nr. 63
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 5 februari 1997
Conform mijn toezegging in het algemeen overleg d.d. 28 november 1996
(21 501-18, nr. 61) met de algemene commissie voor Europese Zaken en
de vaste commissie voor SZW, doe ik u hierbij toekomen het gezamenlijk verslag
van de Sociale Raad, Ecofin Raad en Commissie over de werkgelegenheid 1996,
zoals dat aan de Europese Raad van Dublin is voorgelegd. Het verslag draagt
de titel «Werkgelegenheid en groei in Europa: de weg vooruit».
In het Verslag wordt ingegaan op de huidige werkgelegenheidssituatie in
de Europese Unie en de uitdagingen die voor de deur staan. Voorts worden de
resultaten op het gebied van werkgelegenheid en economie in de EU geëvalueerd
om tenslotte een kader voor de toekomst te schetsen («de weg vooruit»).
In dit laatste deel worden aanbevelingen gedaan ter verbetering van de werkgelegenheidsstrategie
die sinds Essen door de Europese Raden is verdiept. Het belang van een geïntegreerde
strategie (zoals in het Vertrouwenspact van Santer bepleit) wordt hierbij
onderstreept.
De aanbevelingen richten zich met name op de tenuitvoerlegging van het
nationale werkgelegenheidsbeleid, waarover met behulp van de meerjarenprogramma's
wordt gerapporteerd.
De Europese Raad van Dublin heeft het Gezamenlijk verslag onderschreven
en alle betrokken actoren opgeroepen de strategie van Essen «vastberaden
en consequent» te blijven volgen. Om de waarde die de Europese Raad
hecht aan de Essen-strategie te onderstrepen heeft de Raad de Verklaring van
Dublin over werkgelegenheid aangenomen, waarin de aanbevelingen van het Gezamenlijk
verslag zijn verwerkt (zie bijlage)1.
Voorts heeft de Europese Raad opgeroepen verder te werken aan de ontwikkeling
van instrumenten voor bewaking en evaluatie van het werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid
en de identificatie van goede praktijken. In dat kader zouden het onlangs
opgerichte Comité voor de werkgelegenheid en arbeidsmarkt
en het Comité voor economische politiek zich moeten gaan bezighouden
met gemeenschappelijke werkgelegenheidsindicatoren en de mogelijkheden van
«benchmarking».
In het kader van de werkgelegenheidsdiscussie heeft de Europese Raad ook
het belang van de gevolgen van belastingbeleid voor de werkgelegenheid onderstreept.
Dit thema zal in de werkgroep belastingbeleid nader worden bestudeerd.
Zoals u bekend is werkgelegenheid één van de prioriteiten
tijdens het Nederlands voorzitterschap. Tijdens de Informele Sociale Raad
van 14 tot 16 maart a.s. zullen de indicatoren en de lasten op arbeid, in
het bredere kader van de coördinatie van werkgelegenheid, besproken worden.
Tenslotte maak ik van deze gelegenheid gebruik u te berichten dat het
reeds genoemde Comité voor de werkgelegenheid en arbeidsmarkt in zijn
eerste vergadering op 29 januari jl. de heer Borstlap, in zijn hoedanigheid
als directeur-generaal van mijn ministerie, heeft gekozen als voorzitter voor
de periode van twee jaar.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. P. W. Melkert