21 501-18
Sociale Raad

21 501-07
Ecofin-Raad

nr. 74
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID, VAN FINANCIËN EN VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 19 november 1997

Hierbij doe ik u het verslag toekomen van de gezamenlijke vergadering van de Sociale Raad en de Ecofinraad van 17 november jl. Deze vergadering vond plaats ter voorbereiding van de Werkgelegenheidstop op 21 november a.s.

Bijgaand verslag wordt u toegezonden mede met het oog op het Algemeen Overleg over de werkgelegenheidstop op donderdag 20 november a.s.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert

De Minister van Financiën,

G. Zalm

De Minister van Economische Zaken,

G. J. Wijers

VERSLAG JUMBORAAD MAANDAG 17 NOVEMBER 1997

Maandag 17 november vond een gecombineerde bijeenkomst (Jumboraad) van Sociale Raad en Ecofinraad plaats ter voorbereiding van de Werkgelegenheidstop van 20 en 21 november a.s. Het Luxemburgs voorzitterschap had naar aanleiding van de besprekingen in de Ecofin van 5 november en de Sociale Raad van 6 november jl. een «non-paper» opgesteld, dat tijdens de Jumbo voorlag. Dit non-paper is gebaseerd op het voorstel van de Commissie inzake werkgelegenheidsrichtsnoeren, met dien verstande dat de geconstateerde bezwaren ten aanzien van het Commissievoorstel zoveel mogelijk eruit waren gehaald of waren geherformuleerd. Belangrijkste verschil met het Commissievoorstel is gelegen in het feit dat geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen EU-breed gekwantificeerde richtsnoeren en nationaal in te vullen richtsnoeren. Alle richtsnoeren zouden conform het nieuwe voorstel gegoten moeten worden in nationale actieplannen voor werkgelegenheid waarin voorts moet worden bepaald welke positie de Lidstaten kiezen ten aanzien van de betreffende richtsnoeren.

Hoewel er nog Lidstaten waren die het voorzitterschapspaper afgezwakt vonden ten opzichte van het Commissievoorstel versus Lidstaten die juist het non-paper nog te ver vond gaan, bleek al snel dat uiteindelijk consensus tot de mogelijkheden behoort. Discussiepunten waren het al dan niet kwantificeren van de richtsnoeren op Europees niveau (in het bijzonder een sluitende aanpak van de jeugdwerkloosheid; het aantal maanden waarbinnen werklozen een traject moet worden aangeboden; percentage werklozen dat een opleiding krijgt aangeboden) en de monitoringsmethode. Het voorzitterschap zou deze punten nog in overweging nemen ten behoeve van het uiteindelijke stuk voor de Top.

Ook Nederland bepleitte overeenstemming over het voorzitterschapsvoorstel, dat als realistisch werd gekenschetst. Realistisch omdat het een brug slaat tussen de posities van de verschillende Lidstaten én omdat het nog concreet genoeg is om de Top tot actiegerichte resultaten te laten komen. Nederland vroeg voorts aandacht voor de «sense of urgency» om tot overeenstemming te komen. Gezien het feit dat er een zeer redelijk voorstel op tafel ligt, zou het mogelijk moeten zijn overeenstemming te bereiken. Met betrekking tot de methode is nogmaals gewezen op het feit dat niet integratie maar coördinatie van beleid het doel moet zijn, zoals vastgelegd in het Verdrag van Amsterdam.

Voorts benadrukte Nederland het belang van een stabiel macro-economische kader en van een beleid dat ruimte geeft aan een goed functioneren van markten voor de creatie van duurzame werkgelegenheid in de marktsector.

Specifieke aandacht werd door Nederland gevraagd voor de rol van de sociale partners die in het non-paper een meer beperkte rol toebedeeld hebben gekregen dan in het oorspronkelijke Commissievoorstel. Bepleit werd de bijdrage van de sociale partners aan het werkgelegenheidsproces te benadrukken, mede ter bevordering van een evenwichtige loonkostenontwikkeling.

Met betrekking tot gebruik van de term «atypische» arbeid heeft Nederland gevraagd om dat begrip niet meer te gebruiken, aangezien de arbeidsmarkt van nu en de toekomst steeds meer gekarakteriseerd zal zijn door een grote diversiteit aan contract- en tijdovereenkomsten.

Van Nederlandse zijde zijn tenslotte nog tekstvoorstellen gedaan voor een passage over het vergroten van de beschikbaarheid van risicodragend kapitaal voor startende en doorgroeiende ondernemingen, een punt dat uit de tekst was verdwenen maar wel in het Commissievoorstel is vervat. Ook werd door Nederland het punt van de mogelijkheden voor verlaging van BTW op arbeidsintensieve diensten wederom beklemtoond, vergezeld van het uitspreken van twijfels bij het na drie jaar automatisch aflopen van dit lagere BTW-tarief, zoals vooralsnog voorgesteld door de Commissie.

Tevens vroeg Nederland aandacht voor de relatie tussen werkgelegenheidsmaatregelen van de lidstaten en de EU-regelgeving op het gebied van staatssteun, uitgaande van de noodzaak dat deze binnen de huidige regelgeving plaats dient te vinden.

Met betrekking tot de te volgen monitoringprocedure werd geconcludeerd dat het procedure-artikel (128) uit het nieuwe Werkgelegenheidshoofdstuk als basis zal dienen. Dit betekent dat de nationale actieplannen worden gevolgd en beoordeeld door Raad en Commissie en indien nodig voorzien van een aanbeveling van de Raad. De voorzitter onderstreepte nogmaals het belang van de intensiteit van de monitoringprocedure, waarbij het kernpunt ligt in de zelfverplichting die de Lidstaten zullen aangaan.

Aangezien de aanpak via nationale actieplannen met concrete doelstellingen (inclusief tijdpad) op instemming van alle Lidstaten kon rekenen, lijken er redelijk gunstige perspectieven te bestaan voor het succesvol afronden van de Top.

Naar boven