21 501-18
Sociale Raad

nr. 59
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 15 november 1996

Met het oog op het Algemeen Overleg op 28 november a.s. van de algemene commissie voor Europese Zaken en de vaste commissie voor Sociale Zaken doe ik u bijgaand toekomen, mede namens Staatssecretaris De Grave, de notitie «Naar een werkend Europa».1

Hierin wordt vooruitgekeken naar het Nederlandse EU-voorzitterschap vanuit ons beider optiek. Deze notitie is toegezegd in het Algemeen Overleg van 12 september jl.

Tevens gaat u hierbij toe de geannoteerde agenda voor de eerstvolgende Sociale Raad, die zal plaatsvinden op 2 december a.s. in Brussel. De formele vaststelling van deze agenda in COREPER heeft nog niet plaatsgevonden. De in de agenda opgenomen informatie betreft daarom een inschatting mijnerzijds.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert

GEANNOTEERDE AGENDA VOOR DE SOCIALE RAAD VAN 2 DECEMBER 1996

Naar het zich nu laat aanzien zullen de volgende onderwerpen op de Sociale Raad van 2 december aan de orde komen. De vaststelling van de definitieve agenda vindt op 13 november plaats door Coreper. Het is dus mogelijk dat er nog wijzigingen kunnen plaatsvinden met betrekking tot onderstaande agendapunten. Wanneer daar aanleiding toe is zal ik u nader informeren.

1. Voorstel tot oprichting van een Werkgelegenheids- en Arbeidsmarktcomité (LMC)

Naar aanleiding van de conclusies terzake van de Europese Raad van Madrid in december 1995, heeft de Europese Commissie een voorstel bij de Raad ingediend voor de oprichting van een Werkgelegenheids- en Arbeidsmarktcomité. Door middel van dit (ambtelijke) comité moet structurele ondersteuning van de Sociale Raad op het terrein van werkgelegenheid worden geboden. In het voorstel zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van het mandaat en de organisatiestructuur van het Comité. Het Comité zal de sinds enkele jaren opererende ad hoc groep van persoonlijke vertegenwoordigers van de Ministers van Arbeid moeten gaan vervangen.

Tijdens de Sociale Raad van 24 september jl. is een eerste oriënterende ronde gehouden over de instelling van het LMC. Het Voorzitterschap concludeerde toen op grond van de uitspraken van de Lid-Staten, dat de politieke wil tot besluitvorming aanwezig was.

Aan de hand van compromisvoorstellen van het voorzitterschap is inmiddels in grote lijnen overeenstemming bereikt over het voorstel.

Moeilijke punten tijdens de onderhandelingen bleken: wie het secretariaat gaat voeren, het recht van de Commissie om het Comité advies te vragen, en het recht van de Commissie om het Comité bijeen te roepen.

Naar verwachting zal dit dossier tijdens deze Sociale Raad kunnen worden afgerond.

Hierover is overeenstemming in zicht als volgt:

– met betrekking tot het secretariaat zal de Commissie het Comité van ondersteuning voorzien met betrekking tot onderzoek en informatie.

De Commissie zal dit in samenwerking met het raadssecretariaat doen, dat tevens zorgt voor het beleggen van vergaderingen en voor de operationele ondersteuning;

– met betrekking tot het recht van de Commissie het Comité bijeen te roepen heeft het voorzitterschap een compromis geformuleerd, waarin is vastgelegd dat de voorzitter op eigen initiatief of op verzoek van tenminste de helft van het Comité het Comité bijeen kan roepen;

– met betrekking tot het recht van de Commissie advies te vragen is een compromisvoorstel neergelegd dat de activiteiten plaatsvinden binnen de prioriteitsstelling van de Raad waarbij de Commissie als initiatiefnemer is betrokken.

2. Werkgelegenheid/de voorbereiding van de Europese Raad van Dublin

De Sociale Raad werkt samen met de Ecofin Raad en de Commissie aan de voorbereiding van een gezamenlijk verslag aan de Europese Raad van Dublin.

Dit verslag moet formeel worden goedgekeurd door de Sociale Raad van 2 december a.s.

De voorbereidingen voor de inbreng van de Sociale Raad aan het verslag hebben zoals gewoonlijk plaats gevonden in het kader van de ad hoc groep.

Het verslag over de werkgelegenheid 1996 is getiteld «Naar een nieuwe cultuur op het gebied van werkgelegenheid en groei in Europa».

De titel geeft goed weer wat het rapport beoogt, namelijk een aanzet voor een versterking en verdieping van de Europese werkgelegenheidsstrategie.

Deze aanzet wordt gegeven op basis van een beschrijving met de Meerjarenprogramma's Werkgelegenheid tot dusverre (op basis van de informatie van de Lid-Staten) en een inventarisatie van de belangrijkste elementen van de aandachtspunten. Deze aandachtspunten betreffen onder meer verlaging van de arbeidskosten, voortzetting van de macro-economische strategie, sociale bescherming en flexibiliteit op de arbeidsmarkt.

De wisselwerking tussen macro-economisch beleid en structuurbeleid, het belang van een geïntegreerde aanpak van het werkgelegenheidsvraagstuk (waarbij alle relevante actoren zijn betrokken) alsmede een verdere optimalisering van de Meerjarenprogramma's (bijvoorbeeld door de ontwikkeling van indicatoren) zijn belangrijke uitgangspunten voor de versterking van de Europese werkgelegenheidsstrategie.

3. Bewijslast

De Commissie beoogt met dit voorstel een grotere doeltreffendheid van de door de lidstaten getroffen maatregelen ter implementatie van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen (verankerd in artikel 119 EG-verdrag en in 5 richtlijnen betreffende gelijke behandeling).

In de praktijk is gebleken dat het vaak voor personen die menen slachtoffer te zijn van onterechte sexe-discriminatie zeer moeilijk is hun recht te halen. Dit komt doordat het in de meeste Lid-Staten zo is dat in civielrechtelijke zaken de klager de gegrondheid van zijn/haar klacht moet bewijzen. Daarbij komt dat het bewijsmateriaal zich meestal in handen van de gedaagde bevindt.

Het richtlijnvoorstel bepaalt om die reden dat de bewijslast over eiser en gedaagde verdeeld moet worden; de eiser moet aannemelijk maken dat er van sexe-discriminatie sprake is, waarna gedaagde moet bewijzen dat hij niet gediscrimineerd heeft, of dat hij daarvoor objectieve redenen heeft.

De huidige tekst is voor een groot deel gebaseerd op het eerste ontwerp uit 1988. De onderhandelingen over de richtlijn zijn toen vastgelopen. Het voorstel is nu weer opnieuw ingediend door de Commissie, ditmaal onder artikel 2 van het Sociale Protocol. Door deze wijziging is er nu sprake van een besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid, waaraan het VK niet deelneemt.

Nederland heeft geen problemen met de doelstelling van de ontwerp richtlijn.

De Nederlandse praktijk, gebaseerd op een combinatie van wetgeving en rechtspraak, is met de richtlijn in overeenstemming.

Het gaat hierbij om een procesrechtelijke richtlijn. In het voorstel wordt echter ook bijvoorbeeld een definitie van indirecte discriminatie opgenomen. Nederland is van mening dat definities thuishoren in de eerste richtlijn gelijke behandeling.

Punten die verder nog aandacht behoeven zijn het arbitragerecht en de onderzoektaak van de rechter.

Dit dossier is nog niet gereed voor besluitvorming. Het voorzitterschap zal de stand van zaken presenteren op de komende Sociale Raad.

4. Resolutie sociale bescherming en werkgelegenheid

De resolutie, een Iers voorzitterschapsinitiatief, roept de lidstaten op om ervoor te zorgen dat het leveren van een bijdrage aan het voorkomen van werkloosheid en aan de reïntegratie van werklozen als doelstelling een integrerend deel uitmaakt van hun sociale beschermingsbeleid. Met name wordt daarbij gedacht aandacht te besteden aan langdurig werklozen, financierbaarheid, coördinatie van belastingen, uitkeringen en andere lastenverlichtingen en deeltijdwerk.

Voorts wordt aan de Lid-Staten en de Commissie gevraagd de uitwisseling van gegevens tussen de Lid-Staten op het terrein van sociale bescherming en werkgelegenheid te bevorderen.

De Commissie wordt gevraagd om de samenwerking tussen de Lid-Staten te bevorderen en daarbij vooral aandacht te besteden aan de vraag hoe deze stelsels kunnen inspelen op nieuwe behoeften. Tenslotte wordt gevraagd om een analyse van ontwikkelingen en het voorleggen van passende verslagen aan de Raad. Een en ander binnen de bestaande kaders.

Nederland kan instemmen met dit voorstel op initiatief van het Ierse voorzitterschap.

Het ligt in de verwachting dat de resolutie op deze Raad kan worden aangenomen.

5. Resolutie gelijke behandeling gehandicapten

Door de Commissie is in juli een mededeling en een ontwerp-resolutie betreffende «Gelijke kansen voor gehandicapten» aan de Raad aangeboden.

De mededeling breekt met de traditionele aanpak via actieprogramma's met grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten zoals Helios. De kern van de mededeling is dat de aandacht voor gehandicapten in het Europees beleid als onderdeel van het reguliere beleid moet worden geïncorporeerd (mainstreaming).

In de onderhandelingen zijn de inhoudelijke problemen die Nederland met de ontwerp-resolutie had voor een groot deel opgelost. De tekst bevat nu alleen principes over gelijke behandeling en non-discriminatie. Deze tekst is daardoor voor een groot deel van de Lid-Staten en ook voor Nederland aanvaardbaar.

Op ambtelijk niveau is overeenstemming mogelijk. Afhankelijk van de beschikbaarheid van het advies van het EP zou er besluitvorming op de Sociale Raad van 2 december kunnen plaatsvinden.

6. Codificatie Verordening 1408/71 en div. wijzigingen Verordening 1408/71 (Sociale zekerheid voor migrerende werknemers)

6.a Codificatie Verordening 1408/71

Dit voorstel betreft de bijwerking van verordening 1408/71 uit 1983, met alle wijzigingen die sedertdien hebben plaatsgevonden, zodat een nieuwe complete en aangepaste tekst van verordening 1408/71 ontstaat. Dit komt vooral de transparantie van EU-wetgeving ten goede.

Inhoudelijk bestaan er geen problemen zodat de besluitvorming over dit voorstel op deze Raad kan worden afgerond.

6.b Diverse wijzigingen Verordening 1408/71

Het voorstel bevat de jaarlijkse actualisering in verband met de ontwikkelingen in de sociale zekerheidswetgevingen van de Lid-Staten. Voorts worden enige aanvullingen voorgesteld. De belangrijkste elementen zijn de volgende.

De personele werkingssfeer wordt uitdrukkelijk uitgebreid tot de gezinsleden en nagelaten betrekkingen van ambtenaren, voor zover zij zijn verzekerd in het algemene stelsel. Het betreft hier dus niet een vooruitlopen op de uitbreiding van de verordening tot ambtelijke stelsels.

Tevens wordt een regeling voorgesteld die tegemoet komt aan de behoefte aan medische zorg van studenten die wegens hun studie gedurende een langere tijd buiten het land verblijven waar zij zijn verzekerd of zijn medeverzekerd in het algemene stelsel. Studenten zullen voortaan recht krijgen op medische zorg zonder dat daaraan de beperking wordt gesteld dat deze dringend noodzakelijk is.

Voorts wordt een rechtsgrondslag gelegd voor de werkzaamheden die plaats vinden in het kader van de gegevensuitwisseling tussen de Lid-Staten langs elektronische weg bij de toepassing van de verordening voor de vaststelling van het recht op prestaties, in het bijzonder op pensioenen voor rechthebbenden.

De onderhandelingen over deze zaak zijn thans nog niet afgerond. Over met name de wijze van vergoeding van de kosten bestaat op dit moment nog geen overeenstemming.

7. Mededeling sociale dialoog

Het doel van de mededeling van de Commissie, september 1996, betreffende «De ontwikkeling van de sociale dialoog op gemeenschapsniveau» is om middelen te vinden om deze sociale dialoog te versterken, aan te passen en te evalueren.

In de mededeling wordt tevens geprobeerd het werk van de sociale partners nauwer te doen aansluiten bij de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van het beleid van de EU met name op het gebied van de werkgelegenheid en de economische groei.

De mededeling bevat niet alleen een analyse van de mogelijkheden van de sociale dialoog, maar ook een evaluatie van de doeltreffendheid en invloed van de huidige structuren. Zo worden het Val Duchesse overleg, de interprofessionele raadgevende comités, de sectoriële sociale dialoog en het permanente comité voor arbeidsvraagstukken geëvalueerd.

De Commissie nodigt de betrokken partijen, Raad en sociale partners, uit voor 31 december 1996 te reageren.

De mededeling zal tijdens de Sociale Raad van 2 december door de Commissie worden gepresenteerd.

8. Richtlijn gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid (86/378/EEG)

Het betreft een wijzigingsvoorstel van bovengenoemde richtlijn, bedoeld om deze in overeenstemming te brengen met artikel 119 van het EG-Verdrag, zoals deze bepaling in een aantal recente uitspraken is uitgelegd door het Europese Hof van Justitie.

Concrete aanleiding voor dit voorstel is het arrest in de zaak Barber van 17 mei 1990.

Artikel 119 van het EG-Verdrag waarborgt het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers bij gelijke arbeid. Deze bepaling is rechtstreeks van toepassing en kan voor nationale rechterlijk instanties worden ingeroepen tegen iedere private of publiekrechtelijke werkgever. Het Hof heeft het begrip beloning uitgebreid tot iedere vorm van sociale zekerheid, die wordt geboden in een regeling die zijn oorsprong vindt in de arbeidsverhouding tussen een werknemer en een bepaalde werkgever.

In het wijzigingsvoorstel wordt in de preambule eerst een uitgebreid overzicht gegeven van de post-Barber jurisprudentie. In de vervolguitspraken heeft het Hof een nadere invulling van de Barberzaak gegeven, waarbij gedacht moet worden aan de werkingssfeer van artikel 119 van het EG-Verdrag en de terugwerkende kracht hiervan.

Het dispositief van de richtlijn zal na aanvaarding van het wijzigingsvoorstel nog slechts uitzonderingen voor zelfstandigen bevatten.

Op hoofdlijnen is overeenstemming bereikt over de inhoud van de Richtlijn.

Over enkele punten is echter nog overleg gaande tussen twee Lid-Staten en de Commissie.

De onduidelijkheden die volgens Nederland in het voorstel zaten zijn, zoals reeds tijdens het algemeen overleg van 12 september jl. aangegeven, opgelost.

Duidelijk is gemaakt dat rechtsvorderingen die na 17 mei 1990 zijn ingesteld geen verdere terugwerkende kracht kunnen hebben dan die datum. Voorts wordt er een bijlage opgenomen waarin als voorbeeld specifieke gevallen staan opgenomen waarin het hanteren van voor mannen en vrouwen verschillende actuariële berekeningselementen geoorloofd is (onder andere waarde-overdracht, uitruil ouderdomspensioen voor nabestaandenpensioen, vervroeging van de pensioen-ingangsdatum en omzetting in een eenmalige uitkering van een deel van het periodiek pensioen). Deze voorbeelden vloeien voort uit de jurisprudentie van het Europese Hof.

De besluitvorming over deze richtlijn op de komende Sociale Raad hangt af van het verloop van het overleg tussen de Commissie en de twee Lid-Staten.

De richtlijn legt vast dat de gelijke opbouw verplicht is vanaf de datum van het Barber-arrest. Voorts wordt het overgangsrecht geschrapt voor werknemers voor wat betreft de pensioenleeftijd, het nabestaandenpensioen en het hanteren van verschillende actuariële berekeningselementen voor de werknemersbijdrage.

Dit betekent, dat anders dan in de oude richtlijn was opgenomen, deze elementen vanaf 17 mei 1990 gelijk moeten zijn.

Deze uitzonderingen zijn in de gewijzigde richtlijn alleen nog maar van toepassing op zelfstandigen.

Voor Nederland betekent deze richtlijn weinig nieuws. In de opgeschorte wetsvoorstellen is al rekening gehouden met de zogenaamde post-Barber-jurisprudentie.

De aanvaarding van het wetsvoorstel en de novelle is echter wel van belang voor de gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke zelfstandigen in de aanvullende pensioenen.

De volgende punten zullen mogelijk als A-punten de Raad passeren:

1. Aanbeveling evenwichtige participatie mannen en vrouwen in besluitvorming

Over deze aanbeveling kon op de Sociale Raad van 4 juni jl. geen overeenstemming worden bereikt in verband met het politieke voorbehoud van het VK in verband met de BSE-problematiek.

Het parlementaire voorbehoud van het VK werd tijdens de Sociale Raad van 24 september jl. niet opgeheven. Hierdoor kon formeel nog geen besluitvorming plaatsvinden. In de verwachting dat in het najaar het Britse parlement een besluit heeft genomen zal het onderwerp tijdens deze Raad als A-punt kunnen worden aangenomen.

De aanbeveling beoogt de bevordering van een evenwichtige deelname van vrouwen en mannen aan de besluitvorming. In de aanbeveling wordt de Lidstaten gevraagd voor een strategie te kiezen ter bevordering van evenwichtige deelname door daartoe passende maatregelen op te stellen

2. Resolutie inzake gelijke kansen van mannen en vrouwen in de structuurfondsen

Het Ierse voorzitterschap heeft over dit onderwerp een ontwerpresolutie gepresenteerd. Enerzijds wordt hiermee aangesloten bij de discussie over de rol van structuurfondsen bij de werkgelegenheidsbevordering zoals die door Commissie-voorzitter Santer in zijn «pact» al is aangeroerd en vervolgens in meer uitgewerkte vorm is gepresenteerd in de mededeling terzake van de Europese Commissie. Anderzijds wordt ook het belang van gelijke kansen en werkgelegenheid voor vrouwen, dat door verschillende Europese Raden reeds is genoemd, benadrukt. In de resolutie wordt in dit verband expliciet gesproken van «mainstreaming».

De resolutie roept de lidstaten op bij de tenuitvoerlegging van de structuurfondsen met deze aspecten nadrukkelijk rekening te houden. Tevens wordt erop gewezen dat bij de komende herziening van de Structuurfondsenverordeningen (de huidige eindigen in 1999) de positie van vrouwen nadrukkelijk aandacht moet krijgen.

Nederland kon dit Ierse initiatief ondersteunen. Besluitvorming in september kon niet plaatsvinden door een parlementair voorbehoud van het VK.

In de verwachting dat in het najaar het Britse parlement een besluit heeft genomen zal het onderwerp tijdens deze Raad als A-punt kunnen worden aangenomen.


XNoot
1

Gedrukt onder nummer 25 110, nr. 3.

Naar boven