21 501-18
Sociale Raad

nr. 61
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 20 december 1996

De algemene commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben op 28 november 1996 overleg gevoerd met minister Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:

het verslag van de Sociale Raad van 24 september 1996(21 501-18, nr. 57);

de geannoteerde agenda voor de Sociale Raad van 2 december 1996 (21 501-18, nr. 58).

Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Van Rooy (CDA) vroeg naar aanleiding van het verslag van de Sociale Raad van 24 september jl. wie het secretariaat voert van het Comité voor werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid. Leidt de instelling van dit comité tot verschuiving van macht van de Commissie naar de Raad en zo ja, is dat wel in het belang van de kleinere lidstaten?

Naar aanleiding van agendapunt 2 van de geannoteerde agenda vroeg mevrouw Van Rooy een toelichting op het verslag «Naar een nieuwe cultuur op het gebied van werkgelegenheid en groei in Europa». Eigenlijk zou de Kamer de inhoud van dat stuk moeten kennen. Hoe wordt bereikt dat de discussie hierover niet beperkt blijft tot het Brusselse circuit maar ook doorklinkt naar de lidstaten en met name de sociale partners?

Zij spoorde de bewindsman aan, vast te houden aan het standpunt inzake agendapunt 3 van de geannoteerde agenda. Het is niet goed om steeds met nieuwe definities te werken. Wel moet goed worden bewaakt dat een en ander blijft sporen met het niet zo lang geleden gewijzigde Nederlandse procesrecht.

In het algemeen plaatste mevrouw Van Rooy vraagtekens bij de aanvaarding van veel aparte resoluties. Ze bevatten mooie voornemens, maar het is zeer de vraag wat ze aan de praktijk toevoegen. Wat voegt de resolutie inzake sociale bescherming en werkgelegenheid toe aan de praktijk in Nederland? Nemen al die resoluties niet eigenlijk het zicht weg op waar het werkelijk om gaat in Europa en zou het niet veel beter zijn om al die resoluties samen te brengen in één stuk?

Verwacht de minister dat tijdens de komende raad een beslissing wordt genomen over verordening 1408/71?

Dat sociale partners een rol hebben in de sociale dialoog (agendapunt 7) is van belang. Kan de inhoud van de mededeling nader worden toegelicht? Waartoe strekt bijvoorbeeld evaluatie inzake doeltreffendheid en de invloed van de huidige structuren?

Welke twee lidstaten hebben nog problemen met de verwerking van het Barberarrest? Hoe zwaarwegend zijn die problemen? Verwacht de minister dat hierover een beslissing wordt genomen, of zal dit worden doorgeschoven naar het Nederlandse voorzitterschap?

Wat de verwerking van het Kalankearrest betreft, ging mevrouw Van Rooy ervan uit dat Nederland behoort bij de meerderheid van de lidstaten die vindt dat kan worden volstaan met een aanwijzing en een wijziging van richtlijnen overbodig vinden. Op grond van welke motieven volgen vier lidstaten het verdergaande commissievoorstel?

Mevrouw Van Rooy suggereerde de al lang geblokkeerde behandeling van voorstellen inzake voorlichting en raadpleging van werknemers in verschillende ondernemingsstructuren te doorbreken door behandeling van het vennootschapsstatuut ervan los te koppelen.

Met zorg signaleerde mevrouw Van Rooy dat de discussie over de totstandkoming van de EMU tot nu toe te zeer geconcentreerd is op monetaire vraagstukken. Te weinig aandacht is er voor de economische kant, inclusief het werkgelegenheidsvraagstuk. Om dit te doorbreken bepleitte zij om op basis van een notitie van het kabinet een gezamenlijk debat van de meest betrokken commissies te organiseren met de bewindslieden van Financiën, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over een geïntegreerde benadering van het EMU-vraagstuk en het in dat verband aan de orde zijnde stabiliteitspact. Wil de minister daartoe samen met zijn collega-bewindslieden het initiatief nemen?

De heer Woltjer (PvdA) sloot zich aan bij de laatste vraag van mevrouw Van Rooy. Dat uit het verslag van de Sociale Raad van 24 september blijkt dat de richtlijn detachering is aanvaard, juichte hij toe. Wat regelt deze richtlijn echter ten aanzien van zelfstandigen? Dat er nu een Comité voor werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid is, valt toe te juichen, maar hoe verhoudt dit zich tot het Economic Policy Commission (EPC)? Het comité zou in het kader van de voorbereiding van de IGC een belangrijke functie kunnen hebben bij de opstelling van een werkgelegenheidsparagraaf. Daartoe is het van belang dat het comité een vergelijkbare plaats krijgt als het EPC.

Uit de tekst bij agendapunt 3 van de geannoteerde agenda concludeerde de heer Woltjer dat Nederland kan instemmen met voorstellen inzake de bewijslast bij sexediscriminatie. Waarom is dit dossier nog niet gereed voor besluitvorming? Pogingen om de sociale dialoog (agendapunt 7) weer op gang te brengen, juichte hij toe. Zou het niet zinvol zijn om de sociale partners op nationaal niveau hier nauwer bij te betrekken door de Stichting van de arbeid een advies over de sociale dialoog te vragen? Op het terrein van voorlichting en raadpleging van werknemers blijkt nog geen vordering te zijn gemaakt. Ziet de minister mogelijkheden om in dit dossier vooruitgang te boeken tijdens het Nederlandse voorzitterschap? Voor de vergroting van het draagvlak van Europa is dit van groot belang.

Mevrouw Van der Stoel (VVD) vroeg naar aanleiding van het verslag van de Sociale Raad van 24 september jl. welke betekenis moet worden gehecht aan het Engelse voorbehoud inzake agendapunt 3. Welke waarde moet worden gehecht aan de aandrang van de raad om krachtig en vastberaden te blijven streven naar integratie van het beginsel van gelijke kansen voor mannen en vrouwen in de acties van de structuurfondsen? Zij hoopte op krachtig en vastberaden optreden bij de herstructurering van fondsen. In welke zin is het in agendapunt 4 bedoelde Comité voor werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid een tegenhanger van de EPC? Wat is de meerwaarde van de in agendapunt 6 bedoelde voorstellen inzake voorlichting en raadpleging van werknemers boven de richtlijn betreffende EU-ondernemingsraden?

Mevrouw Van der Stoel vroeg in komende geannoteerde agenda's ook in het kort nader aan te geven wat de inzet van de Nederlandse delegatie zal zijn bij de diverse agendapunten. Welk mandaat krijgt het in agendapunt 1 bedoelde Comité voor werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid? Waartoe strekt de in agendapunt 2 bedoelde werkgelegenheidsstrategie? Door deze term bij diverse agendapunten te gebruiken, wordt de schijn van versnippering gewekt. Betere integratie van de diverse onderwerpen zou wellicht meer duidelijkheid scheppen. In agendapunt 3 is sprake van «onterechte sexediscriminatie», maar wat moet worden verstaan onder terechte sexediscriminatie? Wat moet worden verstaan onder omkering van de bewijslast? Maakt alleen de belastingdienst hier gebruik van of komt het in Nederland ook elders voor? In een adviesaanvrage aan de Stichting van de arbeid over de sociale dialoog zag zij niet veel. Wat zullen voor Nederland de gevolgen zijn van de in agendapunt 8 bedoelde uitwerking van het Barberarrest? Welke beperkingen kan de richtlijn chemische agentia op het werk opleveren voor de Nederlandse industrie? Kan hier sluiting van industrieën uit voortvloeien? Ten slotte vroeg zij een toelichting op het Frans memorandum voor een Europees sociaal model en op het verslag over sociale en economische cohesie.

Mevrouw Schimmel (D66) was verheugd over de ontvangst van de notitie over de rol van indicatoren in het werkgelegenheidsbeleid binnen de EU en over de aanpassing van het delegatiebesluit 1993, die ertoe strekt dat een werkgever geen vergunning krijgt voor ontslag dat in verband kan worden gebracht met activiteiten van een werknemer in het kader van overleg op basis van de preakkoorden. Snelle invoering van het Comité werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid is van belang. Ziet het ernaar uit dat besluitvorming hierover op 2 december a.s. wordt afgerond? Wie verzorgt het secretariaat? Wat is de achtergrond van de nu voorgestelde procedure voor bijeenroeping van het comité? Dient het compromis op dit punt als vervanging van het recht van de Commissie om het comité bijeen te roepen? Kan de Commissie het comité om advies vragen of kan dit alleen als het past binnen de door de Raad gestelde prioriteiten?

Met interesse nam mevrouw Schimmel kennis van agendapunt 3 van de geannoteerde agenda. Kan het Nederlandse standpunt inzake definiëring van indirecte discriminatie de richtlijn als zodanig vertragen? Wat was de aard van de inhoudelijke problemen van Nederland met de in agendapunt 5 bedoelde resolutie inzake gelijke behandeling van gehandicapten? Heeft Nederland bij de uitwerking van het Barberarrest duidelijk gemaakt dat rechtsvorderingen die na 17 mei 1990 zijn ingesteld, geen verdere terugwerkende kracht kunnen hebben dan die datum? Hoe verhoudt dit zich tot uitspraken waarin terugwerkende kracht over een langere periode (zelfs tot 1976) wordt toegekend? Wat is het Nederlandse standpunt bij de uitwerking van het Kalankearrest?

Het antwoord van de minister

De minister zegde toe om, waar mogelijk, bij de agendapunten van de geannoteerde agenda zoveel mogelijk ook direct het Nederlandse standpunt te vermelden. Afstemming van monetair-economische beleidsintegratie met een steeds verder convergerende sociaal-economische beleidscoördinatie zag hij als een voorwaarde sine qua non voor het bereiken van een stabiele EMU. Daar moet in de komende tijd dan ook veel aandacht aan worden besteed. Mede om die reden heeft Nederland zich in de afgelopen jaren hard gemaakt voor de totstandkoming van het Comité voor werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid. Dit biedt de Sociale Raad een duidelijke voorbereidende structuur waarin zaken met meer diepgang kunnen worden behandeld. Door het leggen van een organisatorische verbinding met het EPC moet het comité een grondigere, consequentere en frequentere voorbereiding van agenda's voor de Sociale Raad en de Ecofin-raad bevorderen. Eerste resultaat hiervan zijn de door de Sociale Raad en de Ecofin-raad opgestelde syntheserapporten. Naar verwachting zal tijdens de komende Sociale Raad de beslissing tot oprichting van het Comité voor werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid worden genomen. Tijdens haar voorzitterschap zal Nederland de start van dit comité zeker bevorderen. Het secretariaat van het comité is fysiek ondergebracht bij de Commissie, maar de verantwoordelijkheid ervoor berust bij de Raad. Dit laatste impliceert dat de Commissie het comité niet op eigen initiatief bij elkaar kan roepen. Dat wordt gedaan door de raadsvoorzitter of door de helft van de leden van het comité. Gezien het takenpakket van het comité verwachtte de minister geen grote fricties in het functioneren ervan. De Raad bepaalt de agenda van het comité. Het neemt dus geen eigen initiatieven. De EPC (die in het kader van het Verdrag een duidelijke plaats heeft) functioneert onder de hoede van de Commissie. Verschil tussen EPC en comité wordt ook veroorzaakt doordat de economisch-monetaire integratiedoelstelling in het Verdrag een ander karakter heeft dan de sociaal-economische beleidscoördinatie die voortbouwt op het nationale beleid van de lidstaten. Beide velden zullen elkaar in de praktijk zeer moeten gaan raken, wil het evenwicht tussen de monetaire ontwikkeling en de reële economische convergentie in stand blijven. Indien tijdens de IGC een verdragswijziging op het punt van werkgelegenheid overeen zou worden gekomen (iets waar Nederland voor is) en in dat kader in de verdragstekst een plaats zou worden ingeruimd voor het comité, is wijziging van het secretariaat en het mandaat van het comité niet uitgesloten.

Het in agendapunt 2 van de geannoteerde agenda bedoelde «single report» is nog niet openbaar en kan derhalve niet aan de Kamer ter kennisname worden gezonden. Mocht dit stuk na de top van Dublin openbaar worden, dan zal het alsnog aan de Kamer worden gezonden. In kringen van het Permanent comité voor arbeidsmarktvraagstukken is ongenoegen ontstaan omdat men pas achteraf werd gehoord over het «single report». Tijdens het Nederlandse voorzitterschap zal worden getracht het comité vooraf in de gelegenheid te stellen een opvatting te geven. Uit het ontbreken van een samenhangende institutionele inbedding op dit punt moet niet worden geconcludeerd dat bevindingen uit het «single report» geen weerslag zullen vinden in het beleid van sociale partners op nationaal niveau. Het is aan regeringen om hetgeen in Brussel op dit gebied wordt overeengekomen, door te vertalen naar de nationale situatie.

Naar aanleiding van de visie die de Commissie op dit punt op tafel heeft gelegd, wordt inmiddels verder gesproken over de inrichting van de sociale dialoog. Tijdens het Nederlandse voorzitterschap zullen inspanningen op dit gebied worden gecontinueerd. Zelf was de minister voornemens over dit onderwerp te spreken met Europese en Nederlandse vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers. Daarbij wilde hij ernaar streven de sociale dialoog meer in lijn te brengen met hetgeen voortvloeit uit het sociale protocol van Maastricht en ook om dit protocol ingebed te krijgen in het Verdrag zelf. In ieder geval is er behoefte aan duidelijker afspraken over procedures inzake betrokkenheid van sociale partners. Op dit gebied is er nu beweging, al gaat het nog langzaam.

Het is het recht van het voorzitterschap om resoluties aan de Raad voor te leggen. Nederland verzet zich daartegen niet, zolang daarvoor geen inhoudelijke aanleiding is. Zelf was de minister vooralsnog niet voornemens om tijdens het Nederlandse voorzitterschap resoluties op te stellen. Zo dit al gebeurt, zal er een operationele paragraaf aan verbonden worden. Het VK-voorbehoud bij de resolutie betreffende gelijke kansen voor mannen en vrouwen bij acties van de structuurfondsen geeft aan dat het VK op dit gebied een volstrekt eigen agenda volgt. De zorgelijkheid hiervan is eens temeer duidelijk geworden in de opstelling van het VK naar aanleiding van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie inzake arbeidstijden. Met het standpunt dat dit deel zou moeten uitmaken van de onderhandelingen over het Verdrag wordt de bijl gelegd aan de wortel van de harmonisatie van het Europese sociale beleid. Desgevraagd gaf de minister aan niet te verwachten dat tijdens de komende Sociale Raad over deze kwestie zal worden gesproken.

In de procesrechtelijke richtlijn inzake bewijslast ingeval van sexediscriminatie wordt voor het eerst in EU-kader een definitie gegeven van het begrip indirecte discriminatie. Nader beraad sinds het opstellen van de geannoteerde agenda heeft ertoe geleid dat Nederland met de richtlijn instemt, teneinde op dit terrein enige voortgang te kunnen boeken. Wel blijft Nederland bij haar standpunt dat deze omschrijving in een andere richtlijn beter op haar plaats zou zijn.

Naar verwachting kan over verordening 1408/71 tijdens de komende Sociale Raad worden beslist.

De vier lidstaten die met de Commissie van mening zijn dat aanpassing van de desbetreffende richtlijn nodig is na het Kalankearrest, willen op die manier een bepaalde exegese aan de uitspraak van het Hof geven. Over die exegese bestaat echter verschil van mening. De minister stond op het standpunt dat de uitspraak van het Hof de geldende uitgangspunten niet zonder meer ter discussie stelt. Een uitspraak in een tweede zaak (Marshall) kan van belang zijn om op deze kwestie meer greep te krijgen. Derhalve leek het hem verstandig in afwachting van die uitspraak vast te houden aan het standpunt dat huidige regelingen kunnen worden gehandhaafd en dat daar hooguit een nadere duiding aan moet worden gegeven.

In tegenstelling tot de richtlijn inzake EU-ondernemingsraden betreffen voorstellen inzake voorlichting en raadpleging van werknemers ook ondernemingen met minder dan 1000 werknemers. De minister stelde zich op het standpunt dat eventuele ontkoppeling van deze voorstellen en het vennootschapsstatuut er niet toe mag leiden dat beide trajecten nooit meer aan elkaar gekoppeld kunnen worden. Uit tactische overwegingen kan worden bezien of op deze manier vorderingen zijn te maken, maar dat zal geen wijziging brengen in de uiteindelijke doelstelling. Nader beraad met zijn Duitse collega hierover maakte hem niet optimistisch over de kansen om in dit hoogst complexe dossier voortgang te boeken. Desondanks nam hij zich voor op basis van de resultaten van de High-Level Group onder leiding van de heer Davignon een maximale inspanning te doen om beweging op dit belangrijke terrein te krijgen.

De minister zegde toe de Kamer nader schriftelijk te informeren over de problemen die Nederland had met de resolutie inzake gelijke behandeling van gehandicapten, alsmede over de uitwerking van het Barberarrest.

De voorzitter van de algemene commissie voor Europese Zaken,

Ter Veer

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

De Jong

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Nava


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van der Linden (CDA), Blauw (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Weisglas (VVD), Terpstra (CDA), Verspaget (PvdA), De Hoop Scheffer (CDA), Ter Veer (D66), voorzitter, Ybema (D66), Van Middelkoop (GPV), Leers (CDA), Sipkes (GroenLinks), Van Rooy (CDA), Woltjer (PvdA), ondervoorzitter, Hendriks, Voûte-Droste (VVD), Schuurman (CD), Hessing (VVD), Van den Bos (D66), Van Oven (PvdA), Hoogervorst (VVD), Rouvoet (RPF), Van Waning (D66), Houda (PvdA) en Rehwinkel (PvdA).

Plv. leden: Bukman (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van Traa (PvdA), Blaauw (VVD), Verhagen (CDA), Van der Ploeg (PvdA), De Jong (CDA), De Haan (CDA), De Graaf (D66), Van den Berg (SGP), Van der Hoeven (CDA), M. B. Vos (GroenLinks), Hillen (CDA), Witteveen-Hevinga (PvdA), R. A. Meijer (groep-Nijpels), O. P. G. Vos (VVD), Poppe (SP), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Roethof (D66), Crone (PvdA), Verbugt (VVD), Leerkes (Unie 55+), Hoekema (D66), Adelmund (PvdA) en Lilipaly (PvdA).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, De Jong (CDA), voorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD) en R. A. Meijer (groep-Nijpels).

Plv. leden: Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Mulder-van Dam (CDA), Sterk (PvdA), Terpstra (CDA), Van Rooy (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), Wolters (CDA), Dijksma (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Apostolou (PvdA), Ten Hoopen (CDA), Van Boxtel (D66), J. M. de Vries (VVD), B. M. de Vries (VVD), Leerkes (Unie 55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD), Hoogervorst (VVD) en Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels).

Naar boven