Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 21501-18 nr. 62 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 21501-18 nr. 62 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 23 januari 1997
Zoals toegevoegd tijdens het Algemeen Overleg van 28 november jl. met de algemene commissie voor Europese Zaken en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (21 501-18, nr. 61) doe ik u hierbij toekomen nadere informatie over de Europese Resolutie «Gelijke behandeling van gehandicapten» en de gevolgen van het Barber-arrest van het Europese Hof.
Resolutie gelijke behandeling gehandicapten
Eind augustus jl. heeft de Europese Commissie een mededeling gepubliceerd betreffende de gelijke behandeling van gehandicapten met daaraan gekoppeld een ontwerp-resolutie van de Raad. De mededeling maakt een balans op van de evolutie van het gevoerde Europese beleid betreffende gehandicapten. Oorspronkelijk bevatte de resolutie van de Raad naast verzoeken gericht aan de Lid-Staten en de Europese Commissie een aantal richtsnoeren voor de verwezenlijking van het principe van gelijke kansen voor gehandicapten.
Het merendeel van de Lid-Staten was van oordeel dat een aantal van de richtsnoeren meer betrekking heeft op het nationale beleid ten aanzien van gehandicapten en derhalve geen zaak behelst die op Europees niveau geregeld moet worden. Dit heeft er toe geleid dat een gedeelte van de richtsnoeren uit de resolutie is gehaald.
Verder bevatte de resolutie eigen definities die niet aansloten bij de door Standaardregels van de Verenigde Naties gebruikte definities met betrekking tot gehandicapten. Ook op dit punt is de tekst aangepast.
De op de Sociale Raad van 2 december jl. aangenomen resolutie bevat een bevestiging van de beginselen en de waarden die ten grondslag liggen aan de Standaardregels van de Verenigde Naties (VN) betreffende het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten. Daarnaast worden de Lid-Staten opgeroepen in het kader van de relevante nationale beleidsmaatregelen een beperkt aantal overgebleven richtsnoeren bij hun beleid te betrekken en de betrokkenheid van vertegenwoordigers van gehandicapten bij de uitvoering en de follow-up van relevante beleidsmaatregelen en acties te bevorderen.
In deze richtsnoeren worden de Lid-Staten opgeroepen tot:
– het in staat stellen van gehandicapten volledig deel te nemen aan het maatschappelijk leven en daarbij de nodige aandacht te schenken aan de behoeften en belangen van hun gezinnen en verzorgers;
– het «mainstreamen» van het gehandicaptenbeleid.
De voornoemde richtsnoeren hebben in eerste instantie betrekking op het beleidsterrein van het Ministerie van VWS zodat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ook de eerste zorg zal dragen voor de uitvoering hiervan. Het voornemen van deze uitvoering is verwoord in de VWS-nota over het Nederlandse voorzitterschap die een deze dagen, door Minister Borst en Staatssecretaris Terpstra, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal zal worden gestuurd.
De zogenaamde Barberrichtlijn beoogt te garanderen dat de Vierde Richtlijn, betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen waaronder pensioenregelingen, verenigbaar wordt met artikel 119 van het EG-Verdrag, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie in de zaak-Barber en latere uitspraken. Artikel 119 ziet op de verplichting tot gelijke beloning van mannen en vrouwen.
De Barberrichtlijn heeft een puur verduidelijkend karakter, omdat artikel 119 van het EG-Verdrag een rechtstreeks toe te passen bepaling is en aan Verdragen een hogere werking toekomt dan aan Richtlijnen.
Over deze Barberrichtlijn is op 2 december jl. tijdens de vergadering van de Sociale Raad van de Europese Unie een politiek accoord bereikt.
Ten aanzien van de deelneming aan een pensioenregeling heeft het Europese Hof geoordeeld dat artikel 119 van het EG-Verdrag vanaf 1976 rechtstreekse werking heeft en dat het in 1991 gerealiseerde Protocol bij artikel 119 (het zogenaamde Protocol van Maastricht) daarop geen betrekking heeft.
In het Protocol is bepaald dat voor de toepassing van artikel 119 uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid niet als beloning worden beschouwd indien en voor zover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld.
Gelijke behandeling bij de deelneming is al vanaf 1976 geboden. In theorie is het dus mogelijk dat voorheen uitgesloten vrouwen alsnog met terugwerkende kracht over een periode voor 1990 aansluiting bij een pensioenregeling vorderen. Op deze vorderingen zijn wel de nationale verjaringstermijnen van toepassing.
Volgens het Hof zijn de nationale verjaringstermijnen van toepassing voor zover zij de uitoefening van aan het gemeenschapsrecht ontleende rechten niet onmogelijk maken.
Overeenkomstig deze lijn is in de Barberrichtlijn hierover een bepaling opgenomen.
In de zaken die in dit verband aan de Nederlandse rechter zijn voorgelegd, staat met name de vraag over de naar Nederlands recht toepasselijke verjaringstermijn centraal. In de inmiddels door een aantal kantonrechters gedane uitspraken worden uiteenlopende verjaringstermijnen van toepassing verklaard. In deze zaken is hoger beroep ingesteld.
Hier vloeit geen aanleiding uit voort tot wijziging van de Nederlandse wetsvoorstellen ter uitvoering van de Vierde Richtlijn.
Van belang voor de Nederlandse wetgeving is vooral de in de Barberrichtlijn neergelegde uitspraak van het Europese Hof met betrekking tot de pensioenleeftijd (Arrest Moroni (C-110/91)). Het Hof herhaalt in die uitspraak zijn beslissing in de zaak-Barber dat de pensioenleeftijden vanaf de datum van die uitspraak gelijk moeten zijn. In de uitspraak Van den Akker (C-28/93) heeft hij bovendien een overgangsregeling voor het gelijktrekken van de pensioenleeftijd, zoals neergelegd in het Nederlandse wetsvoorstel, onverenigbaar met artikel 119 verklaard. Dit noodzaakt wel tot wijziging van het wetsvoorstel.
In de Nederlandse wetgeving zal derhalve de overgangsregeling voor het gelijktrekken van de pensioenleeftijd geschrapt moeten worden. Materieel kunnen de gevolgen hiervan voor vrouwen meevallen, omdat de tot de datum van de uitspraak-Barber voor vrouwen gerealiseerde hogere pensioenopbouw in verband met eerder pensioeningang behouden mag blijven. Volgens het Protocol van Maastricht is immers eerst vanaf de datum van de uitspraak-Barber (17 mei 1990) gelijke opbouw van aanspraken geboden. Overgangsregelingen over opbouw na die datum zijn uitsluitend mogelijk als ook aan mannen dezelfde regeling wordt geboden.
Thans is de behandeling van de wetsvoorstellen in respectievelijk de Eerste en Tweede Kamer opgeschort. (zie hiervoor de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 23 oktober 1995) Na inwerkingtreding van de Barberrichtlijn zal de wetgeving ter uitvoering van deze Richtlijn ter hand worden genomen, teneinde de implementatie van de 4e Richtlijn en de Barberrichtlijn zo spoedig mogelijk af te kunnen ronden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-62.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.