21 501-18
Sociale Raad

nr. 64
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 2 april 1997

Bijgaand doe ik u, mede met het oog op het Algemeen Overleg op 10 april a.s., de geannoteerde agenda toekomen voor de Sociale Raad op 17 april a.s. in Luxemburg.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert

Geannoteerde agenda van de Sociale Raad van 17 april 1997

De volgende onderwerpen zullen op de Sociale Raad aan de orde komen:

1. Werkprogramma van het werkgelegenheid- en arbeidsmarktcomité (ELMC)

Er zal een presentatie plaatsvinden van het werkprogramma voor 1997 van het in december 1996 ingestelde ELMC. Het ELMC heeft een adviserende taak naar de Sociale Raad op het gebied van werkgelegenheid en arbeidsmarkt.

Het werkprogramma van het ELMC bevat de volgende prioriteiten:

– follow-up van de Raad van Dublin om instrumenten te ontwikkelen voor een effectieve monitoring en evaluatie van de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt;

– voorbereiding van een bijdrage voor het Interim Rapport voor de Raad van Amsterdam met betrekking tot werkgelegenheid en de arbeidsmarkt;

– voorbereiding van een gezamenlijk Rapport over werkgelegenheid voor de Raad van Luxemburg.

Mede in het kader van bovengenoemde ontwikkeling van instrumenten voor monitoring en evaluatie van werkgelegenheid, is ook tijdens de Informele Sociale Raad op 14 en 15 maart jl. gesproken over de ontwikkeling van indicatoren en benchmarking.

Het ELMC zal zich de komende tijd gaan buigen over de concrete uitwerking van deze instrumenten die zeer waardevol kunnen zijn in verdieping van het proces dat vanaf de Europese Raad in Essen is ingezet met het oog op de totstandbrenging van een sterkere coördinatie van het arbeidsmarktbeleid van de lidstaten. Het beleid van de lidstaten kan langs deze weg onderling vergelijkbaar worden gemaakt, opdat vervolgens kan worden bekeken welke maatregelen in welke omstandigheden succesvol zijn.

Het thema «verlaging van de lasten op arbeid» (waarover eveneens tijdens de Informele Raad is gesproken) zal één van de kernthema's zijn waarop het ELMC zich inhoudelijk zal gaan bezinnen.

De drie onderwerpen (indicatoren, benchmarking en lasten) zullen ook een plaats krijgen in het Interimrapport voor de Top van Amsterdam.

2. Bewijslast

Dit betreft een voorstel van de Europese Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de verdeling van de bewijslast op het gebied van gelijke beloning voor en de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

De Commissie beoogt met dit voorstel een grotere doeltreffendheid van de door de lidstaten getroffen maatregelen ter implementatie van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Het voorstel is gebaseerd op de procedure van het Sociaal Protocol en raakt dus maar veertien lidstaten. Dit houdt tevens in dat de besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid plaatsvindt.

Het richtlijnvoorstel bepaalt dat de bewijslast over de eiser en de gedaagde verdeeld moet worden; de eiser moet aannemelijk maken dat er van sexe-discriminatie sprake is, waarna de gedaagde moet bewijzen dat hij niet gediscrimineerd heeft, of dat hij daarvoor geen objectieve redenen heeft.

Op de Sociale Raad van 2 december 1996 is op hoofdlijnen reeds een akkoord over de materie bereikt.

Tijdens verdere onderhandelingen in de raadswerkgroep onder Nederlands Voorzitterschap bleek dat twee aspecten niet geheel overeenkwamen met de Hofrechtspraak. Het betreft hier de tenzij-clausule met betrekking tot een rechtvaardigingsgrond bij indirecte discriminatie in de definitie van indirecte discriminatie en het schrappen van een onduidelijk geachte passage in de richtlijn, die zou kunnen inhouden dat ook directe discriminatie gerechtvaardigd zou kunnen worden door objectieve factoren.

Inmiddels zijn deze twee onjuistheden in het richtlijnvoorstel opgelost. In het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper) is gebleken dat er nog slechts sprake is van enkele parlementaire en taalvoorbehouden.

Een politiek akkoord op de Sociale Raad van 17 april lijkt hierdoor goed mogelijk te zijn.

Het advies van het EP wordt verwacht in mei. Uit het concept-advies van de Commissie Rechten van de vrouw blijkt dat het EP niet onverdeeld gelukkig is met het niet opgenomen zijn van de richtlijnen sociale zekerheid en aanvullende pensioenen in de werkingssfeer van het richtlijnvoorstel inzake bewijslast.

3. Kalanke richtlijn

Dit betreft een voorstel van de Europese Commissie voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van richtlijn 76/207/EEG, betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.

Volgens de Commissie blijkt uit het arrest dat een nationale regeling die vrouwen absoluut en onvoorwaardelijk voorrang geeft, niet is toegestaan. De Europese Commissie vreest dat door Kalanke onduidelijkheid is ontstaan. Met deze wijziging beoogt de Commissie de richtlijn in overeenstemming met de Kalanke uitspraak te brengen en daarmee duidelijkheid te creëren. In de voorgestelde bepaling wordt de term «vrouwen» die in de huidige richtlijn staat, vervangen door de term «ondervertegenwoordigd geslacht». Verder wordt opgenomen dat alle vormen van positieve actie worden toegestaan, mits zij ruimte bieden om bijzondere omstandigheden van elk individueel geval mee te wegen.

Het Europees Parlement heeft nog geen advies uitgebracht over Kalanke.

Wel heeft de Commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid van het EP op 30 augustus 1996 een ontwerp-advies uitgebracht.

De conclusie van deze Commissie aan de Commissie rechten van de vrouw van het EP is om in haar verslag rekening te houden met het volgende:

De toevoeging van het beginsel van gelijke kansen aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap wordt thans besproken op de Intergouvernementele Conferentie. Voorlopig moet, in afwachting van de resultaten van de IGC, worden gewacht met het wijzigen van de richtlijn.

De Juridische dienst van de Raad heeft als advies gegeven dat het niet nodig is de richtlijn te wijzigen op grond van het arrest Kalanke.

De onderhandelingen in raadskader hebben nog niet tot een toenadering van de standpunten tussen de lidstaten geleid. Knelpunten zijn de vraag of de Hofuitspraak de wijziging van de richtlijn nodig maakt en het gebruik van de term «ondervertegenwoordigd geslacht» in plaats van «vrouwen» in het voorstel. Het gebruik van de term «ondervertegenwoordigd geslacht» kan het Nederlandse beleid met betrekking tot de voorkeursbehandeling voor vrouwen aantasten. Dit zal door Nederland niet worden gesteund.

De Nederlandse inzet is dat voorkeursbehandeling voor vrouwen mogelijk moet blijven en dat handhaving als zodanig van de bestaande richtlijnen hiertoe de beste basis biedt.

Er zal een politiek debat over dit onderwerp op de Sociale Raad van 17 april worden gehouden, teneinde duidelijkheid te krijgen over wat, gezien de posities van de lidstaten, met dit dossier kan worden bereikt.

4. Informatie en consultatie van werknemers

4a. Werkgroep Davignon

Door de Europese Commissie zal informatie worden verstrekt over de stand van zaken van de werkzaamheden van de «High-level» groep onder voorzitterschap van Davignon.

De groep Davignon is in december 1996 door de Commissie ingesteld om te adviseren over de problemen met o.a. de medezeggenschapsaspecten in relatie tot de verschillende Europese rechtsvormen van grensoverschrijdende bedrijven. Het eindrapport van de groep wordt eind april verwacht.

4b. Vervolg Informele Sociale Raad

Op de Informele Sociale Raad, gehouden op 14 en 15 maart jl. te Rotterdam, is door de Europese ministers van Sociale Zaken afgesproken dat er zal worden gewerkt aan het opstellen van een gedragslijn van en voor informatie en consultatie van werknemers bij bedrijfssluitingen en verplaatsing bij multinationale ondernemingen. De gedragslijn zal onderwerp zijn van een bijeenkomst (op 15 april in Brussel) onder leiding van de voorzitter van de Sociale Raad met sociale partners en de Europese Commissie.

Het voorzitterschap zal op 17 april aan de Sociale Raad verslag uitbrengen over de voortgang in dit proces.

5. Sociale bescherming in de Europese Unie

Door de Europese Commissie zal de mededeling betreffende «De modernisering en verbetering van de sociale bescherming in de Europese Unie» worden gepresenteerd.

Deze mededeling is een vervolg op de Mededeling «De toekomst van de Sociale Bescherming: een Europees debat» gebaseerd op de reacties van de lidstaten, sociale partners en anderen. Tevens zijn de uitkomsten van de conferentie van het Nederlands Voorzitterschap «Social policy and economic performance» meegenomen bij de opstelling van de vervolgmededeling.

De Commissie constateert in de mededeling dat overheid-gefinancierde sociale beschermingssystemen het grootste deel vormen van de uitgaven aan sociale voorzieningen, gezondheidszorg en pensioenen. Deze systemen hebben een fundamentele rol gespeeld in herverdeling van inkomen en sociale cohesie en in het handhaven van politieke stabiliteit en economische vooruitgang.

De basisbehoefte aan deze voorzieningen blijft bestaan. De economische en sociale randvoorwaarden waarin zij bestaan veranderen echter. Om een effectieve sociale bescherming in de toekomst te kunnen blijven garanderen is modernisering vereist.

Aanpassing is nodig aan:

– veranderingen in de aard en mate van flexibiliteit van werk;

– veranderingen in de balans tussen werken en zorgtaken;

– vergrijzing van de bevolking;

– vrij verkeer van personen in de Unie.

De Commissie hanteert het uitgangspunt dat elke lidstaat verantwoordelijk is en blijft voor de organisatie en financiering van het eigen sociale beschermingssysteem. De Unie is verantwoordelijk voor coördinatie ingeval van vrij verkeer en dient als een forum voor beter zicht op de toekomst en op de gezamenlijke uitdagingen.

De lidstaten, Europese instellingen en sociale partners worden uitgenodigd om te reageren.

Naar boven