Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 21501-18 nr. 69 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 21501-18 nr. 69 |
Vastgesteld 8 september 1997
De algemene commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben op 5 juni 1997 overleg gevoerd met minister Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het verslag van de Sociale Raad d.d. 17 april 1997 en de geannoteerde agenda van de Sociale Raad op 12 juni 1997 in Luxemburg.
Van het overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Adelmund (PvdA) ging allereerst in op de werkgelegenheidsparagraaf en zei zich zorgen te maken over de positie die Duitsland thans inneemt. Het zou erg mooi zijn als tijdens de komende top in Amsterdam de grondslag werd gelegd voor een actieve en stimulerende rol van de EU. Is er een relatie tussen het Duitse verzet en de ruimte die het werkgelegenheids- en arbeidscomité straks krijgt? Hopelijk zal de minister niet wijken voor de Duitse druk. Een substantiële werkgelegenheidsparagraaf is voor de fractie van de PvdA in ieder geval van essentieel belang bij de beoordeling van het verdrag.
De kans is groot dat het sociaal protocol onderdeel wordt van het EU-verdrag en dat er op sociaal gebied gelijke minimumvoorwaarden voor alle burgers van de Unie en een einde aan de achterstelling van Britse werknemers komen. Aanvankelijk was het sociaal protocol nogal bescheiden van opzet, juist omdat de EU de Engelsen wilde binnenhalen. Nu dat is gelukt en de samenstelling van de Britse regering is gewijzigd, is wellicht het moment aangebroken voor een iets minder bescheiden opstelling en voor een dienovereenkomstige aanpassing van het protocol. Fundamentele rechten als het recht op vrije vereniging, de vrijheid van onderhandelen en het stakingsrecht horen natuurlijk ook in het sociaal protocol thuis. Ook vanuit economisch oogpunt is dat gewenst want op dit moment hebben enkele landen concurrentievoordelen ten opzichte van Nederland.
De agendapunten 1 t/m 4, 6 en 7 van de agenda van de komende Sociale Raad nam mevrouw Adelmund voor kennisgeving aan. Agendapunt 5 heeft betrekking op het interimrapport over de werkgelegenheid. Het is inderdaad van belang, de belastingstelsel werkgelegenheidsvriendelijker te maken. De tendens is immers nog steeds in de richting van minder belasting op kapitaal en meer op arbeid. Is de minister ook van mening dat deze ontwikkeling moet worden tegengegaan en zal hij initiatieven ondernemen om tot een snellere Europese besluitvorming op het terrein van de belastingharmonisatie te komen? Ziet de minister de oproep aan sociale partners om loonmatiging te continueren enz. als een opstap naar een Europees voorjaars- of najaarsoverleg?
Ingaande op het rapport-Davignon vroeg mevrouw Adelmund welke minimumgaranties er zijn dat bij implementatie van het advies de medezeggenschap niet onder het niveau van de richtlijn inzake de Euro-OR zakt. Kunnen de aanbevelingen voorkomen dat een situatie als bij Renault in Vilvoorde zich bij Europese vennootschappen herhaalt? Wat is er met de sociale partners afgesproken tijdens het overleg op 15 april over de sluiting van de Renaultfabriek in Vilvoorde en komt er naast de door de minister bepleite gedragscode een verduidelijking van de sanctiemogelijkheden?
De heer Van Hoof (VVD) veronderstelde dat het standpunt van zijn fractie over het opnemen van werkgelegenheidsparagrafen in EU-verdragen bij de minister bekend is.
In het stuk van de minister staat over de richtlijn verdeling bewijslast dat de eiser aannemelijk moet maken dat er sprake is van sexediscriminatie waarna de gedaagde moet bewijzen dat hij niet gediscrimineerd heeft. In het stuk uit Luxemburg staat echter dat, in plaats van dat de eisende partij discriminatie moet bewijzen, de verweerder een ogenschijnlijk verschil in behandeling moet rechtvaardigen. Kan de minister duidelijkheid verschaffen?
In het verslag van de minister staat verder dat de sociale partners het onderwerp «informatie en consultatie van werknemers» nader zullen uitwerken. In het officiële verslag uit Luxemburg wordt echter gerept van een vrijwillig akkoord over de praktische toepassing van de communautaire wetgeving op dit gebied. Betekent dit dat de sociale partners randvoorwaarden voor communautaire wetgeving gaan maken? Dit leek de heer Van Hoof niet passen in een verdere democratisering van Europa. Wat is de meerwaarde van een Europese regeling met betrekking tot de nationale zeggenschap?
Het is overigens vervelend dat er verschillende informatie wordt verstrekt over dezelfde onderwerpen. Ook in de stukken van Buitenlandse Zaken staan zaken die niet stroken met gegevens in stukken van onder andere de minister van SZW. Iets meer afstemming binnen het kabinet lijkt gewenst.
In het verslag van de vergadering van 17 april staat dat er nieuwe mededelingen zijn gedaan over het dossier «sociale bescherming». In het Luxemburgse stuk staat onder meer dat het nodig is de nationale stelsels van sociale zekerheid voor personen die zich binnen de Unie verplaatsen te moderniseren. In de visies van Buitenlandse Zaken gaat het echter in dit kader over evenwicht tussen werk en zorgtaken, hetgeen heel iets anders is. In stukken van Buitenlandse Zaken wordt voorts gezegd dat de Commissie twee doelen voor ogen heeft, waaronder het doen van specifieke voorstellen voor acties op Europees niveau. Daar wordt aan toegevoegd dat de Commissie er daarbij van uitgaat dat elke lidstaat verantwoordelijk blijft voor de organisatie en financiering van het eigen systeem van sociale bescherming. Dit betekent dus dat iemand anders verantwoordelijk wordt voor de inhoud van het stelsel. Tenzij de minister het hartgrondig ontkent, kon de heer Van Hoof niets anders lezen dan dat de EU zich gaat bemoeien met de nationale stelsels, hetgeen hij onaanvaardbaar zou vinden.
De heer Van Hoof zei benieuwd te zijn naar de follow-up van het Franse memorandum inzake een Europees sociaal model nu Frankrijk een nieuwe regering heeft gekregen. Ten slotte ging hij ervan uit dat de Commissie zich beperkt tot het discussiëren over de door het voorzitterschap aangedragen vragen, verbonden met het dossier «sociale bescherming», en zich niet allerlei rechten zal toe-eigenen (punt 7 van de geannoteerde agenda).
Mevrouw Van Rooy (CDA) zei ervan uit te gaan dat de minister ook op Europees niveau het Nederlandse standpunt inzake de bewijslastverdeling blijft uitdragen. Zij stelde vast dat hetgeen in het verslag en de geannoteerde agenda staat enigszins afwijkt van de Nederlandse situatie.
Wat voegt het interim-rapport 1997 over de werkgelegenheid toe aan het Ierse rapport? Dergelijke belangrijke stukken mogen geen rituele dansen worden in die zin dat ze dusdanig algemeen zijn geformuleerd dat iedereen het er snel over eens is, waarna men weer overgaat tot de orde van de dag. Wat moet men zich concreet voorstellen bij territoriale werkgelegenheidspacten?
Brengt de halfjaarlijkse update van het Franse memorandum inzake een Europees sociaal model de EU veel verder? En wat staat er in de notitie over de stand van zaken (derde herziening)?
Het rapport Davignon kan worden beschouwd als een doorbraak. Wat zal er precies worden besproken tijdens de komende Sociale Raad? Hoe wordt in Duitsland gedacht over het door Davignon geformuleerde compromis? Als de Europese vennootschap echt van de grond wil komen, zal er in ieder geval ook iets moeten worden geregeld op het terrein van de fiscaliteit.
Vervolgens vroeg mevrouw Van Rooy de minister of hij ook niet van mening is dat medezeggenschap onder het subsidiariteitsbeginsel dient te vallen. Zij oordeelde positief over het in het kader van de sociale dialoog bereikte akkoord over de deeltijdarbeid. Wat zijn overigens de gevolgen voor Nederland?
Ten slotte vroeg mevrouw Van Rooy wat de minister verwacht van de nieuwe Franse regering als het gaat om de invulling van de Europese werkgelegenheidsparagraaf. De CDA-fractie vindt in ieder geval dat de nationale overheid in dezen het voortouw moet hebben. Coördinatie is van groot belang, maar er mogen geen nieuwe Europese instrumenten worden ontwikkeld.
Mevrouw Schimmel (D66) zei dat haar fractie grote problemen heeft met de voorstellen met betrekking tot de bewijslast. De richtlijn zal waarschijnlijk de toepassing en handhaving van de sexediscriminatiebepalingen eerder belemmeren dan bevorderen. Wat betreft het bewijsrecht wordt een tweesporenbeleid gevoerd. Het ene spoor is gelijke behandeling op het gebied van loon en arbeid, maar voor de sociale zekerheid (het andere spoor) geldt niet hetzelfde bewijsrecht. Dit vond mevrouw Schimmel zeer merkwaardig, want het gemeenschapsrecht is een samenhangend geheel. Een dergelijk beleid zal tot verwarring leiden bij justitiabelen en de rechters. Ook vanuit het oogpunt van de ontwikkeling van de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie is een dergelijke situatie desastreus. Het bestaan van de bewijsrechtrichtlijn zal als een soort a contrarioargument worden gebruikt om toepassing van de antidiscriminatiebepalingen op het terrein van de sociale zekerheid juist in te perken. De bewijslastrichtlijn pretendeert een codificatie te zijn van de rechtspraak van het Hof. Dat is echter zeer ten dele het geval en daardoor worden enkele waardevolle jurisprudentiële lijnen omgebogen. Dat kan ertoe leiden dat de richtlijn tegendraads gaat werken. De minister heeft de twijfels van de D66-fractie in zijn brief van 14 april niet bepaald weggenomen. Het tegendeel is veeleer het geval.
Ook mevrouw Schimmel beschouwde het rapport-Davignon als een doorbraak, ook al beperkt het rapport zich tot het beschouwen van verschillen tussen vormen van werknemersparticipatie in de raden van commissarissen. Zij vroeg zich vervolgens af of het wel verstandig is sociale partners te verplichten tot overleg over medezeggenschapsvraagstukken. Komen in dat overleg alle medezeggenschapsaspecten aan de orde of gaat het alleen om het benoemen van leden van raden van commissarissen? Het voorzitterschap zal de Raad enkele ontwerpconclusies voorleggen. Hebben die betrekking op het rapport-Davignon of op de sociale dialoog over consultatie en informatie? Mevrouw Schimmel was overigens van mening dat het een fundamenteel sociaal recht van werknemers is om geïnformeerd en geconsulteerd te worden. Dat moet dan wel conform de Europese richtlijn inzake informatie en consultatie over strategische economische beslissingen gebeuren. Wellicht verdient het overweging aan tijdige informatie en consultatie het adviesrecht toe te voegen.
Mevrouw Schimmel zei veel te verwachten van de werkgelegenheidsparagraaf in het verdrag van Amsterdam, waarin hopelijk het sociaal grondrecht van medezeggenschap wordt opgenomen. Werknemers uit verschillende landen mogen niet tegen elkaar worden uitgespeeld, maar moeten daarentegen betrokken worden bij belangrijke economische beslissingen. De minister heeft tijdens een toespraak tot de SER te kennen gegeven voorstander te zijn van een sociale dialoog en daaraan toegevoegd dat de raad in een eerder stadium bij die dialoog moet worden betrokken. Mevrouw Schimmel kon daarmee instemmen. Zal de minister hieromtrent voorstellen ontwikkelen?
De minister zei dat er thans sprake is van een enigszins fluïde situatie door allerlei regeringswisselingen en de hectiek van het voorbereiding van de Top in Amsterdam. Het is ondoenlijk om voorspellingen te doen over het resultaat van die top. Wel kan natuurlijk iets worden gezegd over de positie van het kabinet en de stand van zaken op dit moment.
Duitsland reageert inderdaad terughoudend op een werkgelegenheidsparagraaf, maar anderzijds staat de discussie in dat land niet stil. Gezien ook de ontwikkelingen in Engeland en Frankrijk moet geconstateerd worden dat het laatste woord nog niet is gesproken. Wellicht houden de uitersten elkaar in balans en zo beschouwd zou het Nederlandse voorstel weleens dichtbij aanvaarding kunnen komen. Hetgeen nu voorligt, zou een belangrijke stap vooruit zijn omdat bij aanvaarding ervan ook op Europees niveau een full dressed discussie kan plaatsvinden over werkgelegenheidsproblemen en een gemeenschappelijke strategie kan worden bepaald als de EMU van start gaat. Een sterke euro is niet gebaat bij een economie die wordt gekenmerkt door een totale divergentie in termen van economische prestaties en werkgelegenheid. Het werkgelegenheids- en arbeidsmarktcomité zal niet voortdurend nieuwe voorstellen doen maar heeft op basis van het conceptverdrag vooral als taak de slechte en goede prestaties van nationaal beleid van lidstaten te analyseren en zo mogelijk aanbevelingen te doen met betrekking tot een gezamenlijke strategie. Hopelijk zal het comité erin slagen de beleidsafstemming op een hoger Europees niveau te brengen, waarbij uiteraard ook gekeken zal worden naar de fiscale structuren in ledenlanden.
Het interim-rapport over de werkgelegenheid is nog niet afgerond. Het zal een diepgaande analyse bevatten van de karakteristieken van het arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten.
De sociale rechten zullen waarschijnlijk in de pre-ambule van het Verdrag een plaats krijgen, dus niet in het sociaal protocol. Zoals bekend wordt door de lidstaten niet eenduidig gedacht over de gevolgen van het al of niet onderbrengen van deze rechten in het verdrag. De minister verwachtte dat tot een akkoord zal kunnen worden gekomen wat betreft het refereren aan de grondrechten, maar niet over de directe doorwerking ervan. Overigens is in alle fasen van de onderhandelingen gezegd dat het allerbelangrijkste is dat het sociaal protocol een protocol van vijftien lidstaten wordt. Naar verwachting zal na de top in Amsterdam ook Groot-Brittannië zijn toegetreden. Tot aan het moment van ratificering is er dus een soort van overgangsperiode. De minister sloot op basis daarvan niet uit dat hetzij een extra Sociale Raad wordt gehouden, hetzij de eerstvolgende Raad later wordt gehouden.
De minister vond dat ook de Raad een rol zou moeten spelen in de sociale dialoog om een effectieve relatie te kunnen leggen met hetgeen op het niveau van de nationale lidstaten gebeurt. Op 15 april is vastgesteld dat sociale partners bereid zijn te zoeken naar een meer gemeenschappelijke interpretatie van de bestaande wetgeving. In het kader van de sociale dialoog zal dat verder worden uitgewerkt. Tijdens de komende zogenoemde Sociale Top vergadert commissievoorzitter Santer met de sociale partners. De bewindsman zei dat hij samen met minister-president Kok daarbij aanwezig zal zijn en ook het woord te zullen voeren. Dit kan worden beschouwd als een stap op de weg van meer betrokkenheid van de Raad bij de sociale dialoog.
Ook de minister vond het rapport-Davignon een belangrijk document. Het is bepaald een verdienste om uit een heel labyrint van beleidslijnen handelingsperspectieven te distilleren nadat het dossier jarenlang geblokkeerd is geweest. Er zal echter nog heel wat water door de Rijn stromen voordat de blokkade van de Europese vennootschap is opgeheven en er een brug is geslagen naar de vertaling in fiscale termen. Met name de Duitsers reageren zeer voorzichtig, maar het lijkt dienstig om tijdens de komende Sociale Raad vast te stellen dat Raad en Commissie met dit rapport verder aan de slag gaan. Het is al heel wat dat het rapport op de agenda gaat figureren. Er is overigens geen direct verband met «Renaultachtige» kwesties; daarvoor gelden de richtlijnen voor collectieve ontslagen en de Euro-OR. In Rotterdam is tijdens de informele top tegen de sociale partners gezegd dat informatie en consultatie moeten plaatsvinden op een moment dat de werknemers nog invloed kunnen uitoefenen. De minister vond het in de rede liggen dat de Commissie voorstellen doet met betrekking tot minimumvoorwaarden voor nationale medezeggenschap. Er dient immers een level playing field te ontstaan in EU.
Ingaande op het dossier van verdeling van de bewijslast merkte de minister op dat slechts één versie de juiste kan zijn. Dat is in dit geval de ministeriële versie. Aan het adres van mevrouw Schimmel zei hij dat de richtlijn niets afdoet aan de situatie in Nederland. Het onderscheid tussen loon/arbeid enerzijds en sociale zekerheid anderzijds heeft te maken met het feit dat verreweg de meeste lidstaten bezwaren hebben tegen het opnemen van de sociale zekerheid omdat daarbij niet de verhouding werkgever-werknemer in het geding is, maar de verhouding tussen verzekerde en verzekering. De richtlijn bewerkstelligt meer transparantie en vereenvoudiging op Europees niveau zonder iets af te doen aan hetgeen in Nederland al is gerealiseerd en voegt zich bij hetgeen reeds in de nationale rechtspraktijk tot stand is gekomen. Als dat niet het geval was, zou de minister de eerste zijn geweest om zijn stem hiertegen te verheffen. De Europese codificatie is inderdaad niet volledig, maar dat heeft alles van doen met politieke (on)haalbaarheden. Hij wees er nog op dat richtlijnen niet uitsluitend vanuit Nederlands oogpunt moeten worden beoordeeld. Zeer belangrijk is natuurlijk ook de vraag of de richtlijn een Europese rechtsorde naderbij brengt en dat is in de onderhavige kwestie het geval.
De verbetering en modernisering van de sociale bescherming in de EU heeft betrekking op migrerende werknemers. In principe wordt nog steeds uitgegaan van de nationale stelsels, maar het is duidelijk dat voor migrerende werknemers iets meer afstemming geen kwaad kan. Het is overigens legitiem te discussiëren over de betekenis van die stelsels voor de ontwikkeling van de arbeidsmarkt en de werkgelegenheid in bredere zin.
Vervolgens merkte de minister op dat de lidstaten is verzocht regio's aan te melden in het kader van de territoriale werkgelegenheidspacten. Nederland heeft Noord-Brabant, Limburg en Flevoland aangemeld.
Ten slotte zegde de minister toe er alles aan te zullen doen dat het principe dat bij gelijke geschiktheid achterstandskenmerken van sollicitanten geen rol mogen spelen bij de toegang tot de arbeidsmarkt tot uitdrukking wordt gebracht in de protocoltekst en uiteindelijk ook in het verdrag.
Samenstelling: Leden: Van der Linden (CDA), Blauw (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Weisglas (VVD), Terpstra (CDA), Verspaget (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Ter Veer (D66), voorzitter, Ybema (D66), Van Middelkoop (GPV), Leers (CDA), Sipkes (GroenLinks), Woltjer (PvdA), ondervoorzitter, Hendriks, Gabor (CDA), Voûte-Droste (VVD), Schuurman (CD), Hessing (VVD), Van den Bos (D66), Van Oven (PvdA), Hoogervorst (VVD), Rouvoet (RPF), Van Waning (D66), Houda (PvdA), Rehwinkel (PvdA).
Plv. leden: Bukman (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van Traa (PvdA), Blaauw (VVD), Verhagen (CDA), Van der Ploeg (PvdA), Hillen (CDA), Koekkoek (CDA), De Graaf (D66), Van den Berg (SGP), Van der Hoeven (CDA), M. B. Vos (GroenLinks), Witteveen-Hevinga (PvdA), R. A. Meijer (groep-Nijpels), De Jong (CDA), O. P. G. Vos (VVD), Poppe (SP), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Roethof (D66), Crone (PvdA), Verbugt (VVD), Leerkes (Unie 55+), Hoekema (D66), Adelmund (PvdA), Lilipaly (PvdA).
Samenstelling: Leden: Wolters (CDA), voorzitter, Van Nieuwenhoven (PvdA), Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), R. A. Meijer (groep-Nijpels).
Plv. leden: Terpstra (CDA), Oudkerk (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Mulder-van Dam (CDA), Sterk (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), De Jong (CDA), Dijksma (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Apostolou (PvdA), Heeringa (CDA), Van Boxtel (D66), J. M. de Vries (VVD), B. M. de Vries (VVD), Leerkes (Unie 55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD), Hoogervorst (VVD), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-69.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.