21 501-18
Sociale Raad

nr. 55
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 1 juli 1996

Bijgaand doe ik u toekomen het verslag van de vergadering van de Sociale Raad van 3 juni jl.

De eerstvolgende bijeenkomst van de Sociale Raad zal – onder Iers voorzitterschap - plaatsvinden op 24 september a.s. in Brussel.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert

VERSLAG VAN DE SOCIALE RAAD VAN 3 JUNI 1996

1. Algemeen

Deze Sociale Raad, de tweede en laatste onder Italiaans voorzitterschap, stond in het teken van de Engelse blokkade van alle besluitvorming in verband met de BSE-problematiek. Om die reden kon geen besluit worden genomen over het jaar tegen het racisme, de resolutie inzake transparantie van beroepsopleidingscertificaten en de aanbeveling over evenwichtige deelname van mannen en vrouwen in het besluit-vormingsproces. De formele vaststelling van de richtlijnen ouderschapsverlof (definitief) en detachering (gemeenschappelijk standpunt) had hieronder niet te lijden, omdat het VK hierbij in het eerste geval niet betrokken is (ouderschapsverlof is gebaseerd op de Overeenkomst inzake de Sociale Politiek) en in het tweede geval besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid kon plaatsvinden.

2. Richtlijn ouderschapsverlof

Vaststelling van deze richtlijn, waarover op de Raad van 29 maart een politiek accoord werd bereikt tussen de veertien lidstaten die partij zijn bij de Overeenkomst inzake de Sociale Politiek, was slechts een formaliteit. De richtlijn zal over twee jaar moeten zijn geïmplementeerd.

3. Richtlijn detachering

Ook hier betrof het de formele vaststelling, hetgeen zonder debat is gebeurd. De tekst zal nu ter tweede lezing aan het Europese Parlement worden gezonden, waarna hij terugkomt in de Raad voor de procedure van definitieve aanvaarding.

4. Aanbeveling evenwichtige participatie mannen en vrouwen in besluitvorming

De aanbeveling, die beoogt een evenwichtige de deelname van vrouwen en mannen aan de besluitvorming te bevorderen, kon inhoudelijk op instemming van de delegaties rekenen. Alleen het VK plaatste een politiek voorbehoud, dat pas zal kunnen worden opgeheven nadat een oplossing voor het eraan ten grondslag liggende (BSE)probleem is gevonden. Dan pas zal ook formeel besluitvorming op dit dossier mogelijk zijn.

In de aanbeveling wordt de lidstaten gevraagd voor een strategie te kiezen ter bevordering van evenwichtige deelname van mannen en vrouwen op alle besluitvormingsniveaus en daartoe passende (wettelijke, bestuursrechtelijke of aansporende) maatregelen te nemen, gericht op beeldvorming in schoolboeken en -programma's, in reclame en media, op voorlichtingscampagnes, op politieke, economische en maatschappelijke besluitvormingsprocessen en op bewustmaking van sociale partners, politieke partijen, verenigingen, NGO's alsmede de media.

De Commissie zal in het kader van het vierde Actieprogramma Gelijke kansen ook een aantal activiteiten op dit terrein ontplooien ter ondersteuning van en in aanvulling op de initiatieven in de lidstaten.

4a. Werkgelegenheid en de voorbereiding van de Europese Raad van Florence

Agendering van dit punt leidde tot goedkeuring door de Sociale Raad van het gezamenlijke tussenrapport van Sociale Raad, Ecofinraad en Europese Commissie voor de Europese Raad van Florence. Alle lidstaten konden hiermee instemmen.

Het tussenrapport bevat, behalve een analyse van de economische en werkgelegenheidssituatie, onder andere hoofdstukken over de voortgang met betrekking tot de meerjarenprogramma's van de lidstaten, de voortgang met betrekking tot de door de Europese Raad van Madrid gevraagde stabiele structuur, en een voorstel voor het ontwikkelen van werkgelegenheidsindicatoren. Ook wordt aandacht besteed aan het vertrouwenspact van Commissievoorzitter Santer en de rol van de structuurfondsen in het Essen-proces.

Van Nederlandse zijde is met name aandacht gevraagd voor het belang van daadkrachtige verdere ontwikkeling van de werkgelegenheidsindicatoren, waarmee onder Italiaans voorzitterschap een begin is gemaakt. Voorts is gepleit voor snelle besluitvorming met betrekking tot de door de Europese Raad van Madrid gewenste stabiele structuur ter ondersteuning van de Sociale Raad.

5. Follow up Wereldvrouwenconferentie Peking

Dit punt vloeide voort uit de conclusies van de Europese Raad van Madrid, waarin het belang van de Wereldvrouwenconferentie werd onderstreept en de wenselijkheid van een periodieke balans van de tenuitvoerlegging werd aangestipt. Onder dit punt deed de Commissie verslag van de voortgang die er tot nog toe is geboekt in de follow up van Peking op communautair niveau, waarbij met name aandacht werd besteed aan hetgeen in gang is gezet in het kader van het Vierde actieprogramma gelijke kansen.

6. Europees jaar tegen racisme

De gemengde resolutie van de Raad en de ministers van sociale zaken van de lidstaten van de Europese Unie verkreeg inhoudelijke instemming van alle lidstaten. Ook hier plaatste het VK zijn politieke voorbehoud, waardoor een formeel besluit tot instelling van het jaar 1997 als jaar tegen het racisme op dit moment niet kon worden genomen.

Het jaar tegen racisme heeft de volgende doelstellingen:

– aandacht vestigen op de bedreiging van het racisme

– bezinning op en discussie over de wijze van bestrijding

– bevorderen van uitwisseling van ervaringen en goede praktijken op lokaal, nationaal en Europees niveau

– verspreiden van informatie onder betrokkenen

– bekendheid geven aan het op nationaal niveau gevoerde integratiebeleid

– profiteren van ervaringen van personen die slachtoffer (kunnen) zijn van racisme en hun integratie in de maatschappij bevorderen.

In het kader van het jaar zullen zowel op nationaal als op communautair niveau evenementen, conferenties en seminars worden georganiseerd en voorlichtingscampagnes worden gevoerd.

7. Doorzichtigheid van beroepsopleidingscertificaten

De Sociale Raad heeft ingestemd met de resolutie van het voorzitterschap die beoogt aandacht te vragen voor de noodzaak van transparantie van beroepsopleidingscertificaten. Dit initiatief is genomen door het voorzitterschap in het kader van het jaar van het levenslang leren, een initiatief dat door alle lidstaten kon worden ondersteund. Ook hier moest formele besluitvorming echter achterwege blijven in verband met het politieke voorbehoud van het VK.

De resolutie onderstreept het belang van certificaten waarop de verworven vaardigheden duidelijk zijn aangegeven voor houders van die certificaten en voor werkgevers en relevante instanties in de lidstaten. De lidstaten worden opgeroepen zoveel mogelijk en aansluitend bij hun nationale systemen hieraan een bijdrage te leveren door bepaalde standaardinformatie op de certificaten te vermelden. Een en ander zal op het niveau van de Unie in het kader van de programma's Leonardo da Vinci en Socrates kunnen worden ondersteund.

Uitdrukkelijk worden de nationale bevoegdheden op dit terrein onverlet gelaten.

8. Mededeling inzake informatie en consultatie van werknemers

Over deze mededeling van de Commissie vond een oriënterend debat plaats. Allerwege gaven de lidstaten ervan blijk de noodzaak te voelen de impasse op de diverse vennootschapsrechtelijke dossiers te doorbreken, en ook met betrekking tot de informatie en consultatie van werknemers voortgang te boeken. Deze aspecten mogen ook bij de totstandkoming van de vennootschapsdossiers niet verloren gaan. Met betrekking tot medezeggenschap van werknemers werd met name naar voren gebracht dat regelgeving in de lidstaten van de Europese Unie op dit terrein zeer uiteenlopend is en in elk geval grote verschillen in verstrekkendheid te zien geeft. Verplichtende bepalingen op dit gebied in de context van de Europese vennootschap werden dan ook in het algemeen niet wenselijk gevonden.

Ten aanzien van de door de Commissie geschetste opties:

– behoud van de status quo en doorgaan met de versnipperde aanpak en derhalve het risico van blijvende stagnatie,

– een globale aanpak, d.w.z. goedkeuring van één globaal instrument i.p.v. specifieke regelgeving voor elk juridisch lichaam (de Europese vennootschap, de Europese vereniging, de Europese coöperatieve vennootschap en de Europese onderlinge waarborgmaatschappij),

– een combinatie van voorgaande mogelijkheden kon een vrij algemene voorkeur worden geconstateerd ten aanzien van de tweede optie, hoewel eveneens algemeen werd benadrukt dat nader onderzoek naar de modaliteiten noodzakelijk was.

Van verschillende kanten – ook van de Nederlandse – is aangegeven dat raadpleging van sociale partners ten aanzien van deze dossiers van groot belang is. Pas na zorgvuldige consultatie en inventarisatie kan worden overgegaan tot concrete aanbevelingen voor oplossingen. Een mogelijkheid zou zijn, zo is van Nederlandse zijde aangegeven, het verlagen van de instellingsdrempel van de Europese Ondernemingsraad, waardoor het gat tussen het Europese «dak» en het nationale «fundament» om te beginnen wat kan worden verkleind. Het debat zal hoe dan ook moeten worden voortgezet en het onderwerp zal zeker binnen afzienbare tijd terugkomen op de raadsagenda.

9. Demografische situatie in de Unie

De Raad heeft kort van gedachten gewisseld over het Commissierapport over de demografische situatie in de Unie in 1995.

Voorts is inhoudelijk ingestemd met conclusies van het voorzitterschap terzake, hoewel ook deze formeel niet konden worden aanvaard vanwege het Britse voorbehoud. In de conclusies wordt het belang van demografie als instrument voor beleidsvorming onderstreept en wordt bepleit dat de wetenschappelijke coördinatie in de Europese Unie op dit gebied wordt geperfectioneerd.

10. Toepassing van de Overeenkomst inzake de sociale politiek

Onder dit agendapunt deed Commissaris Flynn verslag van de voortgang met betrekking tot de dossiers «Omkering bewijslast» en «Deeltijd» in de dialoog tussen sociale partners, die in het kader van de consultatieprocedure van de Overeenkomst inzake de sociale politiek wordt gevoerd.

Ten aanzien van het dossier «Omkering bewijslast» deelde Commissaris Flynn mee dat sociale partners niet de wens hebben geuit een overeenkomst te sluiten zoals ze dat hebben gedaan voor ouderschapsverlof. Dit heeft tot gevolg dat de Commissie binnenkort een richtlijnvoorstel over dit onderwerp zal indienen.

Ten aanzien van het dossier «Deeltijd» is de tweede fase van de consultatie nog niet afgerond.

Naar boven