21 501-18
Sociale Raad

nr. 60
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 13 december 1996

Bijgaand doe ik u toekomen het verslag van de vergadering van de Sociale Raad van 2 december jl.

De eerstvolgende bijeenkomst van de Sociale Raad zal – onder Nederlands voorzitterschap – plaatsvinden op 17 april 1997 in Luxemburg.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert

Verslag Sociale Raad 2 december 1996

Samenvatting

Belangrijkste resultaten op onderwerpen aan de orde in deze Raad zijn:

– Politiek akkoord op het dossier «Besluit tot oprichting van een Werkgelegenheids- en Arbeidsmarktcomité».

– Politiek akkoord met betrekking tot de ontwerp-resolutie over de rol van beschermingsstelsels in de strijd tegen werkloosheid.

– Instemming met de tekst van het Single Report en toezending van dit Rapport aan de Europese Raad.

– Politiek akkoord met betrekking tot de ontwerp-resolutie gelijke kansen gehandicapten.

– Besluitvorming over het richtlijnvoorstel naar aanleiding van het Barber-arrest.

1. Gezamenlijk rapport aan de Europese Raad van Dublin over werkgelegenheid

Het rapport houdt op hoofdlijnen in:

het versterken van de gemeenschappelijke groei- en werkgelegenheidsstrategie,

de modernisering van goederen-, diensten-, en arbeidsmarkten,

hervorming van de belastingstelsels zodat deze werkgelegenheidsvriendelijker worden, en

het tot stand komen van een betere samenhang tussen het macrobeleid en de structurele maatregelen uit de Multi Annual Programs van de lidstaten.

Het rapport is door de Raad verwelkomd, waarbij alle delegaties hun instemming met de inhoud gaven. Het rapport zal worden aangeboden aan de Europese Raad.

2. Voorstel tot oprichting van een Werkgelegenheids- en Arbeidsmarktcomité

Met de instelling van dit Comité wordt gehoor gegeven aan het verzoek van de Europese Raad van Madrid om een stabiele structuur in te stellen onder de Sociale Raad. Het Comité moet samen met het EPC gaan werken aan de voorbereiding van de werkgelegenheidsonderwerpen die via de Sociale Raad en Ecofin Raad naar de Europese Raad gaan. Daarnaast zal het Comité de Sociale Raad in algemene zin ondersteunen bij de werkgelegenheid gerelateerde dossiers.

In het ontwerp-besluit wordt het mandaat geregeld, alsmede de samenstelling en het secretariaat van het Comité. Het mandaat bestaat uit de volgende taken:

– het nauwlettend volgen van werkgelegenheidstrends in de Gemeenschap alsmede het monitoren van het werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid van de lidstaten.

– faciliëren van uitwisseling van informatie en ervaringen tussen de lidstaten en met de Commissie.

De meerjarenprogramma's van de lidstaten en de indicatoren zijn daarbij belangrijke hulpmiddelen.

Voorts zal het Comité rapporten en voorstellen voor de Raad voorbereiden op het terrein van werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid. Verder mag het Comité zelf initiatieven ontplooien binnen zijn competentie.

Alle voorbehouden op dit belangrijke dossier werden opgeheven, waardoor een politiek akkoord kon worden bereikt.

Onder het Nederlands Voorzitterschap zal met de feitelijke werkzaamheden kunnen worden aangevangen.

3. Richtlijn verdeling bewijslast

Op dit dossier kon grote voortgang worden geboekt, maar een afronding bleek nog niet mogelijk.

De Commissie beoogt met dit voorstel een grotere doeltreffendheid van de door de lidstaten getroffen maatregelen ter implementatie van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen (verankert in artikel 119 EG en 5 richtlijnen gelijke behandeling).

In de praktijk is namelijk gebleken dat in de meeste lidstaten – waar in civielrechtelijke zaken geldt dat de klager de gegrondheid van zijn/haar klacht moet bewijzen – het vaak voor personen die menen slachtoffer te zijn van onterechte sexe-discriminatie, vaak zeer moeilijk is hun recht te halen, omdat het bewijsmateriaal zich meestal in handen van de gedaagde bevindt. Het richtlijnvoorstel bepaalt om die reden dat de bewijslast over eiser en gedaagde verdeeld moet worden; de eiser moet aannemelijk maken dat er van sexe-discriminatie sprake is, waarna gedaagde moet bewijzen dat er niet gediscrimineerd heeft, of dat hij daarvoor objectieve redenen heeft.

Door het Ierse voorzitterschap werd een compromispackage voorgelegd waarin voor de belangrijkste knelpunten een oplossing werd geboden. Het betrof met name:

– de actieve rol van de rechter in administratieve procedures;

– de definitie van indirecte discriminatie in deze richtlijn;

– (laatste en niet op de richtlijn zelve betrekking hebbende punt) het veiligstellen dat in de intentieverklaring die de raad bij deze richtlijn aanneemt alleen verwijzing naar de richtlijn bewijslast wordt gevraagd waar dat zinvol is.

De lidstaten konden zich in grote lijnen vinden in het voorliggende Voorzitterschapscompromis. Nederland kon zich eveneens daarin vinden voorzover voor Nederland belangrijke punten (actieve rol van administratieve rechter en toepasselijkheid van de richtlijn op toekomstige regelgeving van de EU) daarin naar tevredenheid waren geregeld.

In het Commissievoorstel is tevens een definitie voor indirecte discriminatie opgenomen. Nederland merkte hierbij op dat zij de definitie indirecte discriminatie bij voorkeur zag opgenomen in de tweede richtlijn gelijke behandeling en niet in deze richtlijn, die feitelijk alleen procesrechtelijke zaken regelt. Inhoudelijk heeft Nederland evenwel geen problemen met de voorgestelde definitie van indirecte discriminatie.

Op het punt van de opname van een definitie van indirecte discriminatie in deze richtlijn bleek overeenstemming nog niet mogelijk. Ook het voorgestelde toepassingsgebied stuitte bij enkele lidstaten nog op bezwaren.

De discussie over dit dossier zal worden voortgezet waarna – als ook het advies van het EP zal zijn uitgebracht – besluitvorming op een volgende Raad mogelijk moet worden geacht.

4. Richtlijn Kalanke (gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot de arbeidsmarkt)

Over dit onderwerp vond een algemene politieke gedachtenwisseling plaats, waarvoor het richtlijnvoorstel slechts de aanleiding vormde. Alle lidstaten maakten van de gelegenheid gebruik om het belang van gelijke behandeling van mannen en vrouwen en de noodzaak van positieve actie te onderstrepen. Van Commissiezijde werd aangedrongen op voortgang op het dossier.

Door verschillende lidstaten werd echter aangegeven dat wijziging van de richtlijn op dit moment niet noodzakelijk of zelfs wenselijk is. Er werd daarbij onder andere verwezen naar de (nog lopende) procedure in de zaak Marshall en de IGC.

Nederland gaf aan dat de gevolgen van het zogenaamde «Kalanke»-arrest zeker aandacht behoeven, maar dat wijziging van de richtlijn prematuur is. Het arrest laat immers de richtlijn onverlet. Daarnaast werd betoogd, dat een wijziging van de richtlijn niet mag inhouden dat het huidige voorkeursbeleid voor vrouwen onmogelijk wordt. In dit verband duidde Nederland op een tweetal specifieke problemen met het Commissievoorstel, namelijk het sexe-neutraal maken van de bepaling inzake de mogelijkheid tot een voorkeursbehandeling, door te spreken van «ondervertegenwoordigd geslacht» in plaats van vrouwen, en het in aanmerking nemen van de bijzondere omstandigheden in een individueel geval. Deze kunnen beide contra-productief werken en juist verdere discriminatie van vrouwen teweegbrengen.

Concluderend kan worden gesteld dat lidstaten het eens zijn over het beginsel van gelijke kansen voor mannen en vrouwen, maar dat op dit moment nog geen consensus kan worden bereikt over de noodzaak respectievelijk de inhoud van een wijziging van de richtlijn en het tijdstip waarop dit zou kunnen worden bereikt.

5. Resolutie gelijke kansen voor gehandicapten

Ook over deze resolutie werd overeenstemming bereikt.

De kern van de resolutie is dat de aandacht voor gehandicapten in het Europees beleid als onderdeel van het reguliere beleid moet worden geïncorporeerd (mainstreaming).

In de resolutie wordt de richting aangegeven naar een op rechten gebaseerde benadering van gelijke kansen voor gehandicapten zowel op nationaal als communautair niveau. De voornaamste problemen inzake gelijke kansen voor gehandicapten liggen bij het onderwijs, werk, mobiliteit, huisvesting en sociale zekerheidstelsels. De primaire verantwoordelijkheid voor het oplossen van deze problemen ligt bij de lidstaten.

6. Resolutie inzake sociale bescherming en werkgelegenheid

De resterende voorbehouden op dit dossier zijn opgeheven, waarmee een politiek akkoord kon worden bereikt.

De resolutie roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat het leveren van een bijdrage aan het voorkomen van werkloosheid en aan de reïntegratie van werklozen een integrerend deel uitmaakt van hun sociale beschermingsbeleid.

Daarbij wordt opgeroepen met name aandacht te besteden aan langdurig werklozen, financierbaarheid van de sociale bescherming, coördinatie van belastingen, uitkeringen en andere lastenverlichtingen, deeltijdwerk.

Voorts wordt gevraagd om uitwisseling van gegevens te bevorderen.

De Commissie wordt gevraagd om de samenwerking tussen de lidstaten te bevorderen en daarbij vooral aandacht te besteden aan de vraag hoe de sociale beschermingsstelsels kunnen inspelen op nieuwe behoeften. Zij zal daartoe ontwikkelingen analyseren en daarvan verslagen aan de Raad voorleggen.

7. Verordening inzake de coördinatie van sociale zekerheid voor migrerende werknemers (Vo1408/71) – diverse wijzigingen

Ook op dit dossier (dat kortgezegd een jaarlijkse update van Verordening 1408/71 inhoudt) heeft de Raad een politiek akkoord bereikt. Dit jaar was door de Commissie een bepaling in het voorstel opgenomen inzake de verrekening van reguliere ziektekosten voor studenten. In de Administratieve Commissie voor sociale zekerheid moeten de lidstaten nog nader onderhandelen over een adequaat bedrag voor de verrekening van de ziektekosten van studenten voor landen die op dit moment niet alle werkelijke ziektekosten in hun administratie kunnen verbijzonderen, zoals Nederland. Hiervoor is een termijn van twee jaar voorzien.

8. Richtlijn chemische agentia

Het voorzitterschap informeerde de Raad over de stand van de besprekingen over zijn compromisvoorstel terzake in een groep deskundigen. Dit compromisvoorstel komt tegemoet aan de wens tot stroomlijning van de noodzakelijke regelgeving voor chemische stoffen op het werk (logische opbouw en het inbrengen van noodzakelijke samenhang), verankert de risico-evaluatie en het grenswaardenbeleid op het gewenste niveau en heeft niet meer de overbodige detaillering in zich van het oorspronkelijke commissievoorstel uit 1993.

Tijdens het Nederlandse voorzitterschap zal worden getracht voortgang te boeken op dit dossier.

9. Permanente educatie

Het voorzitterschap heeft de Sociale Raad ingelicht over de conclusies die Onderwijsraad heeft getrokken met betrekking tot permanente educatie/levenslang leren. Hierin wordt onder meer een verband gelegd met de informatiemaatschappij; vergroting van het concurrentievermogen en een bijdrage aan de bestrijding van de werkloosheid.

De conclusies moeten worden gezien tegen de achtergrond van het Europese Jaar voor Levenslang leren dat op 6 december in Dublin door de Ministers van Onderwijs is afgesloten.

10. Voorlichting en raadpleging van werknemers

De Commissie informeerde de Raad over de samenstelling van de High levelgroep onder leiding van de heer Davignon. De groep zal studeren op de oplossing van dit dossier in verband met de vaststelling van het statuut voor de Europese Vennootschap. Deelnemers zijn verder de heer Breit (werknemers/ETUC), Thysing (werkgevers) en de hoogleraren Chiara (Florence) en Viandey (Parijs).

12. Mededeling inzake de verdere ontwikkeling van de sociale dialoog

De Commissie heeft in september een mededeling betreffende de ontwikkeling van de Sociale Dialoog op Gemeenschapsniveau ingediend. Het doel van de mededeling is het bieden van een basis voor een discussie over noodzakelijke verhoging van de effectiviteit van de diverse gremia die schuil gaan achter het begrip Sociale Dialoog. Ook wordt geprobeerd het werk van de sociale partners nauwer te doen aansluiten bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het beleid van de EU met name op het gebied van werkgelegenheid en economische groei. De mededeling bevat niet alleen een analyse van de mogelijkheden van de sociale dialoog, maar ook een evaluatie van de doeltreffendheid en invloed van de huidige structuren. Zo worden het Val Duchesse overleg, de interprofessionele raadgevende comités, de sectoriële sociale dialoog, het permanente comité voor arbeidsmarktvraagstukken en de sociale dialoog in het kader van het Sociale Protocol geëvalueerd. Als knelpunten voor nagenoeg alle structuren komen naar voren de representativiteit van de sociale partners, de omslachtigheid van de procedures, de betrekkelijk lage output en de slechte informatievoorziening over de dialogen.

Reacties van sociale partners, lidstaten en Europese instellingen worden voornamelijk gevraagd op punten als:

– hoe de raadgevende comités effectiever te laten functioneren,

– hoe een meer intensieve en relevante sectoriële sociale dialoog ontwikkeld kan worden,

– de representativiteitskwestie in diverse fora

– het aanzetten tot verbetering van de werking van het Permanente Comité voor arbeidsmarktvraagstukken, PCA.

– de sociale dialoog in het kader van de overeenkomst betreffende de sociale politiek. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja hoe verbetering kan worden gebracht in de procedures rond een verzoek van sociale partners aan de Commissie om in afwachting van onderhandelingen over een bepaald onderwerp voorlopig een pas op de plaats te maken met de beleidsontwikkeling. Daarmee hangt samen de problematiek rond de eventuele validering door de Raad van een uit dergelijke onderhandeling voortvloeiend akkoord (zonder formele betrokkenheid van het EP). Naast wederom de representativiteitskwestie, wordt ook gevraagd hoe de resultaten van de onderhandelingen tussen de sociale partners aanvaardbaar kunnen worden gemaakt voor die actoren die niet bij de onderhandelingen aanwezig zijn.

De Commissie wil in de tweede helft van 1997 in een vervolg mededeling de balans opmaken in de discussie en met meer concrete maatregelen komen.

De Commissie heeft de mededeling in de Raad toegelicht, waarbij werd aangegeven dat het PCA een belangrijke rol moet spelen in de werkloosheidsdiscussie. Verder werd benadrukt dat de sociale partners in de vervolgdiscussie over dit onderwerp een belangrijke bijdrage moeten leveren.

In april zal, op basis van een synthesedocument, een afsluitend forum plaatsvinden.

Duitsland brak een lans voor het vaststellen van spelregels voor de sociale dialoog (in het kader van de sociale overeenkomst) en heeft hierover een documentatie aangeboden.

13. Diversen

Frans memorandum inzake een Europees sociaal model

De door het Voorzitterschap gemaakte update van de onderwerpen die in het Franse memorandum worden aangesneden zal aan de Europese Raad van Dublin worden aangeboden. Verder zijn er geen opmerkingen gemaakt.

Van Franse kant zijn nog addenda bij het Memorandum uitgereikt, die eveneens aan de Europese Raad van Dublin zullen worden aangeboden. Deze addenda hebben betrekking op

– de impact van het communautaire beleid op de werkgelegenheidssituatie in de Unie;

– de sociale dimensie van de uitbreiding;

– de communautaire programma's op sociaal gebied;

– de toekomst van de sociale bescherming en

– de versterking van het sociaal protocol voorafgaand aan zijn opname in het Verdrag.

Verslag over de sociale en economische cohesie

De Commissie lichtte mondeling het periodieke verslag dat de Commissie maakt over de cohesie binnen de Unie toe. De Commissie gaf daarbij aan dat er vooruitgang wordt geboekt op dit terrein. De resultaten zijn in het verslag opgenomen.

Naar boven