Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 21501-18 nr. 58 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 21501-18 nr. 58 |
Vastgesteld 3 oktober 1996
De algemene commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben op 12 september 1996 overleg gevoerd met minister Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en staatssecretaris Patijn van Buitenlandse Zaken over:
– het verslag van de Sociale Raad van 3 juni 1996(Kamerstuk 21 501-18, nr. 55);
– de agenda voor de Sociale Raad van 24 september 1996(Kamerstuk 21 501-18, nr. 56).
Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Van Rooy (CDA) complimenteerde de minister met het resultaat van zijn inspanningen voor de oprichting van een Arbeidsmarktcomité (agendapunt 1), al deelde zij zijn enthousiasme voor dit fenomeen niet. Hoe vindt de afstemming plaats met het Comité economische politiek? Wat is precies het werkterrein van het Arbeidsmarktcomité? Naast dit ambtelijk comité is er ook nog het Permanente comité voor arbeidsmarktvraagstukken, een tripartiet orgaan. Zal er enige relatie bestaan tussen beide? Levert dit laatste comité tastbare resultaten op?
Naar aanleiding van agendapunt 5 (De voorbereiding van de Europese Raad van Dublin) vroeg zij naar de inbreng van de Nederlandse regering. Zal het rapport van de Sociale Raad ingaan op de meerjarenafspraken? Richt de Raad zich al op de situatie die zal ontstaan na de totstandkoming van de EMU?
De besprekingen over de informatie en consultatie van werknemers in relatie tot de voorstellen voor een Europese vennootschap (agendapunt 7) slepen zich al jaren voort. Mevrouw Van Rooy drong erop aan dat deze onderwerpen worden losgekoppeld, opdat voortgang kan worden geboekt met de totstandkoming van de Europese vennootschap. Het Economisch en sociaal comité heeft in zijn advies aangegeven dat het niets voelt voor het opleggen van één participatiemodel, omdat dit voor een deel van de lidstaten een stapje terug zal zijn en voor andere wellicht te ver gaat. Zo blijft de besluitvorming geblokkeerd. De urgentie van een Europese vennootschap is echter zo groot en het onderwerp is bovendien zo anders, dat die ongelukkige koppeling met de medezeggenschap ongedaan moet worden gemaakt.
Het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering is kort geleden in die zin gewijzigd, dat aan de rechter wordt overgelaten per geval te beoordelen of de klager op een of andere wijze aannemelijk moet maken dat er sprake is van, in dit geval, discriminatie. Zal de Europese wetgeving met betrekking tot de bewijslast (agendapunt 8) geen stap terug zijn ten opzichte van de meer genuanceerde Nederlandse benadering?
Mevrouw Van der Stoel (VVD) herinnerde eraan dat het kabinet bij monde van de minister-president heeft gezegd dat het geen extra geld beschikbaar wil stellen voor het vertrouwenspact van de heer Santer en geen extra bevoegdheden voor Europa op dit terrein, noch versoepeling van de EMU-criteria voorstaat. Dan rest de vraag waarom er dan nog steeds over dit onderwerp wordt gepraat. Mag daaruit de conclusie worden getrokken dat er enig licht schijnt tussen de opmerking van de minister-president en het optreden van Nederland in het Sociaal comité? Zij zei dat het recept dat banen moet scheppen, in Nederland maar al te goed bekend is: deregulering, lastenverlichting, prikkels tot werk, flexibilisering van de arbeidsmarkt, decentralisatie en afslanking van de verzorgingsstaat. Nederland is met dit beleid goed op streek. Wat kunnen besprekingen in de Sociale Raad daar nog aan toevoegen? Het werkgelegenheidsbeleid is een verantwoordelijkheid van de nationale staten; zij zullen zelf de nodige stappen moeten nemen en zolang sommige lidstaten hun staatsbedrijven tegen hoge kosten in stand houden, hun socialezekerheidsstelsel niet moderniseren en hun belastingen niet verlagen, zijn de gevolgen voor hun rekening. Coördinatie op Europees niveau haalt dan weinig uit. Banen ten gunste van de huidige werklozen zullen er zeker niet bijkomen. Waarom zou het kabinet in de Raadkamer de nationale verantwoordelijkheid willen coördineren?
In een brief van 19 juni jl. wordt gesproken over werkgelegenheidsindicatoren. Is de minister bereid een notitie op te stellen waarin wordt aangegeven aan welke indicatoren hij denkt? Wil hij daarin ook uiteenzetten welke doelen hij zich stelt en langs welke wegen hij de discussie wil voeren tijdens het Nederlandse voorzitterschap en tijdens de IGC? In de brief worden verschillende gedachten geuit over de Europese coördinatie, maar wordt niet gesproken over de rol die het kabinet aan de Kamer toedenkt.
Mevrouw Van der Stoel vroeg naar aanleiding van punt 1 van de geannoteerde agenda of de activiteiten van het voorgestelde Arbeidsmarktcomité die van het Permanente comité zullen overlappen.
Agendapunt 6 heeft betrekking op een resolutie inzake gelijke kansen van mannen en vrouwen in de structuurfondsen. Zij herinnerde eraan dat haar fractie er eerder voor heeft gepleit dat bij een structurele onderuitputting van de structuurfondsen, het geld wordt teruggegeven aan de lidstaten. Nu lijkt het erop dat uit deze fondsen voor andere projecten wordt geput.
De heer Woltjer (PvdA) was verheugd over het voorstel voor de oprichting van een Arbeidsmarktcomité. Hij hoopte dat het tot een werkelijk effectiever beleidsvorming zal leiden. De arbeidsmarkt van de Europese Unie (EU) met zijn 18 miljoen werklozen gaat immers alle lidstaten aan. Het is te gemakkelijk zich te verschuilen achter het succes van het eigen beleid.
Naar aanleiding van agendapunt 5 (De voorbereiding van de Europese Raad van Dublin) vroeg hij informatie over de besluitvorming over het vertrouwenspact van de heer Santer. Hoe ver is de discussie nu gevorderd? Het pact mag niet doodlopen op een discussie over de investeringen in de Trans-Europese netwerken (TEN's). De Europese Raad moet nu tot een concretere uitwerking komen.
De heer Woltjer maakte zich grote zorgen over het stabiliteitspact, omdat er maar mondjesmaat informatie over dit onderwerp naar buiten komt. Over twee weken komt het stabiliteitspact aan de orde tijdens de informele Ecofin-raad. De Europese Commissie (EC) zou zich hebben voorgenomen een zekere consensus te bereiken, terwijl de Commissaris de lidstaten bezoekt om voorstellen voor een verdere uitwerking voor te leggen. Uitgangspunt daarbij zijn de afspraken van de Europese Raad in Florence. Omdat het stabiliteitspact grote sociale implicaties kan hebben, vroeg hij of de minister al iets bekend is over de gedachten van de EC. Wie zal verantwoordelijk zijn voor het pact? Wil de minister de Kamer tijdig informeren over de ontwikkelingen en haar het standpunt van de regering voorleggen? Het kan toch niet zo zijn dat een dergelijk pact dat zulke grote implicaties heeft, zonder verdere nationale discussie door de ministers van Financiën wordt vastgesteld.
De heer Woltjer onderschreef de Nederlandse instemming met de aanbeveling evenwichtige participatie mannen en vrouwen in besluitvorming (agendapunt 4). Hij maakte zich er wel bezorgd over dat het politieke voorbehoud van het VK de besluitvorming zo lang heeft kunnen ophouden. Een dergelijke blokkade van dossiers die niets met de eigenlijke problematiek te maken hebben, is onaanvaardbaar.
Mevrouw Schimmel (D66) was verheugd dat de impasse in de dossiers over de informatie en consultatie van werknemers en de Europese vennootschap lijkt te worden doorbroken. In het verslag van de Sociale Raad wordt opgemerkt (punt 8) dat verplichtende bepalingen voor de medezeggenschap in de context van de Europese vennootschap over het algemeen niet wenselijk werden gevonden. Ook wordt opgemerkt dat Nederland heeft gewezen op de mogelijkheid van het verlagen van de instellingsdrempel van de Europese ondernemingsraad. Mag hieruit worden afgeleid dat Nederland op het punt van de verplichtende bepalingen een ander standpunt heeft ingenomen? Zij zei dat zij die opstelling zou toejuichen.
Uit de formulering van punt 3 van de geannoteerde agenda (richtlijn gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemingsregelingen en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid (86/378) kan worden afgeleid dat Nederland geen bezwaar heeft tegen de noodzakelijk gebleken aanpassing van de richtlijn, omdat met zowel woorden wordt gezegd dat Nederland in de loop van de besprekingen wel heeft aangedrongen op het wegnemen van enkele onduidelijkheden in het voorstel. Op welke onduidelijkheden wordt hier gedoeld? Overigens ging zij ervan uit dat dit punt, dat inmiddels van de agenda is afgevoerd, terug zal komen in een volgende Sociale Raad.
Het antwoord van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
De minister stelde voorop dat de bespreking tijdens de komende Sociale Raad nog beperkter zal zijn dan de agenda al aangeeft. Dit geldt bijvoorbeeld voor het voorstel tot oprichting van een Arbeidsmarktcomité. Het zal niet van de agenda worden afgevoerd, maar het is nog niet rijp voor besluitvorming omdat er nog verschillende vragen moeten worden beantwoord. Vooral de vraag onder wiens bevoegdheid het comité zal opereren, Raad of Commissie, is nog een open punt. Ook over de mogelijkheden voor eigen initiatief van het comité moet nog worden gesproken. Hij zei dat hij redelijk optimistisch is gestemd over de kansen van een dergelijk comité. Het is vooral nuttig en nodig voor een volwaardige voorbereiding door de Sociale Raad van het jaarlijkse syntheserapport over de werkgelegenheidsontwikkeling. De macro-economische kant van dit rapport wordt door het «Economic policy committee» goed verzorgd, maar de meer specifiek arbeidsmarktgerelateerde aspecten kunnen door het ontbreken van een structuur eigenlijk onvoldoende worden voorbereid. Zo'n structuur is nodig om het beoogde politieke resultaat, althans in kwalitatieve voorbereidingstermen, te kunnen bereiken. Bij de verdere uitwerking zal zeker de afbakening met het Permanente comité voor arbeidsmarktvraagstukken aan de orde zijn. De EC heeft zich voorgenomen een communicatie over de voortgang van de sociale dialoog uit te brengen. Overigens is het in de eerste plaats aan de EC zelf om daaraan invulling te geven, maar zij lijkt wel van plan deze ook aan de Raad aan te bieden voor een open gedachtewisseling. De minister zei dat hij zal aangeven dat er een naadloze aansluiting tot stand moet worden gebracht.
Over de voorbereiding van de Europese Raad van Dublin is nog niet veel te zeggen. In de eerste plaats omdat het door de opstelling van het VK geruime tijd heel rustig is geweest in Brussel. In de tweede plaats omdat de uitwerking van het vertrouwenspact het hoofdpunt zal zijn. De EC inventariseert het standpunt van de lidstaten op alle terreinen die onder het vertrouwenspact zijn begrepen, om daarmee mogelijkerwijs ook de Europese Top te voeden voor «follow-up»-besluiten. Die terreinen zijn de fiscaliteit met inachtneming van de nationale competenties, de werking van de Interne Markt, de versterking van de publieke aanbodzijde en een grotere betrokkenheid van sociale partners. Veel van de energie rond de implementatie van het vertrouwenspact is opgegaan aan het vraagstuk van de financiering van de TEN's. Daarover kan op dit moment geen nieuws worden gemeld, maar het staat vast dat dit een belangrijk element zal zijn van de voorbereiding van Dublin.
Daarnaast zal, in het verlengde van het syntheserapport van vorig jaar, de voortgang van alle aandachtspunten die daarin zijn opgenomen, worden gevolgd. De vraag naar de procedure staat enigszins in de schaduw van de besprekingen in het kader van de IGC en in die zin tekent zich nu dus een parallel proces af: de voorbereiding van de IGC en de ontwikkeling van een werkmethode door Ecofin-raad en Sociale Raad naar de Europese Top. De minister vond het moeilijk te voorspellen waartoe dit zal leiden. Hij zei dat hij in ieder geval zal proberen te komen tot een conceptuele benadering door via een aantal indicatoren van beleid, een vergelijking van de prestaties van de lidstaten op een aantal arbeidsmarktgerelateerde thema's zo goed mogelijk in beeld te brengen. Deze procedure zal ertoe leiden dat de lidstaten elkaar kunnen aanspreken op de mutaties die zich van jaar tot jaar voordoen. Het gaat niet zozeer om het vergelijken van statistieken, daarvoor is voldoende materiaal verzameld door Eurostat, maar veel meer om stroomcijfers die het uiteenlopende of juist overeenstemmende beleid, ook op arbeidsmarktgebied, tussen de lidstaten weergeven. Hiervoor moeten indicatoren worden geïdentificeerd. Hij stelde voor in het kader van de voorbereiding van de volgende Raad (van 2 december) nader in te gaan op zijn verwachtingen van deze benadering. Overigens geldt ook hier dat alles nog in beweging is en verre van definitief. Hij voegde hieraan toe dat deze benadering een belangrijk instrument kan zijn voor het arbeidsmarktcomité. In de brief van 19 juni jl. is dan ook een nadrukkelijk verband gelegd met de jaarlijkse procedure voor inventarisatie van beleid met het oog op een zekere afstemming.
De Nederlandse inzet op het punt van de informatie en consultatie van werknemers is inderdaad om het gat tussen het Europese «dak» en het nationale «fundament» te verkleinen, met andere woorden de minimumnormen iets dichter bij de Nederlandse standaard te brengen. Dit is ook vanuit het oogpunt van een gelijk speelveld, concurrentie, enz. interessant. Overigens achtte de minister een ontkoppeling van de besluitvorming over de medezeggenschap en de Europese vennootschap mogelijk, mits vaststaat dat de afstemming van de medezeggenschap niet achter de horizon verdwijnt. De EC lijkt te denken over scenario's voor een dergelijke ontkoppeling. Hij sloot niet uit dat Nederland daar in het voorzitterschap mee te maken krijgt. Van de voortgang op dit punt zal de Kamer op de hoogte worden gehouden. De opvatting van het Economisch en sociaal comité over één participatiemodel is vanuit de materie zelf goed te begrijpen. Die benadering heeft er echter wel mede toe bijgedragen dat het dossier aardig geblokkeerd is geraakt. De loskoppeling hoeft geen afbreuk te doen aan het advies van het comité.
Terecht wordt een relatie gelegd tussen het agendapunt bewijslast en het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Voorzover thans kan worden nagegaan, is de recente wijziging van het Wetboek niet in strijd met datgene wat de EC voor ogen. Mocht er wel frictie ontstaan, dan kan dit inderdaad aanleiding zijn om het Nederlandse standpunt opnieuw te overwegen. De procedure zal nauwlettend worden gevolgd. Overigens is het debat in de Raad nu eigenlijk pas serieus begonnen, maar het is prettig dat Nederland een behoorlijk referentiekader heeft om de eigen positie te toetsen. Dit zal vanzelfsprekend in goede afstemming met het ministerie van Justitie gebeuren.
De drie criteria die het kabinet heeft gesteld aan het vertrouwenspact: geen aantasting van de EMU-bepalingen, geen extra budgettaire middelen en geen aantasting van de bevoegdheidsverdeling hebben betrekking op eventuele verdragswijzigingen in het kader van het sociale hoofdstuk of het inbrengen van het thema werkgelegenheid in het Verdrag. Dit laat onverlet, dat is ook een bestendige kabinetslijn, dat er in de Sociale Raad, net zoals trouwens in de Ecofin-raad en vooral ook op de Europese Top, eigenlijk voortdurend een voortgangsrapportage aan de orde is over het algemene werkgelegenheidsbeleid, de afstemming en nu ook wat specifieker aangehangen aan het vertrouwenspact. Die voortgangsrapportage heeft op zich geen beperkingen, omdat er geen sprake is van opdrachten aan de Unie, laat staan van het overhevelen van verantwoordelijkheden, maar is van belang opdat het verder integrerend Europa, straks ook op economisch en monetair terrein, zijn soliditeit voor de toekomst mede moet ontlenen aan de sociale cohesie. Zo niet, dan zullen vroeger of later de nadelige gevolgen voor de economische en monetaire samenhang naar voren komen. Dit verklaart, zo meende de minister, waarom de werkgelegenheidsdiscussie in de meer strategische betekenis van het woord, ook een steeds hogere prioriteit krijgt en moet krijgen in de afstemming tussen het nationale beleid van de lidstaten.
De resolutie over de gelijke behandeling in de structuurfondsen mag niet zo worden begrepen dat er iets wordt toegevoegd aan de toewijzingscriteria voor projecten in het kader van de structuurfondsen. Het pleidooi is erop gericht langs de weg van monitoring en daarmee ook van stimulering, lidstaten ertoe te bewegen bij die projecten meer aandacht te besteden aan het aspect van de gelijke participatie dan zij, zoals uit de realisatiegegevens gedurende vele jaren blijkt, tot nu toe hebben gedaan. Nederland steunt dit van harte.
Het stabiliteitspact kan natuurlijk, mits verstandig gehanteerd, als een vertrouwenspact gaan functioneren, maar voorop staat de behoefte aan duidelijkheid over de positie en de opstelling van de lidstaten na de afronding van de derde fase. In het Verdrag is wel de transitie geregeld, maar voor de periode daarna is niets afgesproken. De minister stelde voor dat op het moment dat de regering voornemens is een bepaalde positie in te nemen, dit via de daartoe bestemde kanalen aan de Kamer te melden. Hij voegde hieraan toe dat in ieder geval ook in de Miljoenennota hierop wordt ingegaan. Het verzoek om de Nederlandse inzet met de betrokken bewindslieden gezamenlijk te bespreken, leek hem redelijk. Het moet worden ingepast in de verschillende procedures. Hij zegde toe hierop terug te komen.
De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken voegde hieraan toe dat het moment voor dit overleg afhankelijk moet worden gesteld van de informatievoorziening over de ontwikkeling van de positie in andere landen en eventueel mogelijke oplossingen of opties voor oplossingen. Het belang en de reikwijdte van het stabiliteitspact is zodanig dat daarover goed overleg tussen regering en parlement nodig is. Hij zegde toe met de minister van Financiën in overleg te treden om na te gaan wanneer het moment voor overleg met de Kamer zal zijn aangebroken.
De minister beaamde dat het Barberarrest van de agenda is afgevoerd. De genoemde onduidelijkheden hebben betrekking op overgangstermijnen in de nationale aanpassing van beroepstermijnen en de actuariële berekeningselementen. Daarnaast is van belang dat toepassing van het nationale recht inzake verjaringstermijnen niet tot gevolg heeft dat terugwerkende kracht zich uitstrekt tot voor 17 mei 1990, de datum van de Barberuitspraak, als de vordering na die datum is ingediend. Dit onderwerp zal dus zeker terugkomen op de agenda. Bij de voorbereiding van die agenda zal zo expliciet mogelijk worden aangegeven wat de stand van zaken is.
Het is nog te vroeg om veel te zeggen over het Nederlandse voorzitterschap. Eerst moet worden afgewacht wat het Ierse voorzitterschap van plan is en kan. In de loop van november, als de voorbereiding van de volgende Sociale Raad aan de orde is, zal de Kamer een beeld worden geschetst van de thema's en onderwerpen die tijdens het Nederlandse voorzitterschap in het kader van de Sociale Raad aan de orde zullen zijn. Hij zegde toe dit zo expliciet mogelijk te zullen doen.
In antwoord op de vraag naar het compromisvoorstel dat Nederland tijdens de laatstgehouden Begrotingsraad zou hebben ingediend, merkte de staatssecretaris nog op dat tijdens de Europese Raad in Florence verschil van mening is gebleken over een extra financieringsimpuls van de TEN's. Het onderwerp is toen terugverwezen naar de Ecofin-raad. Die heeft een groep van persoonlijke vertegenwoordigers ingesteld om dit op te lossen. Deze heeft zijn rapport nog niet volledig afgerond; het zal dienen in de eerstkomende Ecofin-raad. Bij de voorbereiding van de begroting voor 1997 is gebleken dat door een serie samenvallende maatregelen in de categorie-3-uitgaven (uitgaven voor intern beleid) een zeer aanzienlijke marge ontstond, (ongeveer 375 mln. ecu). Daarom heeft Nederland voorgesteld reeds een begin te maken met die extra-TEN-financiering binnen de geldende financiële perspectieven en een deel van die marge te bestemmen voor de verhoging van de categorie financiële perspectieven. Het voorstel kon zich verheugen in de steun van ongeveer de helft van de lidstaten, maar heeft het toch niet gehaald. Het was in ieder geval een nuttige impuls voor het werk van de groep van persoonlijke vertegenwoordigers, omdat het duidelijk maakt dat het zeer goed mogelijk is tot extra TEN-financiering te komen met eerbiediging van de financiële perspectieven.
Samenstelling: Leden: Van der Linden (CDA), Blauw (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Weisglas (VVD), Terpstra (CDA), Verspaget (PvdA), De Hoop Scheffer (CDA), Ter Veer (D66), voorzitter, Ybema (D66), Van Middelkoop (GPV), Leers (CDA), Sipkes (GroenLinks), Van Rooy (CDA), Woltjer (PvdA), ondervoorzitter, Hendriks, Voûte-Droste (VVD), Schuurman (CD), Hessing (VVD), Van den Bos (D66), Van Oven (PvdA), Hoogervorst (VVD), Rouvoet (RPF), Van Waning (D66), Houda (PvdA) en Rehwinkel (PvdA).
Plv. leden: Bukman (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van Traa (PvdA), Blaauw (VVD), Verhagen (CDA), Van der Ploeg (PvdA), De Jong (CDA), Deetman (CDA), De Graaf (D66), Van den Berg (SGP), Van der Hoeven (CDA), M. B. Vos (GroenLinks), Hillen (CDA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Meijer (groep-Nijpels), O. P. G. Vos (VVD), Poppe (SP), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Roethof (D66), Crone (PvdA), Verbugt (VVD), Leerkes (Unie 55+), Hoekema (D66), Adelmund (PvdA) en Lilipaly (PvdA).
Samenstelling: Leden: Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, De Jong (CDA), voorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD) en Meijer (groep-Nijpels).
Plv. leden: Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Sterk (PvdA), Terpstra (CDA), Van Rooy (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), Wolters (CDA), Dijksma (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Apostolou (PvdA), Ten Hoopen (CDA), Van Boxtel (D66), J. M. de Vries (VVD), B. M. de Vries (VVD), Leerkes (Unie 55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD), Hoogervorst (VVD) en Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-58.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.