Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 21501-18 nr. 65 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 21501-18 nr. 65 |
Vastgesteld 2 mei 1997
De algemene commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben op 10 april 1997 overleg gevoerd met minister Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:
– het verslag van de Sociale Raad van 2 december 1996(21 501-18, nr. 60);
– het verslag van de informele Sociale Raad van 14 en 15 maart te Rotterdam (brief d.d. 4 april 1997);
– de geannoteerde agenda voor de Sociale Raad van 17 april 1997 (21 501-18, nr. 64);
– de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 23 januari 1997 over de Europese resolutie Gelijke behandeling van gehandicapten en de gevolgen van het arrest-Barber van het Europese Hof (21 501-18, nr. 62);
– de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 5 februari 1997 over «werkgelegenheid en groei in Europa: de weg vooruit» (21 501-18, nr. 63);
– de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 9 april 1997 over gelijke behandeling bij pensioenen.
Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Van der Stoel (VVD) vroeg naar aanleiding van het eerste onderdeel van het verslag van de vergadering van de Sociale Raad van 2 december jl. wat er zou moeten worden verstaan onder de passage «hervorming van de belastingstelsels zodat deze werkgelegenheidsvriendelijker worden» in het gezamenlijke rapport. Gaat het vooral om lastenverlaging, wat ook in Nederland een uitmuntend recept voor werkgelegenheid blijkt te zijn, ook door de verbetering van de koopkracht? Bestaat het risico dat er nu uit Europa iets op Nederland afkomt waarop het kabinet zelf nog aan het studeren is en waarin de Kamer nog nauwelijks inzage heeft gehad?
Verder ging mevrouw Van der Stoel ervan uit dat de resolutie in het
zesde onderdeel van het verslag slechts een oproep aan de lidstaten inhoudt om zich aan het aangegeven recept te houden.
Zij vond het verrassend dat uit het zevende onderdeel blijkt dat Nederland de werkelijke ziektekosten van studenten niet kan verbijzonderen. Geldt dit voor nog meer categorieën?
Terzake van het twaalfde onderdeel van het verslag sprak mevrouw Van der Stoel de hoop uit dat de stroperigheid in de sociale dialoog, die in Nederland naar haar mening tamelijk goed bestreden wordt, niet weer in Europa de kop zal opsteken.
Naar aanleiding van het verslag van de informele bijeenkomst van de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 14 en 15 maart 1997 merkte mevrouw Van der Stoel op dat er bewezen is dat een sociale basiszekerheid rust geeft, zeker als er wordt ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen, zoals flexibele arbeid, maar zij vroeg de minister ook naar de maatvoering, omdat een te zwaar stelsel de werkgelegenheid juist zou kunnen belemmeren. Ook vroeg zij naar de ideeën op het gebied van verlaging van de lasten op arbeid.
Wat de agenda voor de Sociale Raad van 17 april 1997 betreft vroeg mevrouw Van der Stoel naar de verwachtingen van de regering van het debat over de richtlijn inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Zij was het ermee eens dat de regering niet instemt met vervanging van de term «vrouwen» door de term «ondervertegenwoordigd geslacht» in de richtlijn-Kalanke. En ten slotte vroeg zij naar de inzet van de regering op het punt van de non-discriminatieclausule in het verdrag van Amsterdam.
Mevrouw Schimmel (D66) merkte op dat het effect van de besluitvorming inzake de richtlijn op basis van het arrest-Barber haar ondanks verwoede pogingen om deze moeilijke materie te doorgronden nog steeds niet duidelijk is. Er staat in de laatste brief van de minister over dit onderwerp dat vrouwen weliswaar met succes met terugwerkende kracht aansluiting bij een pensioenregeling voor de periode 1976–1990 kunnen vorderen, maar dat zo'n vordering, als ze ingesteld is na 17 mei 1990, zal afstuiten op de bepaling in de richtlijn van 20 december 1996. Mevrouw Schimmel kon uit de brief niet opmaken of vrouwen hiermee ook echt met terugwerkende kracht tot 1976 pensioengeld kunnen vorderen. Zij wees erop dat onder andere uit het instellen van een meldpunt voor de reparatie van vrouwenpensioenen blijkt dat het overheidsbeleid hier wel steeds op gericht is geweest. Het zou tamelijk onbehoorlijke Europese regelgeving zijn als de richtlijn reparatie materieel toch onmogelijk maakte, aldus mevrouw Schimmel. Zij begreep ook niet hoe de minister in de brief van 23 januari jl. kon stellen dat de materiële gevolgen voor vrouwen kunnen meevallen. Overgangsregelingen met gelijke behandeling bieden in haar ogen geen soelaas, omdat de ongelijke behandeling al eerder heeft plaatsgevonden.
Verder was mevrouw Schimmel het eens met het standpunt van de regering inzake de richtlijn-Kalanke dat de huidige richtlijn nog niet veranderd behoeft te worden.
Mevrouw Schimmel was zeer tevreden over de actie van de minister op het punt van de voorgenomen sluiting van een vestiging van Renault in België. Zij vroeg naar de inhoud van de op te stellen gedragscode en naar de mogelijkheden om op de naleving daarvan toe te zien.
Wat de agenda voor de aanstaande Sociale Raad betreft vond mevrouw Schimmel het jammer dat het richtlijn inzake de bewijslast zich volgens het voorstel niet zal uitstrekken tot de richtlijnen op het gebied van sociale zekerheid en aanvullende pensioenen.
In het verslag van de Sociale Raad van 2 december 1996 staat dat de regering het belangrijk acht, bij de verdere ontwikkeling van de sociale dialoog de representativiteit in de gaten te houden. Mevrouw Schimmel was het hiermee eens. Zij vroeg in dit verband nog wel of de politiek niet meer zou kunnen doen dan het stichtingsakkoord inzake flexibiliteit en zekerheid overnemen of afwijzen.
Ten slotte vroeg zij de minister nog, in te gaan op de uitspraak van minister Zalm in «Europa van morgen» dat enige beleidsconcurrentie tussen Europese landen op fiscaal terrein wel goed is, een uitspraak die haar in strijd leek met het algemene streven naar harmonisering.
Mevrouw Adelmund (PvdA) gaf aan dat zij het doorgaans wel eens is met de inzet van de minister in Europees verband. Zij vroeg nog wel aandacht voor de onbalans van monetaire en sociaal-economische politiek. Nederland wordt alom geprezen voor zijn sterke economie en zijn goede sociale beleid. Een solide sociale bescherming achtte zij een voorwaarde voor de economische dynamiek. In Europa staat voortdurend het economische en monetaire beleid op de voorgrond, maar het inzicht dat een goede balans belangrijk is, wint terrein. Er worden wel kleine stappen in de goede richting gezet. Mevrouw Adelmund vroeg een toelichting op de concrete stappen die zullen worden ondernomen om de geïntegreerde strategie, voorgesteld door Santer, daadwerkelijk in praktijk te brengen. Zij vond de oprichting van een comité voor werkgelegenheid en arbeidsmarkt een stap in de goede richting, maar zij vroeg zich af of het comité een zodanige status heeft dat er binnen afzienbare tijd een meer samenhangend sociaal-economisch en monetair beleid zal worden gevoerd. De minister heeft al eerder aangegeven dat het comité onder de Raad en niet onder de Commissie valt en dat het niet zelf initiatieven kan nemen. Mevrouw Adelmund hoopte dat hierin verandering kan komen als bij de IGC een substantieel hoofdstuk over werkgelegenheid in het verdrag kan worden opgenomen. Hoe staat het hiermee?
De beleidsconcurrentie op het gebied van belastingen laat volgens mevrouw Adelmund zien dat samenhang in het Europese beleid nog te vaak ontbreekt. Van de plannen om de belastingdruk op arbeid te verminderen is in de praktijk niet veel terechtgekomen, er is juist sprake van een verschuiving naar de druk op arbeid. De plannen van de Europese Raad om meer werk te creëren worden daardoor ondergraven.
Het besluit inzake Renault is voor velen het symbool van het sociale gebrek van Europa, aldus mevrouw Adelmund, waarbij zowel de bonden als de politiek een rol spelen. Ook zij was blij met de actie van de minister terzake en zij sloot zich aan bij de vraag van mevrouw Schimmel naar de mogelijkheden om de voorgenomen gedragslijn te effectueren. De Commissie moet de invloed van de Europese steun op beslissingen over investeringen onderzoeken en zij moet nagaan of er voor dit soort gevallen een bemiddelingsmechanisme zou moeten komen. Wat hebben de werknemers van Renault aan de uitspraken van de rechter en de voorgenomen actie van de Sociale Raad? Hoe kan er bewerkstelligd worden dat werknemers meer invloed op beslissingen als deze kunnen uitoefenen? Blijkt hier niet uit dat de richtlijn inzake collectief ontslag en de richtlijn inzake de Euro-ondernemingsraad op dit punt te weinig garanties bieden als het gaat om de neerslag hiervan in nationale wetgeving, met name ten aanzien van de mogelijkheden om naar de rechter te stappen? Moet in beide genoemde richtlijnen niet worden aangegeven, welke administratieve en gerechtelijke mogelijkheden in de nationale wetgeving moeten worden vastgelegd?
Een gedragscode overeenkomen kan nuttig zijn, maar het is onvoldoende als bedrijven zelfs de Europese richtlijnen niet naleven, aldus mevrouw Adelmund. Zij wees erop dat de gedragscode van de OESO en van de Verenigde Naties in dit geval ook niet gewerkt hebben. Is er geen grondige evaluatie van de twee genoemde richtlijnen, de omzetting daarvan in nationale wetgeving en de sanctiemogelijkheden nodig? Wat vindt de minister van het voorstel om de Commissie meer bevoegdheden te geven om bedrijfsbeslissingen nietig te verklaren als de voorgeschreven procedures niet worden gevolgd?
Mevrouw Van Rooy (CDA) was de minister erkentelijk voor het verslag van de Informele Raad, omdat dergelijke verslagen niet bij al zijn collega's gebruikelijk zijn. Zij feliciteerde hem met de benoeming van de heer Borstlap als voorzitter van het Comité voor de werkgelegenheid, waarvoor de minister zich zo sterk heeft gemaakt. Dit gaf haar wat meer vertrouwen in dit comité, maar zij vroeg zich nog wel af wat er nu precies onder «benchmarking» verstaan wordt, vooral bij het cruciale thema van de lastenverlichting.
Verder was mevrouw Van Rooy het eens met de conclusie van de informele Sociale Raad dat verbreding van de in de Sociale Raad te behandelen onderwerpen noodzakelijk is, omdat zo veel zaken met elkaar samenhangen. Zij vroeg op welke wijze de Sociale Raad voornemens is deze verbreding gestalte te geven. Zij wees erop dat met name de toekomstige EMU-landen hun sociaal-economisch beleid veel nauwer zullen moeten coördineren en afstemmen. Het accent ligt te veel op het financiële en monetaire beleid.
Terzake van de kwestie-Renault veronderstelde mevrouw Van Rooy dat er in verband met de nauwe contacten tussen overheid en bedrijfsleven in Frankrijk toch ook een zekere verantwoordelijkheid van de Franse regering is. Zij ging ervan uit dat de minister zijn Franse collega wel eens gevraagd heeft, welke pogingen de Franse regering gedaan heeft om te voorkomen dat de directie van Renault de Europese regelgeving voor het raadplegen van de OR zo flagrant naast zich neer heeft gelegd.
De minister bevestigde dat ook hij lastenverlaging bij hervorming van de belastingstelsels een zeer bruikbaar recept vindt en dat hij dat ook graag onder de aandacht van geestverwanten van mevrouw Van der Stoel brengt, maar hij wees net als mevrouw Adelmund ook op het belang van verschuivingen in de stelsels. Er is in Nederland in de afgelopen jaren welbewust gezocht naar mogelijkheden tot lastenverlichting in de sfeer van premies en belastingen. In verschillende landen heeft men geconstateerd dat de belasting vooral op laag betaalde arbeid te zwaar op de kosten drukt, maar de beleidslijnen op dit punt lopen nogal uiteen vanwege de verschillen tussen de stelsels in de lidstaten, zodat eenduidige aanbevelingen niet zo gemakkelijk op te stellen zijn. Het is wel een opdracht die de Sociale Raad zichzelf heeft gegeven en deze komt ook tot uitdrukking in het werkgelegenheids- en arbeidsmarktcomité. Het gaat in dit verband in de werkgroep-Monti om allerlei deelaspecten, die uiteraard ook van belang zijn bij het opstellen van de nota over het Nederlandse belastingstelsel in de eenentwintigste eeuw. Een wisselwerking is noodzakelijk, maar de minister zag geen aanleiding voor enige vrees dat het tempo van de ontwikkelingen in Europees verband hoger zou zijn dan in Nederland. Hij wees er nog op dat in de discussie over de grondslagen de mogelijkheden tot belastingverlaging natuurlijk begrensd worden door de doeleinden die men met belasting en premie wil bereiken. Een en ander speelt een belangrijke rol in de exercitie die de ministers van Financiën aan het voorbereiden zijn. Vormen van lastenverlichting spelen ook een rol in de resolutie inzake sociale bescherming en werkgelegenheid.
De minister gaf verder aan dat Nederland in verband met de verordening inzake de coördinatie van sociale zekerheid problemen heeft met de verrekening van ziektekosten voor studenten, omdat het Nederlandse systeem geen verbijzondering in groepen kent bij de kostentoerekening. Hij was er met enige uitleg in geslaagd, de voortgang niet te blokkeren en toch de nodige ruimte op dit punt te behouden. Een fundamentele verandering van de systematiek van het ziekenfonds, die de minister zou afraden, zou ook geen andere inpassing opleveren.
In de sociale dialoog speelt de kwestie van de representativiteit inderdaad een heel belangrijke rol. Stroperigheid doet zich voor, maar de minister achtte dit verschijnsel niet inherent aan deze dialoog. Hij had ook gemerkt dat er overeenstemming over bestaat dat er verbetering in gebracht moet worden, juist om de betekenis van de sociale dialoog te vergroten. De minister was in dit verband ook positief gestemd over het sociale protocol en hij achtte de kans niet klein dat dit uiteindelijk ook in juni in het verdrag zou kunnen worden opgenomen. Hij meende dat het democratische gat door de grotere betrokkenheid van de sociale partners die erin voorzien is, veeleer verkleind dan vergroot is. Het gaat weliswaar om een «take-it-or-leave-itprocedure», maar de Raad kan daardoor wel het resultaat afwijzen, als het hem niet bevalt, waarmee een soort amenderend karakter ontstaat. De minister noemde in dit verband nog de zeer prominente rol van de Commissie in de hele procedure, wat volgens het klassieke Nederlandse standpunt ook een manier is om een democratisch deficit te voorkomen.
De minister wees erop dat een Europese munt niet sterk en concurrerend kan zijn als de economieën die er in werkelijkheid aan ten grondslag liggen, niet convergeren en als er geen sprake is van een behoorlijke maatschappelijke stabiliteit. Deze gedachte krijgt overal wel bijval. De maatvoering van sociale zekerheid is niet vanzelfsprekend; de minister verwachtte dat hierover nog heel veel gesproken zal worden, maar hij vond het in ieder geval zeer belangrijk dat er steeds meer erkend wordt dat sociale investeringen niet alleen als kosten moeten worden beschouwd, maar dat ze ook in termen van baten kunnen worden gezien, afhankelijk van vormgeving en maatvoering. Er wordt ook hard aan gewerkt om deze notie meer inhoud te geven, zoals blijkt uit de conferentie in Amsterdam van eind januari.
Over de afstandelijke positie van het Europese Parlement bij de richtlijn inzake de verdeling van de bewijslast kon niet meer worden medegedeeld dan wat er in het verslag stond, omdat het Europese Parlement nog met dit dossier bezig is. De Raad zal kennis moeten nemen van de bezwaren van het Europese Parlement voordat het op dit punt tot een afronding kan komen. De minister sloot niet uit dat er in de komende vergadering over gesproken zal worden, maar hij verwachtte in verband met die bezwaren niet dat de zaak zal kunnen worden afgerond. Het leek hem wel nuttig om alvast de stand van zaken in de verschillende lidstaten te inventariseren.
In dit verband gaf de minister nog aan dat er wel geprobeerd is om deze richtlijn te verbreden tot de sociale zekerheid en de aanvullende pensioenen, maar dat dit niet haalbaar is gebleken omdat sommige landen hier niets voor voelen. Overigens geldt dat voor alles wat niet in de richtlijn wordt opgenomen, de jurisprudentie geldt die inmiddels al totstandgekomen is. Het is dus geen stap terug, er wordt nu alleen geen voortgang geboekt bij de uniformering van de benadering van andere richtlijnen waarbij directe of indirecte discriminatie aan de orde kan zijn. Naar het zich laat aanzien, zal er in het verdrag van Amsterdam wel een paragraaf over non-discriminatie worden opgenomen. De minister waagde zich niet aan voorspellingen, maar hij vermoedde dat mevrouw Van der Stoel niet ontevreden zou zijn over de evolutie van de discussie op dit punt.
De minister gaf mevrouw Schimmel een compliment omdat zij steeds is blijven aandringen op zoveel mogelijk duidelijkheid over de zeker voor belanghebbenden moeilijk te doorgronden materie die met het arrest-Barber samenhangt. Hij bevestigde dat het voor vrouwen mogelijk is om met terugwerkende kracht tot 1976 pensioengeld terug te vorderen als zij met succes het recht op aansluiting hebben bedongen, zij het met inachtneming van de voor hen geldende pensioenregeling en van eventuele verjaringstermijnen. Rechtbanken hebben verschillende uitspraken gedaan over verjaringstermijnen, variërend van vijf tot dertig jaar. Het is nu aan de Hoge Raad om definitief uitsluitsel op dit punt te geven. De minister gaf aan dat de richtlijn die op 20 december aan de orde was, niet méér inhield dan codificering van de jurisprudentie van het Hof.
Ingaande op een opmerking van mevrouw Schimmel over de uitspraak van minister Zalm dat er geen uniform belastingsysteem in Europa moet komen, zei de minister dat deze zeker mede namens hem heeft gesproken. Het streven is er wel op gericht Europees beleid te maken ter bestrijding van oneigenlijke vormen van concurrentie die afbreuk doen aan het «level playing-field» van de interne markt. Dat is ook een opdracht van de Ecofin-raad aan de groep-Monti. De minister zag hierbij een dynamiek in het verschiet die vergaande consequenties zal hebben op fiscaal en sociaal beleid. Hij was het eens met mevrouw Van Rooy dat het goed is om daar zo goed mogelijk op voorbereid te zijn, ook in verband met een betere coördinatie van verschillende verantwoordelijkheden en belangen op Europees niveau.
Ook erkende de minister dat de oprichting van een werkgelegenheids- en arbeidsmarktcomité op zichzelf meer verkokering teweegbrengt dan dat er dwarsverbindingen mee worden aangebracht. Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat dit comité zich samen met het comité voor economisch politiek zal zetten aan de voorbereiding van het interimrapport over de werkgelegenheid ten behoeve van Amsterdam en van het jaarlijkse rapport over de werkgelegenheid dat aan de najaarstop in Luxemburg zal worden aangeboden. De minister was blij dat het beleid op dit terrein hiermee in een volwaardige structuur op twee poten rust, maar hij wees er wel op dat deze structuur geen doel op zichzelf is en dat deze dient ter bevordering van beleidsintegratie, waarover ook echt afspraken zijn gemaakt. Het leek hem ook helemaal niet zo'n gekke gedachte dat er met de EMU betere voorwaarden ontstaan om gemeenschappelijke raden in te stellen en hij verwachtte dat de Europese Raad hierbij een grotere rol gaat spelen en dat deze dan ook frequenter bijeen zal komen, omdat beleidsintegratie heel belangrijk wordt om waar te kunnen maken dat monetair, sociaal en economisch beleid goed aan elkaar gekoppeld blijven, in ieder geval in de strategische oriëntatie en coördinatie.
Naar aanleiding van een pleidooi van mevrouw Van Rooy voor een permanente gemeenschappelijke oriëntatie op het sociale en het economische beleid, ook in verband met de Franse voorstellen op het gebied van privatisering en deregulering, om het accent wat minder eenzijdig op het monetaire beleid te leggen, verklaarde de minister dat er met de zeer specifieke paragrafen in het deel over de EMU in het verdrag van Maastricht in feite aan de Ecofin-raad opdracht is gegeven, alles uit te werken wat uit die bepalingen voortvloeit. Het ligt ook voor de hand dat het, zo er een werkgelegenheidsparagraaf in het verdrag van Amsterdam zal worden opgenomen, niet zal blijven bij een aantal teksten over werkgelegenheid, maar dat er ook een opdracht in besloten zal liggen om er een procedureel en institutioneel vervolg aan te geven. De minister was het overigens met mevrouw Van Rooy eens dat er een aantal forse knelpunten zijn op het punt van de toekomstige beleidsintegratie vanuit de invalshoeken economische zaken en sociale zaken. Pogingen om deze knelpunten weg te nemen zullen echter moeten wachten tot na «Amsterdam», omdat dit nu eenmaal in hoge mate de agenda bepaalt.
De minister achtte de kans groot dat er in het verdrag van Amsterdam een substantiële paragraaf over werkgelegenheid wordt opgenomen en hij zei dat het Nederlandse kabinet er ook hard aan werkt. Hij waarschuwde er wel voor dat dan het eigenlijke werk pas begint, omdat het opnemen van dergelijke teksten op zichzelf nog geen oplossing biedt voor het grote probleem waarmee Europa kampt.
De kwestie-Renault zou de minister niet willen zien als een symbool van het sociale gebrek van Europa, maar veeleer als het omgekeerde, al had hij er wel begrip voor dat veel mensen het zo zien. Hij wees erop dat het recente omzetten van de richtlijn inzake de Europese ondernemingsraad in nationale wetgeving als het ware illustreert dat de Europese wetgever niet voor niets met dit soort vraagstukken in de weer is geweest. Al bijna twintig jaar geleden is men in de Gemeenschap begonnen aan het opstellen van deze richtlijn, wat aangeeft dat er toch behoorlijk over nagedacht is.
Verder gaf de minister aan dat de Belgische en de Franse rechter zich over deze kwestie hebben uitgesproken en dat gebleken is dat de Europese richtlijn toch niet echt inadequaat genoemd kan worden. Hoe fragiel deze op sommige punten ook is, het belang van de tijdigheid van informatie aan en consultatie van werknemers staat voorop. De sancties zijn aan de nationale wetgever overgelaten, wat in België en Frankrijk gemengde gevoelens heeft opgeleverd. De minister vond echter niet dat dit punt met Europa teruggekoppeld zou mogen worden.
De minister sloot niet uit dat het in lijn met de vragen van mevrouw Adelmund tot een nadere overweging van de bestaande richtlijn zal komen. Maar aangezien het uitgesloten was dat er al in Rotterdam overeenstemming over bereikt zou kunnen worden, is er vooralsnog een andere weg ingeslagen. Omdat er echt naar Europa gekeken wordt, is er bij de informele raad besloten, in ieder geval een kortetermijnreactie te geven. De ministers van Sociale Zaken worden hierbij immers gezien als de hoeders van de richtlijn voor collectief ontslag en de Europese ondernemingsraad. De minister zei dat hij het onvergeeflijk zou hebben gevonden als de Raad slechts aan de Commissie gevraagd zou hebben om te overwegen, de richtlijn aan te scherpen, en vervolgens zou zijn overgegaan tot de orde van de dag. Er is dus besloten, voor de korte termijn te proberen om met de sociale partners de geest van de richtlijn en van een gezamenlijk beleefde verantwoordelijkheid ook in Europa bespreekbaar te maken. De minister gaf volmondig toe dat er een Nederlands tintje aan zit en dat hij in Rotterdam duidelijk had gemaakt dat men ook met overredingskracht en gezamenlijke commitments een heel eind kan komen. Hij kondigde aan dat er op 15 april in Brussel een gesprek met de Europese organisaties van werkgevers en werknemers zal worden gevoerd over de conclusies van de voorzitter uit de informele raad in Rotterdam. De minister wilde niet op de resultaten ervan vooruitlopen, maar hij gaf wel aan dat het ook in België als heel belangrijk wordt beschouwd dat het gesprek hierover wordt voortgezet.
Mogelijkheden om zich rechtstreeks tot de betrokken werknemers van Renault te wenden zag de minister niet. De Franse regering is actief bij de besprekingen betrokken geweest, maar het lag volgens de minister niet in de rede om de Europese Raad zich tot haar te laten wenden. Hij kon wel bevestigen dat er informeel met de Franse regering over de zaak-Renault gesproken is, die in afwijking van een lange traditie bewust heeft nagelaten te interveniëren, hoe men dit ook zou willen beoordelen.
De kwestie-Renault staat overigens op zichzelf niet op de agenda voor het komende gesprek, maar wel economische herstructurering in het algemeen. De minister vond het van belang dat er ook vanuit de sociale invalshoek wordt erkend dat die onvermijdelijk is en hij gaf aan dat er geprobeerd zal worden, met de elementen tijdige informatie en consultatie, sociale plannen, alternatieven, steunverlening en bemiddeling de contouren te schetsen van het toekomstige sociale beleid in Europa. Hij sloot niet uit dat de vragen van mevrouw Adelmund op dit punt in de nabije toekomst nog aan de orde zullen komen, maar hij zei dat de regering er nog geen afgerond oordeel over heeft. Hij verwachtte dat dat oordeel ook zal afhangen van de bevindingen in de dialoog met de sociale partners over de richtlijn.
Ten slotte merkte de minister nog op dat het verzoek aan de Commissie om de invloed na te gaan van communautaire steunverlening op desinvesteringsbeslissingen van ondernemingen voortgekomen was uit de vraag, hoe de simpele waarneming van de gelijktijdige sluiting van een fabriek in België en het mede met communautaire middelen openen van een fabriek in Spanje van een in Frankrijk gevestigd bedrijf zich verhoudt tot het staande beleid op tal van punten, waaronder steunverlening en concurrentie, nog afgezien van de appreciatie van de betekenis daarvan voor de werkgelegenheid.
1
Samenstelling: Leden: Van der Linden (CDA), Blauw (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Weisglas (VVD), Terpstra (CDA), Verspaget (PvdA), Ter Veer (D66), voorzitter, Ybema (D66), Van Middelkoop (GPV), Leers (CDA), Sipkes (GroenLinks), Van Rooy (CDA), Woltjer (PvdA), ondervoorzitter, Hendriks, Gabor (CDA), Voûte-Droste (VVD), Schuurman (CD), Hessing (VVD), Van den Bos (D66), Van Oven (PvdA), Hoogervorst (VVD), Rouvoet (RPF), Van Waning (D66), Houda (PvdA), Rehwinkel (PvdA).
Plv. leden: Bukman (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van Traa (PvdA), Blaauw (VVD), Verhagen (CDA), Van der Ploeg (PvdA), Koekkoek (CDA), De Graaf (D66), Van den Berg (SGP), Van der Hoeven (CDA), M. B. Vos (GroenLinks), Hillen (CDA), Witteveen-Hevinga (PvdA), R.A. Meijer (groep-Nijpels), De Jong (CDA), O. P. G. Vos (VVD), Poppe (SP), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Roethof (D66), Crone (PvdA), Verbugt (VVD), Leerkes (Unie 55+), Hoekema (D66), Adelmund (PvdA), Lilipaly (PvdA).
Samenstelling: Leden: Wolters (CDA), voorzitter, Van Nieuwenhoven (PvdA), Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), R. A. Meijer (groep-Nijpels).
Plv. leden: Terpstra (CDA), Oudkerk (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Mulder-van Dam (CDA), Sterk (PvdA), Terpstra (CDA), Van Rooy (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), De Jong (CDA), Dijksma (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Apostolou (PvdA), Ten Hoopen (CDA), Van Boxtel (D66), J. M. de Vries (VVD), B. M. de Vries (VVD), Leerkes (Unie 55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD), Hoogervorst (VVD), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-65.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.