 501-18
Sociale Raad

nr. 75
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 4 december 1997

Bijgaand doe ik u de geannoteerde agenda toekomen voor de Sociale Raad op 15 december a.s. in Brussel.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert

Geannoteerde agenda van de Sociale Raad van 15 december 1997

De volgende onderwerpen zullen op de Sociale Raad aan de orde komen:

1. Richtlijn deeltijdarbeid

Op de Sociale Raad ligt ter besluitvorming voor het voorstel waarmee de door Europese sociale partners afgesloten overeenkomst tot een richtlijn van de Raad wordt gemaakt. Het doel van deze richtlijn is om een algemeen kader in het leven te roepen voor het opheffen van discriminatie van deeltijdwerkers en deeltijdarbeid op een voor werknemers en werkgevers aanvaardbare wijze.

De richtlijn is gebaseerd op artikel 4 lid 2 van de Overeenkomst betreffende de sociale politiek. Dit wil zeggen dat besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid plaatsvindt.

Door de Commissie is het voorstel – hoewel daartoe formeel geen verplichting bestaat – voorgelegd aan het Europese Parlement. Dit heeft nog geen officieel advies uitgebracht. Hoewel het EP de voorkeur gaf aan een richtlijn met een ruimere werkingssfeer lijkt het toch geen grote problemen te hebben met de door sociale partners gekozen benadering.

Dit positieve oordeel wordt gedeeld door de lidstaten, die met de inhoud van het voorstel kunnen instemmen. Dit geldt ook voor het VK dat aan de beraadslagingen heeft deelgenomen. Ook de vorm die de Commissie aan haar voorstel heeft gegeven (een zeer korte richtlijn met als bijlage de tekst van de overeenkomst van sociale partners) kan op de instemming van de lidstaten rekenen. Nederland kan eveneens met de tekst akkoord gaan.De Nederlandse wetgeving bevat reeds bepalingen die stroken met de verplichtingen die uit de richtlijn zullen voortvloeien.

2. Werkgelegenheidsrichtsnoeren

Op de Europese Raad van 21 november jl. is het principebesluit tot aanvaarding van Europese werkgelegenheidsrichtsnoeren genomen. Deze zullen formeel op basis van een voorstel van de Commissie worden vastgesteld door de Sociale Raad. De conclusies zijn reeds toegezonden bij het verslag van de Europese Top.

Het Commissievoorstel voor een resolutie over de werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 1998 bevat letterlijk de negentien richtsnoeren zoals neergelegd in de conclusies van de Europese Raad. De resolutie parafraseert voorts de ER-conclusies met betrekking tot de procedure (gebaseerd op artikel 128 EU-Verdrag) inzake de monitoring van de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren.

De Lidstaten worden verzocht voor de Europese Raad van Cardiff (juni 1998) hun eerste (jaarlijkse) nationale actieplan in te dienen bij Raad en Commissie met het daarbij behorende implementatierapport. Vervolgens dienen de Lidstaten jaarlijks te rapporteren over de belangrijkste maatregelen op het terrein van werkgelegenheidsbeleid, in het licht van de richtsnoeren. Dit met het oog op het gezamenlijk verslag van de Raad en Commissie aan de Europese Raad van december.

Het meest in het oog springende richtsnoer is er één uit de pijler van de «employability». Hierin is onder meer vastgelegd dat Lidstaten binnen vijf jaar (of langer indien de Lidstaat een buitengewoon hoge werkloosheid kent) elke werkloze jongere binnen zes maanden en volwassen werklozen een nieuwe start bieden (opleiding, omscholing, werkervaring, of andere maatregelen).

Een ander richtsnoer betreft het geleidelijk verhogen van het aantal werklozen aan wie een opleiding, of andere, gelijksoortige maatregel wordt aangeboden, in de richting van het streefcijfer van 20%.

Nederland heeft steeds gepleit voor het creëren van mogelijkheden binnen de Unie tot facultatieve verlaging van het BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten. Ondanks aanvankelijke weerstand bij andere lidstaten is Nederland erin geslaagd dit thema in de richtsnoeren te handhaven, door middel van een opening voor het nader onderzoeken (door de Lidstaten) van de opportuniteit van een verlaging van het BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten, inclusief de reikwijdte daarvan.

3. Ontwerpbesluit voor activiteiten op het terrein van analyse, onderzoek en samenwerking op het terrein van werkgelegenheid en arbeidsmarkt (Essen programma)

Nadat besluitvorming van de Sociale Raad over het ontwerpbesluit zowel op 7 oktober jl. als op 6 november jl. is aangehouden tracht het voorzitterschap nu dit dossier op de Sociale Raad van 15 december af te ronden.

Met dit voorstel herneemt de Europese Commissie een initiatief uit het verleden, toen zij een voorstel voor een Europees programma over deze materie indiende, en plaatst het nu in het kader van het werkgelegenheidshoofdstuk van het Verdrag van Amsterdam. De op basis van dit besluit in gang te zetten activiteiten zijn met name gericht op de uitwisseling van informatie en het verrichten van (langere termijn) onderzoek.

Het oorspronkelijke voorstel was destijds voor Nederland al acceptabel, maar stuitte in de Sociale Raad op blijvend verzet van Duitsland, dat het afwees wegens het ontbreken van een adequate rechtsgrondslag.

Nederland kan ook met het nu voorliggende voorstel instemmen, zij het dat het nu voorgestelde budget te hoog is. Hierin staan we overigens niet alleen. Verwacht wordt dat het Voorzitterschap een voorstel zal doen voor een substantieel lager bedrag dan de nu voorgestelde 60 MECU. Of dit de nog aarzelende lidstaten daadwerkelijke over de streep zal kunnen trekken is op dit moment nog niet duidelijk.

4. Richtlijn Informatie, raadpleging en medezeggenschap van werknemers in het kader van het Statuut van de Europese Vennootschap

Na de discussie tijdens Sociale Raad van 7 oktober jl. is wederom een politieke discussie voorzien die wordt gehouden aan de hand van een door het voorzitterschap opgesteld document. Het voorzitterschap vraagt daarmee steun voor zijn benadering ten aanzien van een aantal cruciale elementen. Het is inderdaad zaak hierover overeenstemming te bereiken alvorens verder kan worden gewerkt aan de afhandeling van het dossier.

De lijn die door het voorzitterschap wordt voorgesteld bevat de volgende elementen:

De situaties waarin een Europese vennootschap (SE) kan worden opgericht.

Er wordt conform de aanbevelingen van de groep Davignon gekozen voor beperking tot drie situaties en wel grensoverschrijdende fusie, de vorming van een gemeenschappelijke holding van bedrijven uit minimaal twee lidstaten of de vorming van een dochter voor bedrijven uit minimaal twee lidstaten.

De systematiek van de richtlijn.

Er wordt gekozen voor het primaat van zelfregulering met gebruikmaking van referentievoorschriften indien een accoord uitblijft, zoals dat ook bij de Euro-OR richtlijn het geval is.

De onderhandelingsvrijheid.

Voorgesteld wordt partijen meer inhoudelijke vrijheid te geven om vorm en wijze van informatie, raadpleging en medezeggenschap van de werknemers van de Europese vennootschap vast te stellen. In procedurele zin wordt voorgesteld dat de bijzondere onderhandelingsgroep (BOG) alleen met een tweederde meerderheid kan besluiten van onderhandelingen af te zien die zouden kunnen leiden tot aanvullende informatie, raadpleging en medezeggenschap van werknemers.

Het onderhandelingskader en de referentievoorschriften.

Voorgesteld wordt dat de BOG met absolute meerderheid kan besluiten om naast informatie en consultatie geen afspraken te maken over medezeggenschap, met als gevolg dat bij het spaak lopen van de onderhandelingen geen beroep kan worden gedaan op de referentiebepalingen inzake medezeggenschap.

De samenstelling van de bijzondere onderhandelingsgroep.

Hiervoor wordt een combinatie voorgesteld van proportionaliteit en een specifieke rol voor communautaire vakbondsorganisaties. Dit is vergelijkbaar met de oplossing die gekozen is voor de Euro-OR richtlijn.

De referentievoorschriften inzake medezeggenschap.

De door het voorzitterschap voorgestelde referentievoorschriften inzake medezeggenschap bestaan hieruit dat aan de vertegenwoordigers van de werknemers van de SE en van haar dochter-ondernemingen en vestigingen het recht wordt toegekend om een vijfde van haar leden van het bestuursorgaan of een derde van de leden van het toezichthoudende orgaan van de SE te kiezen, met een minimum van twee leden.

Nederland kan zich in grote lijnen in het voorliggende schema vinden en is van mening dat een inspanning nodig is om nu een politiek akkoord te bereiken dat kan dienen als fundament voor de formele afhandeling van het dossier.

5. Uitbreiding van richtlijnen tot het Verenigd Koninkrijk

Onder dit agendapunt zijn aan de orde de uitbreiding van de werkingssfeer van twee richtlijnen die onder het Sociaal Protocol tot stand zijn gekomen, voordat het VK daarbij partij was.

Het gaat hierbij om de Europese ondernemingsraad richtlijn (94/45/EG) en de ouderschapsverlof richtlijn (96/34/EG). Voor beide richtlijnen ligt nu een technische aanpassing voor, waarbij met gebruikmaking van artikel 100 (EG-verdrag) het VK onder de werkingssfeer wordt gebracht.

Inhoudelijke aanpassingen van de richtlijnen vinden niet plaats.

Nederland kan instemmen met de voorstellen, die geen gevolgen voor de nationale wetgeving hebben.

6. Uitbreiding van de werkingssfeer van Verordening 1408/71

Onder dit agendapunt is aan de orde een voorstel voor uitbreiding van de personele werkingssfeer van de Verordening (EEG) 1408/71, inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers. Het Voorzitterschap zal rapporteren over de stand van de beraadslagingen.

Het voorstel betreft de uitbreiding van de personele werkingssfeer met studenten, niet-actieven en ambtenaren. Dit voorstel, waarvan Nederland een voorstander is, is tijdens het Nederlandse voorzitterschap in de Administratieve Commissie voor Coördinatievraagstukken gereed gemaakt voor behandeling in raadskader. De betekenis is vooral gelegen in het feit dat de coördinatie van de sociale zekerheid nu ook van toepassing is op studenten, niet-actieven en ambtenaren. Daarmee is weer een belemmering weggenomen voor het vrij verkeer van personen binnen de Unie. In de raadswerkgroep is gebleken dat sommige landen toch nog problemen hebben met bepaalde onderdelen van dit voorstel.

7. Witboek over de van de richtlijn betreffende de arbeidstijd uitgesloten sectoren

Over dit Witboek zal aan de hand van vragen van het Voorzitterschap een algemeen oriënterend debat plaatsvinden.

Het Witboek, dat op de Sociale Raad van 7 oktober jl. is gepresenteerd, heeft betrekking op de arbeidstijden van die groepen die momenteel zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de richtlijn arbeidstijden (93/104/EEG).

Deze uitgesloten sectoren en activiteiten zijn weg-, lucht-, zee- en spoorwegvervoer, de binnenvaart, de zeevisserij, andere activiteiten op zee, alsmede de activiteiten van artsen in opleiding.

Het Witboek bevat geen concrete voorstellen voor regelgeving.

De vragen van het Voorzitterschap hebben betrekking op de mogelijkheid van toepassing van de minimumvoorschriften van de arbeidstijdenrichtlijn op de daarvan uitgesloten sectoren en op de modaliteiten daarvan.

Nederland is voorstander van uitbreiding van de minimumvoorschriften van de arbeidstijdenrichtlijn tot de tot nu toe daarvan uitgesloten sectoren en geeft de voorkeur aan een gedifferentieerde benadering en daarnaast regelingen per sector.

8. Voorstel voor een Richtlijn van de Raad betreffende de verdeling van de bewijslast op het gebied van de gelijke beloning voor en de gelijke behandeling van vrouwen en mannen.

Onder dit agendapunt ligt voor de definitieve besluitvorming (in tweede lezing) over de richtlijn verdeling bewijslast, waarover in juni onder Nederlands voorzitterschap een gemeenschappelijk standpunt is bereikt.

Het voorstel beoogt een grotere doeltreffendheid van de door de lidstaten getroffen maatregelen ter implementatie van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen (verankerd in artikel 119 EG en 5 richtlijnen gelijke behandeling) te bewerkstelligen.

In de praktijk is namelijk gebleken dat in de meeste lidstaten het vaak voor personen, die menen slachtoffer te zijn van onterechte sexe-discriminatie, vaak zeer moeilijk is hun recht te halen omdat het bewijsmateriaal zich meestal in handen van de gedaagde bevindt. Dit in tegenstelling tot civiel rechtelijke zaken waar geldt dat de klager de gegrondheid van zijn/haar klacht moet bewijzen. Het voorstel bepaalt om die reden dat de bewijslast over eiser en gedaagde verdeeld moet worden; de eiser moet aannemelijk maken dat er van sexe-discriminatie sprake is, waarna gedaagde moet bewijzen dat er niet gediscrimineerd heeft, of dat hij daarvoor objectieve redenen heeft.

Op basis van het advies van het Europese Parlement ligt nu een gewijzigd voorstel voor, op basis waarvan definitieve besluitvorming zal plaatsvinden. Het EP heeft in zijn advies aangedrongen op uitbreiding van de werkingssfeer met sociale zekerheidsrichtlijnen en aanpassing van de definitie van indirecte discriminatie.

Gedurende de ambtelijke voorbereiding in de Raadswerkgroep is duidelijk geworden dat het gemeenschappelijk standpunt van juni de beste kansen biedt op een succesvolle afronding van het dossier. Er tekent zich hiervoor een ruime meerderheid af. Ook Nederland is een voorstander van het gemeenschappelijk standpunt.

9. Follow up VN-Vrouwenconferentie Peking

De vierde Wereldvrouwenconferentie van de Verenigde Naties, die in september 1995 in Peking is gehouden, heeft de nadruk gelegd op de uitvoering van toekomstige actie-strategieën ter bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen.

In navolging van de deze conferentie en conform de conclusies van de Europese Raad van Madrid (december 1995) maakt de Raad een jaarlijkse balans op van de follow-up van de Conferentie van Peking, met als doel de nationale en Europese strategieën ter zake te bestuderen.

Het Luxemburgse voorzitterschap heeft besloten tijdens de komende Sociale Raad een debat hierover te houden en wel over de volgende onderwerpen:

1) het mainstreamen van het nationale beleid van de lidstaten (Ontwikkeling van instrumenten: monitoren nieuwe stijl en emancipatie-effect rapportage);

2) beste praktijken inzake positieve acties in de lidstaten;

3) maatregelen van de lidstaten ter bestrijding van geweld tegen vrouwen.

10. Diversen

10a Marschall-arrest

Door de Commissie zal worden ingegaan op de recente Hof-uitspraak in de zaak Marschall. Deze uitspraak heeft betrekking op gelijke kansen voor vrouwen en mannen en is een vervolg-uitspraak op het Kalanke-arrest. Het Hof heeft met het Marschall-arrest duidelijkheid gecreëerd met betrekking tot voorkeursbehandeling van vrouwen op de arbeidsmarkt. Van belang is dat door het arrest wordt bevestigd dat Nederland zijn voorkeursbehandeling kan handhaven.

10b. Vrij verkeer van werknemers

Onder dit agendapunt zal de Commissie een aantal recente initiatieven toelichten. Het gaat hierbij om:

– een aankondiging van een nog in te dienen actieplan voor het vrije verkeer van werknemers;

– de follow-up van de werkzaamheden in de groep Veil. Deze groep heeft zich beziggehouden met aanvullende pensioenen in verband met het vrije verkeer van werknemers;

– het voorstel inzake de aanpassing van Verordening 1408 in verband met de uitbreiding van de werkingssfeer met «derde landers».

Naar boven