Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 21501-18 nr. 68 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 21501-18 nr. 68 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 4 september 1997
Bijgaand doe ik u toekomen het verslag van de vergadering van de Sociale Raad van 27 juni jl. Ter gelegenheid van het einde van het Nederlands voorzitterschap van de Sociale Raad, is eveneens een korte terugblik op het Nederlands voorzitterschap bijgevoegd. In een bijlage treft u daarbij aan een korte samenvatting van de voornemens van het Luxemburgs voorzitterschap op sociaal terrein.
De volgende bijeenkomst van de Sociale Raad zal plaatsvinden op 7 oktober a.s.
Verslag van de vergadering van de Sociale Raad d.d. 27 juni 1997 te Luxemburg
In een goede sfeer vonden effectieve beraadslagingen plaats over de omvangrijke agenda. Deze beraadslagingen resulteerden in besluitvorming over de voorstellen inzake chemische agentia en bewijslast. Over dit laatste dossier kon dankzij de besluitvorming op de Europese raad van Amsterdam nu samen met het VK worden gesproken. Hiermee werd voor de eerste maal een besluit over een dossier dat tot stand komt onder de Sociale Overeenkomst, gedragen door alle 15 lidstaten. Politieke akkoorden over deze dossiers konden worden toegevoegd aan de definitieve goedkeuring van de richtlijn carcinogene agentia en van de jaarlijkse wijziging van Verordening 1408/71.
1. Wijziging richtlijn carcinogene agentia
Dit als A-punt (zonder debat) goedgekeurde voorstel betreft een wijziging van richtlijn 90/395/EEG m.b.t. de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk. Werkgevers dienen de blootstelling te beperken tot het laagste technisch haalbare niveau.
In de richtlijn worden grenswaarden vastgesteld voor benzeen. Ook wordt het toepassingsgebied van de bestaande richtlijn uitgebreid met een aantal tot nog toe buiten beschouwing gebleven preparaten.
2. Sociale zekerheid voor migrerende werknemers
Ook dit punt werd als A-punt (zonder debat) goedgekeurd. Het betreft de jaarlijkse technische wijzigingen waarover op 2 december 1996 reeds in eerste fase een akkoord was bereikt. De wijzigingen behelzen deels louter technisch noodzakelijke aanpassingen van bv formulieren, deels een materiële uitbreiding doordat nu ook de ziektekosten van studenten onder het regime van de Verordening kunnen worden verrekend.
3. Richtlijn verdeling bewijslast
Over dit voorstel voor een richtlijn van de Raad m.b.t. de verdeling van bewijslast op het gebied van gelijke beloning voor en gelijke behandeling van mannen en vrouwen kon met unanimiteit een politiek akkoord over een gemeenschappelijk standpunt worden vastgesteld.
De richtlijn bepaalt dat de bewijslast over de eiser en de gedaagde verdeeld moet worden; de eiser moet aannemelijk maken dat er van sexe-discriminatie sprake is, waarna de gedaagde moet bewijzen dat hij niet gediscrimineerd heeft, of dat hij daarvoor objectieve redenen heeft.
De richtlijn regelt de bewijslastverdeling op het terrein van een aantal EU-richtlijnen waarin discriminatie op grond van geslacht aan de orde is, maar heeft geen betrekking op regelingen in de sfeer van de sociale zekerheid.
Met de totstandkoming van de richtlijn is een wettelijke basis verleend aan de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. De buiten en boven de scope van de richtlijn uitgaande jurisprudentie blijft uiteraard onverminderd van kracht. Het verheugende aan deze nu voor alle 15 lidstaten verkregen wettelijke ondergrens is dat werknemers in Europa meer duidelijkheid, meer rechtszekerheid en meer rechtsgelijkheid wordt geboden in zaken van gelijke beloning en behandeling van mannen en vrouwen.
Belangrijk punt is dat deze richtlijn de eerste is, die op basis van de procedure zoals die is afgesproken als onderdeel van de conclusies van de Top van Amsterdam, met instemming van het Verenigd Koninkrijk door de 14 lidstaten van het Sociaal Protocol is aangenomen. Krachtens deze (informele) procedure kan het Verenigd Koninkrijk tot aan de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam, waarna het VK ook formeel partij zal zijn bij de dan als sociaal hoofdstuk deel van het Verdrag uitmakende Sociale Overeenkomst, niet meestemmen, maar wel meespreken. Met betrekking tot deze richtlijn is dit ook daadwerkelijk gebeurd zodat ook het VK zich kan vinden in het uiteindelijke resultaat.
Het politiek akkoord zal na behandeling door juristen/linguïsten worden geformaliseerd als gemeenschappelijk standpunt, waarna het EP in tweede lezing zich over het bereikt akkoord zal buigen. Finale besluitvorming zal daarna plaatsvinden.
4. Richtlijn chemische agentia
Ook over dit voorstel met betrekking tot de bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers tegen blootstelling aan chemische agentia op het werk kon een politiek akkoord worden bereikt.
De richtlijn, die een bijzondere richtlijn van de kaderrichtlijn veiligheid en gezondheid is, heeft tot doel werknemers te beschermen tegen de risico's van blootstelling aan alle chemische stoffen. De richtlijn heeft ook betrekking op stoffen die theoretisch ongevaarlijk zijn maar op de een of andere manier op andere stoffen kunnen reageren en zo een gevaar kunnen opleveren of vergroten. De door werkgevers te treffen maatregelen zijn afhankelijk van de uitkomst van een (verplichte) risico-evaluatie.
Een belangrijk aspect van de richtlijn is de harmonisatie van grenswaarden voor het blootstellingsniveau, waarboven op de werkplek niet mag worden uitgegaan. Met de totstandkoming van deze richtlijn kunnen verschillende oude Europese richtlijnen worden ingetrokken. De in de nieuwe richtlijn gevolgde systematiek sluit nauw aan bij de in Nederland reeds gehanteerde.
5. Interimrapport over werkgelegenheid
Ofschoon het interimverslag over werkgelegenheid reeds door de Europese Raad van 16 en 17 juni jl. was goedgekeurd, is er op de Sociale Raad kort aandacht aan besteed. Ook in het kader van de Sociale Raad bestond tevredenheid over de in het interimrapport aangevoerde punten:
– lidstaten zetten het op stabiliteit gerichte macro-economische beleid voort en streven naar modernisering van het arbeidsmarktbeleid;
– meer investering in onderwijs en opleiding;
– sociale partners worden opgeroepen tot loonmatiging;
– door middel van pacten wordt er ook op lokaal niveau naar gestreefd de samenwerking op het gebied van werkgelegenheid tussen betrokken partijen te bevorderen.
Naar aanleiding van de conclusies die door de Europese Raad over dit onderwerp zijn geformuleerd werd de voorbereiding gememoreerd van de speciale werkgelegenheidstop die dit najaar (op 21 november) onder Luxemburgs voorzitterschap zal plaatsvinden. Verder werd het belang benadrukt van een adequate inbreng van de lidstaten, de Commissie en van alle relevante geledingen van de Raad.
6. Follow-up van het Franse memorandum over een Europees sociaal model
Aan de Raad lag voor de stand van zaken-notitie van het voorzitterschap met betrekking tot het in 1995 door Frankrijk gepresenteerde memorandum voor een Europees sociaal model. Geconstateerd werd dat het overzicht de situatie ten aanzien van de verschillende in het kader van de Sociale Raad spelende dossiers correct weergeeft. Naar aanleiding van dit agendapunt werd door de Franse delegatie nogmaals onder verwijzing naar de resultaten van de Europese Raad van Amsterdam het belang onderstreept van een goede sociale dimensie en de centrale plaats die werkgelegenheid daarin inneemt.
7. Modernisering en verbetering van de sociale bescherming in de Europese Unie
Op basis van een aantal door het voorzitterschap opgestelde vragen werd een oriënterend debat gehouden over de mededeling van de Europese Commissie inzake de modernisering en verbetering van de sociale bescherming in de EU. Deze mededeling is een vervolg op de Mededeling «De toekomst van de Sociale Bescherming: een Europees debat» gebaseerd op de reacties van de lidstaten, sociale partners en anderen. Tevens zijn de uitkomsten van de conferentie van het Nederlands voorzitterschap «Social Policy and economic Performance» (gehouden in Amsterdam van 23 tot 25 januari jl.) geïncorporeerd.
De Commissie constateert in deze mededeling dat overheidsgefinancierde sociale beschermingssystemen het grootste deel vormen van de uitgaven aan sociale voorzieningen, gezondheidszorg en pensioenen. Deze systemen hebben een fundamentele rol gespeeld in herverdeling van inkomen en sociale cohesie en in het handhaven van politieke stabiliteit en economische vooruitgang.
De basisbehoefte aan deze voorzieningen blijft bestaan. De economische en sociale randvoorwaarden waarin zij bestaan veranderen echter. Om een effectieve sociale bescherming in de toekomst te kunnen blijven garanderen is modernisering vereist.
Aanpassing is nodig aan:
– veranderingen in de aard en mate van flexibiliteit van werk;
– veranderingen in de balans tussen werken en zorgtaken;
– vergrijzing van de bevolking;
– vrij verkeer van personen in de Unie.
Het Voorzitterschap had, uitgaande van de ook door de Commissie onderschreven stelling dat elke lidstaat verantwoordelijk blijft voor de organisatie en financiering van het eigen sociale beschermingssysteem en dat op Europees niveau alleen verantwoordelijkheid bestaat voor coördinatie ingeval van vrij verkeer van werknemers en een forum kan worden geboden voor beter zicht op de toekomst en op de gezamenlijke uitdagingen, twee vragen geformuleerd.
De eerste vraag betrof de mogelijkheid van een zodanige hervorming van de stelsels van sociale bescherming dat een hoog niveau van sociale bescherming kan worden gerealiseerd, terwijl tevens het concurrentievermogen en de economische prestaties van de lidstaten kunnen worden vergroot.
Ten tweede werd gevraagd naar de Europese dimensie van dit vraagstuk, gelet op mogelijke toekomstige wijzigingen tengevolge van een verdere Europese integratie.
In zijn algemeenheid bleken alle lidstaten sociale beschermingssystemen als positieve economische factor te willen zien, enerzijds in de zin van herverdeling van inkomen, anderzijds in de rust in de nationale arbeidsverhoudingen die ermee wordt bewerkstelligd.
Voorts werd door veel lidstaten het belang onderstreept van de activerende werking van sociale beschermingsstelsels. In dit kader werd naar voren gebracht dat het van groot belang is dat het contact met de arbeidsmarkt niet wordt verloren wanneer mensen gebruik maken van sociale bescherming.
Andere lidstaten noemden de overgang van een passief naar een activerend sociaal beschermingsbeleid als een belangrijke doelstelling. Mensen moeten de middelen krijgen om weer aansluiting bij de arbeidsmarkt te krijgen, met name door middel van scholing.
Een lidstaat rapporteerde over een proef met partnerschappen op gemeentelijk niveau tussen werk- gevers en werknemersvertegenwoordigingen om werklozen naar een baan te begeleiden.
Tot slot werd door een aantal lidstaten aangegeven dat zij zich zorgen maken over concurrentie in de toekomst op het terrein van sociale bescherming. In dat verband pleitte een aantal lidstaten voor een Europese minimum-norm voor sociale bescherming.
Andere lidstaten gaven echter aan dat men in Europa weliswaar voortgang moet maken met de convergentie van sociale beschermingsstelsels, maar dat harmonisatie niet wenselijk was.
Door de voorzitter kon worden geconcludeerd dat uit de discussie bleek dat een nieuwe balans in begrippen aan het ontstaan is: vooruitgang en bescherming, aanpassing en vertrouwen en sociale investeringen en economische prestaties. Begrippen die voorheen als tegenstelling werden benaderd en nu als complementair worden beschouwd. De verdedigende houding met betrekking tot sociaal beleid moet worden omgezet in een offensieve strategie; sleutelwoord daarbij is activering. Immers, door meer – bij voorkeur hoogwaardige – werkgelegenheid kan de armoede worden teruggedrongen. Er is dus niet langer sprake van een trade-off tussen het economische en het sociale, maar van een wederzijdse versterking.
Deze wederzijdse versterking blijkt ook uit het in het Verdrag van Amsterdam gegeven nieuwe mandaat op dit terrein, dat een impuls geeft aan een gerichte en samenhangende sociaal-economische en werkgelegenheidsstrategie.
8. Informatie en Consultatie van werknemers
Onder dit agendapunt is gesproken over de conclusies over Europese systemen van werknemersbetrokkenheid van de «High-level»groep onder voorzitterschap van Davignon, waarin onder andere werd deelgenomen door werkgevers en werknemers. Het gaat daarbij om de wijze waarop de betrokkenheid van werknemers in het kader van de Europese Vennootschap kan worden gerealiseerd. Na een korte discussie werd overeenstemming bereikt over conclusies van de Raad, die met name benadrukken dat de conclusies van de werkgroep een goed uitgangspunt zijn voor en een impuls kunnen geven aan deze problematiek. Voorts werd geconcludeerd dat dit dossier diepgaande bespreking in het kader van de Sociale Raad verdient teneinde de patstelling op dit dossier op te kunnen heffen. De conclusies van de Raad zijn bijgevoegd. Het Luxemburgse voorzitterschap zal het debat hierover voortzetten.
Eveneens in de context van dit agendapunt is kort melding gemaakt van de discussie zoals die in het kader van de sociale dialoog is gevoerd over de sociale dimensie van industriële herstructureringsprocessen. Dit naar aanleiding van de gebeurtenissen bij Renault Vilvoorde. Tot nu toe heeft deze discussie tussen sociale partners nog niet tot concrete resultaten geleid, maar het debat wordt nog intensief gevoerd. Ten behoeve van een volgende vergadering van de Sociale Raad zal worden gerapporteerd over de voortgang, ook met betrekking tot de onderdelen die primair op het terrein van de Europese Commissie liggen, zoals het onderzoek naar een arbitragemechanisme en de voor dit dossier relevante aspecten van het Europese subsidiebeleid.
Ook in dit verband werd door de Commissie melding gemaakt van de start van de eerste fase van raadpleging van Europese sociale partners over informatie en consultatie van werknemers op nationaal niveau.
Commissaris Flynn heeft bij dit agendapunt melding gemaakt van de positieve resultaten van de Conferentie over de toekomst van de Europese sociale dialoog, die georganiseerd is in samenwerking met SER en het ministerie van SZW en die plaatsvond in Den Haag op 28 en 29 april jl. Op basis van dit materiaal zal de Commissie een nieuwe mededeling opstellen, die eind van dit jaar gereed zou moeten zijn.
Ook is in dit verband melding gemaakt van het akkoord van de sociale partners over deeltijdarbeid, dat op de sociale dialoogtop van 6 juni jl. in Den Haag in aanwezigheid van de Nederlandse Minister-President en de Minister van SZW is ondertekend. De Commissie zal nog dit jaar, gehoor gevend aan het verzoek daartoe van sociale partners, een richtlijnvoorstel over deze materie aan de raad voorleggen.
Commissaris Flynn berichtte over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de begroting van de structuurfondsen. Deze geeft reden tot tevredenheid: over 1996 was maximaal uit de fondsen geput en naar het zich laat aanzien zal dat ook in 1997 het geval zijn.
Ook besteedde commissaris Flynn kort aandacht aan het recent door de Commissie uitgebrachte Rapport over de toegang tot de voortgezette beroepsopleiding in de Unie. Behandeling van het rapport zal behalve in de Sociale Raad ook plaatsvinden in het kader van de Europese ministers van Onderwijs.
Een terugblik op het Nederlands voorzitterschap van de Sociale Raad
Tijdens het Nederlands voorzitterschap is verder gewerkt aan versterking van de sociale dimensie van Europa. In mijn nota van 15 november 1996 (Tweede Kamer 25 110, nr. 3) waarin de voornemens van het voorzitterschap van de Sociale Raad werden geschetst, werd de Nederlandse inzet gekoppeld aan twee belangrijke uitgangspunten. Ten eerste het belang van sociaal-economische beleidscoördinatie naast de financieel-economische integratie. Ten tweede het belang van de continuïteit van het Europese integratie-proces.
De algemene context waarbinnen het Nederlands voorzitterschap gewerkt heeft, werd in belangrijke mate gekleurd door de IGC en de verdere ontwikkeling van de EMU. Ook de verandering van politieke setting in een aantal Lid-Staten heeft invloed gehad op de wijze waarop men de sociale dimensie van de Europese integratie beoordeelt. Het feit dat de opname van het Sociaal Protocol in het Verdrag kon worden gerealiseerd, is een mijlpaal in de verdere ontwikkeling van het sociaal beleid in Europa. De Britse uitzonderingspositie ten aanzien van het sociaal beleid is hiermee eindelijk opgeheven.
Tijdens het afgelopen half jaar konden belangrijke stappen worden gezet op het terrein van het Europees werkgelegenheidsbeleid, de discussie over de economische relevantie van sociaal beleid en op het terrein van gelijke kansen voor vrouwen en mannen. Daarnaast is ook veel aandacht besteed aan het thema informatie en consultatie van werknemers.
In de paragrafen hieronder wordt nader ingegaan op de resultaten op bovengenoemde vier terreinen. Verder wordt in paragraaf 6 kort ingegaan op twee andere bijeenkomsten, de Amsterdam Child Labour Conference en de bijeenkomst over fundamentele arbeidsnormen. In paragraaf 7 worden de resultaten van de IGC op sociaal terrein samengevat.
2. Werkgelegenheid en arbeidsmarkt
Tijdens het Nederlands voorzitterschap is vooruitgang geboekt op het terrein van Europees werkgelegenheidsbeleid. In dit verband is het nieuwe Werkgelegenheidshoofdstuk in het Verdrag van Amsterdam belangrijk om te vermelden. Hierop wordt in paragraaf 7 nader ingegaan. Daarnaast was de inzet gericht op de verdere instrumentalisering van de Europese discussie over werkgelegenheid. Hierover is tijdens de Informele Sociale Raad in Rotterdam op 14 en 15 maart jl. uitgebreid gedebatteerd. Tijdens de bijeenkomst bleek overeenstemming te bestaan over de wenselijkheid van een betere afstemming van het nationale werkgelegenheidsbeleid op Europees niveau. Met de komst van de EMU vallen immers belangrijke nationale instrumenten (zoals het wisselkoersbeleid) weg, waardoor de noodzaak groter wordt tot afstemming van de overblijvende nationale instrumenten (zoals arbeidsmarktbeleid, loonkosten en sociale stelsels). De roep om een sterkere sociale component van de Europese integratie werd nog vergroot door de actuele ontwikkelingen op dat moment, namelijk de dreigende ontslagen in de Renault-vestiging in Vilvoorde (zie ook paragraaf 5).
Als bruikbare instrumenten voor een betere afstemming van werkgelegenheidsbeleid op Europees niveau werden tijdens de Informele Raad benchmarking en het gebruik van indicatoren aangemerkt. Deze instrumenten maken immers een betere onderlinge vergelijkbaarheid van de werkgelegenheidsprestaties van de Lidstaten mogelijk, waardoor inzicht kan worden verkregen in de succes- en faalfactoren van het nationale beleid.
De ontwikkeling van indicatoren en benchmarking wordt momenteel verder uitgewerkt in het Employment and Labour Market Committee (ELMC) en het Economic Policy Committee (EPC). Dit ten behoeve van de inmiddels in het Verdrag van Amsterdam neergelegde coördinatieprocedure voor werkgelegenheidsbeleid.
Ook is tijdens de Informele Raad gesproken over mogelijke beleidsonderwerpen die zich zouden lenen voor een betere Europese afstemming. In dit kader werd gesproken over verlaging van de lasten op arbeid (zie het verslag van de Informele Raad van 14 en 15 maart 1997 dat op 4 april 1997 aan de Tweede Kamer is gezonden).
Het hierboven reeds genoemde Employment and Labour Market Committee is tijdens het Nederlands voorzitterschap met zijn werkzaamheden gestart. Dit comité ondersteunt de Sociale Raad op het terrein van werkgelegenheidsvraagstukken. Het Comité zal, in samenwerking met het Economic Policy Committee een belangrijke rol gaan vervullen in de advisering terzake van de nieuwe werkgelegenheidsrichtsnoeren en aanbevelingen conform de nieuwe Verdragsverplichtingen.
Zoals gebruikelijk is ook dit half jaar door de Sociale Raad en Ecofin Raad een interim-rapport over werkgelegenheid aan de Europese Raad aangeboden. Dit rapport was voorbereid door het ELMC en het EPC en geeft aanzetten voor het jaarlijkse Single Report voor de Europese Raad van december.
3. Economische relevantie van sociaal beleid
Een centrale doelstelling van het Voorzitterschap op sociaal terrein was het initiëren in Europa van een debat over de economische waarde van (modern vormgegeven) sociaal beleid. Daartoe is eind januari een high-level conferentie georganiseerd (Conference on Social Policy and Economic Performance), waaraan meer dan 200 invloedrijke politici, wetenschappers, ambtenaren en vertegenwoordigers van sociale partners deelnamen. Onder deze opinieleiders in het sociaal-economische beleidsveld was een breed draagvlak voor de gedachte, dat een goed vormgegeven sociaal beleid een waardevolle bijdrage levert aan, en zelfs een voorwaarde kan vormen voor een gezonde economische prestatie.
Thema's op de conferentie waren onder meer het belang van een nieuwe balans tussen flexibiliteit (op de arbeidsmarkt) en zekerheid, de noodzaak van het verlagen van lasten op arbeid (in het bijzonder aan de onderkant van de arbeidsmarkt), investeringen in de kwaliteit van werknemers en van de arbeidsorganisatie teneinde bij te dragen aan het realiseren van economische groei, en het belang van de samenwerking tussen sociale partners.
Deze thema's, die ook centraal staan in het Nederlandse sociaal-economische debat, kwamen voorts terug in conferenties op deelterreinen, zoals de conferentie over de «Kosten en baten van arbeidsomstandighedenbeleid» en de conferentie «Directe participatie van werknemers». Op de eerstgenoemde conferentie stonden de economische aspecten van arbeidsomstandigheden centraal. De resultaten van de conferentie zullen bijdragen tot de ontwikkeling en invoering van doelmatiger strategieën op het gebied van veiligheid en gezondheid, op zowel nationaal als bedrijfsniveau.
Tijdens de conferentie over directe participatie werd geconstateerd dat werknemersparticipatie bij organisatieveranderingen bijdraagt aan de verbetering van het concurrentievermogen van bedrijven.
Dat het thema economische relevantie van sociaal beleid in EU-verband in vruchtbare aarde viel, blijkt onder meer uit het Memorandum over de toekomst van de sociale bescherming dat de Europese Commissie tijdens het voorzitterschap uitbracht. In dit memorandum werd meermalen naar de conferentie «Social Policy and Economic Performance» verwezen en zo zullen ook via dit document de resultaten van die conferentie hun doorwerking vinden in de Brusselse debatten en besluitvorming.
Een belangrijk resultaat op het terrein van gelijke kansen en arbeid is de totstandkoming van een politiek akkoord over de richtlijn bewijslast. In het kader van de Sociale Raad is na jarenlange discussie politieke overeenstemming bereikt over de richtlijn over de verdeling van bewijslast, waarmee een wettelijke basis is gelegd voor de rechtsgang in gevallen van discriminatie op grond van geslacht.
Op grond van de hierover tijdens de Europese Raad van Amsterdam gemaakte afspraak (neergelegd in de conclusies van de Europese Raad) kon in de laatste fase het VK over de materie van deze richtlijn meepraten tijdens de Sociale Raad van 27 juni jl.. Dit is daardoor de facto de eerste richtlijn die onder de Sociale Overeenkomst tot stand kan komen en voor 15 lidstaten geldt.
Ook is tijdens de Europese Raad artikel 119 van het Verdrag zodanig gewijzigd dat voorkeursbeleid mogelijk blijft. Dit is in overeenstemming met de wens van de Sociale Raad, zoals die is geuit naar aanleiding van de discussie rond de «Kalanke-richtlijn». Verdere behandeling van dit richtlijnvoorstel werd in dit licht niet zinvol gevonden en is derhalve gestaakt.
Een belangrijke impuls aan de discussie over de combinatie van arbeid en gezin werd bij aanvang van het Nederlandse voorzitterschap verwacht van een initiatief op het terrein van deeltijd. Helaas is het op zichzelf zeer verheugende akkoord tussen sociale partners hierover pas tot stand gekomen op een zodanig tijdstip, dat behandeling in de Sociale Raad onder Nederlands voorzitterschap niet meer mogelijk was.
Op een gezamenlijke conferentie van ministers van emancipatie en justitie over de bestrijding van vrouwenhandel is overeenstemming bereikt over een verklaring, waarin nadrukkelijk wordt gestipuleerd dat de vrouwen die ten gevolge van vrouwenhandel in een moeilijke (onwettige) situatie geraken slachtoffers zijn en dus hulp moeten krijgen in plaats van rechtsvervolging. De follow-up van deze verklaring zal in het kader van de JBZ-pijler verder uitgewerkt worden.
Mede als gevolg van de actuele ontwikkelingen rondom de voorgenomen sluiting van de Renault-vestiging te Vilvoorde, is tijdens het Nederlands voorzitterschap veel tijd en aandacht besteed aan het thema informatie en consultatie van werknemers. Zoals aangegeven, hebben de dreigende ontslagen bij de Renault-vestiging in Vilvoorde hun stempel gezet op de besprekingen van de Informele Raad. Deze actuele ontwikkeling leidde tot de vraag of de EU een rol kan of moet spelen bij industriële herstructureringsprocessen. Het Nederlands voorzitterschap heeft deze vraag direct opgepakt door besprekingen te organiseren met sociale partners over tijdige informatie van werknemers bij dergelijke herstructureringsprocessen.
Besprekingen over dit onderwerp tijdens de informele Sociale Raad van 14 en 15 maart resulteerden in conclusies van het voorzitterschap waarin alle betrokkenen werden aangespoord tot actie om dergelijke situaties in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen.
Op initiatief van het voorzitterschap heeft vervolgens op 15 april jl. overleg plaatsgevonden met de Europese Commissie en de sociale partners. Daar is afgesproken dat betrokkenen in het kader van de sociale dialoog verder over deze problematiek zouden onderhandelen met als doel de mogelijkheden van een gemeenschappelijke gedragslijn te onderzoeken. Op de Sociale Dialoog Top van 6 juni jl. bleek dat de sociale partners het nog niet eens konden worden over een gezamenlijke afspraak. Het debat over deze materie wordt tijdens het Luxemburgse voorzitterschap voortgezet.
6. Amsterdam Child Labour Conference en bijeenkomst over fundamentele arbeidsnormen
Van de extra «exposure» die een EU-voorzitterschap met zich meebrengt is gebruik gemaakt om een aantal belanghebbende onderwerpen aan de orde te stellen die op zichzelf een ruimere «scope» hebben dan de Europese Unie. Een eerste belangrijk voorbeeld hiervan is de Amsterdam Child Labour Conference die in februari jl. werd gehouden. De conferentie heeft geleid tot een unanieme veroordeling van de uitbuiting van kinderen in werksituaties en een roep om de preventie en onmiddellijke uitbanning van de meest uitbuitende vormen van kinderarbeid. De actie tegen kinderarbeid gaat verder: de ILO werkt aan nieuwe instrumenten op dit terrein. Hierover wordt u op korte termijn door middel van een notitie over kinderarbeid meer in detail geïnformeerd.
Verder is door het Nederlandse Voorzitterschap tijdens de Internationale Arbeidsconferentie van juni 1997 het initiatief genomen tot het organiseren van een informele ministeriële bijeenkomst tussen de Europese Unie en Azië over het zeer gevoelige onderwerp van de naleving van de fundamentele arbeidsnormen (vakbondsvrijheid, collectief onderhandelen, non-discriminatie, verbod op dwang- en kinderarbeid). Het doel van de bijeenkomst was een dialoog tot stand te brengen over de wijze waarop, in navolging van de conclusies van de Ministers Conferentie van de WTO in Singapore, in ILO-kader de discussie kan worden voortgezet over de bevordering van de naleving van deze fundamentele arbeidsnormen. Vooral het bouwen aan wederzijds vertrouwen was daarbij het uitgangspunt. Er werd na afloop unaniem geconcludeerd dat de rol van de ILO in standard-setting bestudeerd moet worden, er technische samenwerking moet komen en dat er geen rigide, maar een flexibele aanpak gewenst is. Er is afgesproken dat de dialoog gecontinueerd wordt. Recentelijk heeft u over de resultaten van deze bijeenkomst meer informatie ontvangen.
7. De resultaten van de IGC op sociaal terrein
In het Verdrag van Amsterdam is een nieuw Sociaal Hoofdstuk opgenomen. Dit bevat behalve het Sociaal Protocol, ook delen uit het oude sociale hoofdstuk alsmede drie nieuwe toevoegingen. Deze nieuwe onderdelen betreffen de verwijzing naar sociale grondrechten, bestrijding van sociale uitsluiting en een uitbreiding van artikel 119 inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
Het artikel inzake sociale uitsluiting voorziet in een rechtsbasis voor het aannemen van programma's op dit terrein. In het nieuwe artikel is een aantal randvoorwaarden neergelegd waaraan de programma's moeten voldoen. Zo moeten de programma's gericht zijn op het uitwisselen en verbeteren van kennis en ervaringen, het stimuleren van innovatieve aanpakken en de evaluatie van dit alles. Daarnaast is een Verklaring bij het Verdrag aangenomen waarin staat dat de financiering voor de programma's uit categorie 3 van de Financiële Perspectieven zal komen. Dit betekent dat het geld niet uit de Structuurfondsen komt, maar uit de reguliere begroting van de Europese Unie.
Tevens is in het nieuwe Sociale Hoofdstuk, in artikel 117 waarin de doelstellingen van het sociaal beleid zijn verwoord, een verwijzing naar sociaal-economische grondrechten opgenomen. Eenzelfde verwijzing wordt in de preambule bij het Verdrag opgenomen. Er wordt verwezen naar de grondrechten zoals neergelegd in het Europees Sociaal Handvest van 1961 van de Raad van Europa en van het Gemeenschapshandvest voor de werkenden van 1989 van de Europese Unie.
Ook het beginsel van non-discriminatie heeft een plaats in het Verdrag gekregen. In het algemene deel van het Verdrag is een bepaling opgenomen op grond waarvan de Raad maatregelen kan nemen om discriminatie op grond van geslacht, raciale of etnische afkomst, religie of geloof, handicap, leeftijd of sexuele geaardheid te bestrijden. Het artikel biedt een basis voor actie op Europees niveau, zonodig gericht op actuele maatschappelijke ontwikkelingen.
Artikel 119 inzake gelijke beloning voor mannen en vrouwen is onder meer uitgebreid met een rechtsbasis voor het nemen van maatregelen op het terrein van gelijke kansen in arbeid en beroep. Daarnaast is een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt dat de Lidstaten voorkeursbeleid voeren. Om tegemoet te komen aan een wens van Nederland is in een verklaring opgenomen dat voorkeursbeleid in eerste instantie op vrouwen moet worden gericht.
Verklaring over versnelde toetreding van het VK tot het Sociaal Protocol
Om het VK zo snel mogelijk te laten toetreden tot de onderhandelingen over sociaal beleid op basis van het Protocol, is door de Europese Raad een conclusie aangenomen waarin dit wordt geregeld. Officieel zou het VK immers pas partij worden bij de inhoud van het Protocol wanneer het Verdrag van Amsterdam in werking treedt; pas dan wordt het Protocol onderdeel van het Verdrag zelf. De ratificatie van het nieuwe Verdrag zal echter een paar jaar in beslag nemen. Daardoor zouden de Britten ook hun voorzitterschap van de Sociale Raad van de EU (in de eerste helft van 1998) niet naar behoren kunnen vervullen.
Daarom is op verzoek van het VK gezocht naar een praktische oplossing in de vorm van een politieke verklaring in de conclusies. Hierin verklaren de overige Lidstaten rekening te zullen houden met de mening van het VK in de besluitvorming over sociaal beleid (politieke verdiscontering van het stemgewicht).
Inmiddels is ook overeenstemming bereikt over de wijze waarop één en ander in formele zin wordt geregeld.
In het Verdrag van Amsterdam staat een geheel nieuw werkgelegenheidshoofdstuk. Hierin is een coördinatieprocedure vastgelegd, waarvan de werkgelegenheidsrichtsnoeren en aanbevelingen aan Lidstaten een belangrijk onderdeel uitmaken. Lidstaten moeten bij het nationale werkgelegenheidsbeleid rekening houden met de werkgelegenheidsrichtsnoeren van de Raad. Als zij dit niet doen heeft de Raad de mogelijkheid van het uitvaardigen van aanbevelingen aan Lid-staten om hen hierop te wijzen. De Europese Raad bepaalt in haar conclusies welke richting de richtsnoeren van de Raad op moeten gaan.
Het onlangs opgerichte Employment and Labour Market Committee krijgt expliciet een belangrijke rol in het verstrekken van adviezen aan de Sociale Raad over werkgelegenheidsbeleid.
Daarnaast is een artikel opgenomen dat het mogelijk maakt stimuleringsmaatregelen voor werkgelegenheid aan te nemen.
Resolutie over groei en werkgelegenheid
De Europese Raad heeft tevens een resolutie over groei en werkgelegenheid aangenomen, mede op instigatie van de nieuwe Franse regering. In de resolutie is neergelegd dat de coördinatie van economisch beleid op basis van artikel 102 en 103 moet worden versterkt. De globale richt-snoeren moeten zich meer focussen op werkgelegenheid. Doordat de resolutie het EMU-deel uit het Verdrag koppelt aan het Werkgelegenheidshoofdstuk is op deze wijze het Verdrag van Maastricht aangevuld. Tevens is in de resolutie opgenomen dat onderzocht zal worden op welke wijze er meer gelden kunnen worden vrijgemaakt voor werkgelegenheidscreatie.
Voornemens van het Luxemburgs voorzitterschap op sociaal terrein
Het Luxemburgse voorzitterschap zal zijn werkprogramma vorm geven aan de hand van een viertal prioriteiten:
1. Organisatie en structuur van de arbeid
In dit kader zal de discussie over de Commissiemededeling inzake de organisatie van de arbeid voortgezet worden. Verder zal Luxemburg het binnen enkele weken te verwachten Commissievoorstel over deeltijdarbeid agenderen. Ook zal Luxemburg verder werken aan de follow-up van het Davignonrapport.
2. De uitbreiding van de Unie
Op initiatief van het Luxemburgs voorzitterschap zal de voorbereiding voor een discussie over de sociale aspecten van de uitbreiding ter hand worden genomen. Tijdens de eerstkomende Sociale Raad op 7 oktober a.s. zal een gestructureerde dialoog plaatsvinden met de landen uit Midden- en Oost-Europa (de nieuwe toetreders).
3. Werkgelegenheid
Werkgelegenheid zal vooral in het licht van de follow-up van de conclusies van de Europese Top van Amsterdam nader uitgewerkt gaan worden. Op 21 november zal er een speciale Europese Top gewijd worden aan werkgelegenheid. Tijdens de Informele Sociale Raad van 4 en 5 juli jl. is gesproken over de wijze waarop tijdens de Werkgelegenheidstop invulling kan worden gegeven aan de conclusies van de Europese Raad.
Daarnaast zal het Luxemburgs voorzitterschap bezien in hoeverre het Essen-programma gedeblokkeerd kan worden in het licht van de besluiten van Amsterdam.
4. Dossiers
Dit betreft de voortzetting van een aantal lopende dossiers zoals het voorstel voor uitbreiding van Vo 1408/EG en de reguliere technische wijzigingen van deze Verordening. Daarnaast zal de tweede lezing van de richtlijn Verdeling Bewijslast onder Luxemburgs voorzitterschap plaatsvinden, een wijziging van het Besluit inzake de Europese Stichting voor Beroepsopleiding en een ontwerp-aanbeveling inzake een parkeerkaart voor gehandicapten.
Voorts zal de toetreding van het VK tot de ouderschapsrichtlijn en de richtlijn Euro-OR ter hand worden genomen.
5. Vergaderingen Sociale Raad
Onder Luxemburgs voorzitterschap zullen twee bijeenkomsten van de Sociale Raad plaatsvinden. De eerste is voorzien op 7 oktober a.s., in Luxemburg, de tweede op 2 december a.s. in Brussel. Een informele bijeenkomst van ministers van sociale zaken heeft reeds op 4 en 5 juli jl. in Echternach plaatsgevonden. Thema's waren, naast werkgelegenheid in het licht van de voorbereiding van de Werkgelegenheidstop, het rapport van de groep Davignon en de follow-up die daaraan zou kunnen worden gegeven en het Groenboek van de Europese Commissie over organisatie van de arbeid.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. P. W. Melkert
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-68.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.