21 501-18
Sociale Raad

nr. 53
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 15 mei 1996

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid11 heeft op 21 maart 1996 overleg gevoerd met minister Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de geannoteerde agenda van de Sociale Raad d.d. 29 maart 1996(kamerstuk 21 501–18, nr. 52).

Van het overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Adelmund (PvdA) stelde eerst vast dat voor de voorbereiding van dit overleg opnieuw maar heel weinig tijd beschikbaar was (ongeveer anderhalve dag) en voor die voorbereiding alleen maar de geannoteerde agenda beschikbaar was. Zij wist dat dit niet aan de minister ligt, maar desondanks drong zij er opnieuw op aan dat hier verandering in komt, ook ten behoeve van de legitimiteit van de Europese politiek bij de burger.

Nu er 18 miljoen werklozen in de Unie zijn, is werkgelegenheid uiteraard van groot belang voor die legitimiteit. De regeringsleiders hebben in Madrid de strijd tegen de werkloosheid tot topprioriteit verklaard, maar als de Unie er niet in slaagt om naast het tot stand brengen van de ene munt de torenhoge werkloosheid effectief te bestrijden, verliest de Unie haar geloofwaardigheid bij de burger. De afspraken van Essen zijn belangrijk, maar nog veel belangrijker is de naleving van die afspraken. Hoe staat het met de multilaterale surveillance en wat hebben de lidstaten tot nu toe ondernomen om de afspraken van Essen in beleid om te zetten? Het voorstel van de Commissievoorzitter inzake een vertrouwenspact voor de werkgelegenheid verdient, voor zover het op basis van kranteberichten te beoordelen valt, de steun van Nederland.

Hoe belangrijk de afspraken van Madrid en Essen ook mogen zijn, mevrouw Adelmund leken deze afspraken toch niet voldoende. Ze zijn in ieder geval te vrijblijvend in vergelijking met de veel dwingender afspraken op financieel en monetair terrein. Meer evenwicht in het beleid van de Unie tussen de monetaire en de sociaal-economische aspecten achtte zij nodig. Ecofin en Sociale Raad zouden sámen moeten overleggen en geen splitsing moeten aanbrengen tussen aanbod- en vraagbeleid. De nadruk ligt nu te eenzijdig op het monetaire beleid, vooral prijsstabiliteit. Een beter evenwicht en een minder eenzijdige economische coördinatie zouden moeten worden onderbouwd door in het Verdrag meer nadruk te leggen op de bevordering van de werkgelegenheid. Met welke doelstellingen ten aanzien van het werkgelegenheidsvraagstuk gaat de Nederlandse regering volgende week de IGC in?

Mevrouw Adelmund vond dat de huidige bepalingen in het Verdrag over werkgelegenheid aangescherpt en verduidelijkt moeten worden. In artikel 2 van het Verdrag wordt het bevorderen van een hoog niveau van werkgelegenheid tot een taak van de Unie gemaakt, maar helaas komt de werkgelegenheid in de artikelen 3 en 3a, waar de activiteiten van de Unie worden beschreven, niet meer terug. Hoe denkt de minister over het voorstel om in beide artikelen expliciet een verwijzing naar werkgelegenheid en de doelstelling van een hoog werkgelegenheidsniveau op te nemen? Hoe staat hij tegenover het voorstel om een werkgelegenheidscomité op te richten, met eenzelfde status als het monetaire comité, dat een betere coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten en de Unie tot stand moet brengen? Hier is onder meer door het EVV en door leden van het Europees Parlement voor gepleit. Zij zag instelling van zo'n werkgelegenheidscomité overigens als een tijdelijke maatregel, zolang er nog een splitsing is tussen aanbod- en vraagbeleid en zolang Ecofin en Sociale Raad nog niet gezamenlijk overleg plegen over de aanpak van de werkloosheid. Naast deze voorstellen voor de artikelen 3 en 3a ligt er ook nog een voorstel inzake wijziging van artikel 2, namelijk om daar expliciet te spreken over het bevorderen van werkgelegenheid voor vrouwen en mannen.

Zij verwachtte dat verankering van een en ander in het Verdrag een extra impuls zal geven aan de uitvoering van de afspraken van Essen en de totstandkoming van een vertrouwenspact zal bevorderen. Deelt de minister deze verwachting en zal Nederland zich op de IGC inzetten voor zo'n betere verankering van het werkgelegenheidsbeleid in het Verdrag?

Zij vond het zeer positief dat nu eindelijk een akkoord over ouderschapsverlof is bereikt. De richtlijn is al sinds 1983 in de maak en daarom is het des te opmerkelijker dat de sociale partners nu een akkoord tot stand hebben weten te brengen. Zij zag dit als een goede stap in de richting naar een arbeidsbestel, waarin beroeps- en privéleven en het opvoeden van kinderen beter gecombineerd kunnen worden. Positief vond zij het ook dat, omdat ouderschapsverlof in principe niet overdraagbaar is, eveneens mannen worden gestimuleerd om dit verlof op te nemen.

Ten slotte pleitte zij ervoor nog twee punten toe te voegen aan de lijst met onderwerpen voor het openbare debat over de toekomst van de sociale bescherming, namelijk maatregelen die leiden tot een ontspannen arbeidsbestel en de situatie van de grensarbeiders.

De heer Van Hoof (VVD) vond dat de Europese Commissie zich niet bepaald heeft beperkt in het aandragen van aspecten die aan de orde zouden moeten komen in het openbare debat over de toekomst van de sociale bescherming. De Commissie heeft àlle denkbare aspecten naar voren gebracht, maar voor hem was het de vraag waar de legitimatie voor dit Europese debat eigenlijk ligt. De problemen voor de lidstaten mogen vergelijkbaar zijn, zoals in de geannoteerde agenda wordt gesteld, maar de landen, de sociale structuren en de volksaard zijn zeker niet vergelijkbaar. Hij vond het daarom veel te eenvoudig om te veronderstellen dat een brede Europese discussie op dit terrein tot zinvolle oplossingen zal leiden. Hij wilde zich niet tegen die discussie keren, maar het uitgangspunt dat sociale bescherming een bevoegdheid van de lidstaten is en moet blijven, wilde hij daarbij wel voorop blijven stellen. Gezien de opmerking in de geannoteerde agenda dat Nederland de gelegenheid verwelkomt om hierover met andere lidstaten van gedachten te kunnen wisselen, vroeg hij of ook de minister dit uitgangspunt onderschrijft. Hij vroeg dat te meer naar aanleiding van een artikel in het blad «Europa van morgen», waarin is aangegeven dat de minister op een recente bijeenkomst zou hebben gezegd dat het sociale beleid van land tot land wel kan verschillen, maar dat het ook wenselijk is om op Europees niveau tenminste een aantal gemeenschappelijke minimumnormen vast te leggen, de zogenaamde Europese sokkel. Voor hem was het de vraag wat Europa op dit punt echt kan toevoegen en wat Europa kan doen dat de lidstaten niet zèlf kunnen doen. Hij zou het in ieder geval betreuren als er op dit terrein allerlei Europese regelgeving, normen en eisen zouden komen.

In dit verband wees hij op de komende richtlijn over ouderschapsverlof. Daarover is op Europees niveau een akkoord bereikt door de sociale partners in het kader van de zogenaamde «sociale dialoog» als genoemd in artikel 3 van de Sociale Overeenkomst, maar daarbij zitten alleen de grote Europese werkgevers, de Europese vakbeweging en de Europese overheids- en staatsbedrijven om de tafel. Het midden- en kleinbedrijf dat ook op Europees niveau is georganiseerd, is daarbij niet toegelaten, zo blijkt uit een recent bericht in de Belgische pers. Verder zegt artikel 4 van de Sociale Overeenkomst dat de dialoog van de sociale partners kan leiden tot contractuele betrekkingen, met inbegrip van overeenkomsten, en dat deze vervolgens in de vorm van wetgeving krachtens een besluit van de Raad met gekwalificeerde meerderheid kunnen worden vastgesteld. Het komt er dus op neer, aldus de heer Van Hoof, dat een kleine groep organisaties een deal sluit die vervolgens vanwege de EU algemeen verbindend wordt opgelegd, zonder dat het economisch en sociaal comité of het Europees Parlement eraan te pas komen. Hij vond dat een verkeerde ontwikkeling en was daar zeer bezorgd over. Nederland zit trouwens helemaal niet te wachten op een Europese regeling van ouderschapsverlof, want in Nederland is er al een regeling op dit punt.

Ook over het vertrouwenspact voor de werkgelegenheid had hij een artikel in «Europa van morgen» aangetroffen, waaruit hij had begrepen dat de Europese Commissie meent dat er in het EU-verdrag een hoofdstuk over werkgelegenheid moet komen, om de burgers te winnen voor Europa. Hij betwijfelde zeer of de burger in Nederland vertrouwen in de EU krijgt als een artikel in het Verdrag over werkgelegenheid wordt opgenomen. Immers, wat voegt de EU toe op dit punt? Welke strategie kan de Unie bedenken die Nederland niet zou kunnen bedenken? De sociale partners zijn anno 1996 heel goed in staat om internationaal met elkaar samen te werken; daar hebben zij geen Unie of een hoofdstuk over werkgelegenheid in het Verdrag voor nodig. Hij had begrepen dat het o.a. de bedoeling is om te komen tot toezicht vanuit Europa op nationale meerjarenprogramma's voor de verbetering van de werkgelegenheid, maar hij zou niet weten waaraan de EU de bevoegdheid kan ontlenen om dat toezicht te gaan houden.

In een recente discussie in het Europees Parlement over dit onderwerp is door de meeste liberale leden afstand genomen van de gedachte dat de EU hierbij een rol zou moeten spelen, met als argument dat de EU hier geen middelen, geen bevoegdheden, geen taken en geen functie heeft. Het enige dat tot nu toe op dit vlak uit de bus is gekomen, is een aanpassing van artikel 100a van het Verdrag waardoor er ruimte komt voor staatsmonopolies op allerlei terreinen en dus afbreuk wordt gedaan aan mededinging en marktwerking. Dit is zeker niet de aangewezen weg om werkgelegenheid te bevorderen.

Verder had de heer Van Hoof nog eens de notitie van het ministerie van Buitenlandse Zaken over de strategie van de EU inzake werkgelegenheid nagelezen, maar de daarin genoemde middelen zijn allemaal al in Nederland bekend en worden ook in het algemeen toegepast. Volgens deze notitie is de toegevoegde waarde van de EU vooral gelegen in de uitwisseling van informatie en ervaringen, maar daarvoor is geen artikel in het Verdrag nodig. Daarnaast wordt in de notitie gezegd dat het gebruik van de structuurfondsen is verbeterd. Dat klopt niet met hetgeen in de geannoteerde agenda voor de komende Sociale Raad staat, maar afgezien daarvan gaat het bij de structuurfondsen om niet méér dan het rondpompen van geld, al worden er soms goede resultaten geboekt met behulp van deze fondsen.

Al met al vroeg de heer Van Hoof wat de Nederlandse inzet zal zijn op de komende IGC over de rol die de Unie zou moeten spelen bij de bevordering van de werkgelegenheid. Tot nu toe komen daar van diverse kanten uiteenlopende geluiden over, ook van de kant van verschillende ministers. Zelf voelde hij niets voor het toevoegen van een werkgelegenheidsartikel aan het Verdrag. Verdragsartikelen hebben nog nooit tot werkgelegenheid geleid. Voor bevordering van werkgelegenheid zijn andere dingen nodig, zoals gunstige economische randvoorwaarden creëren en doorgaan met lastenverlichting. Die lastenverlichting komt alleen maar in gevaar als er weer extra geld in de Unie zou moeten worden gestoken.

Ook mevrouw Van Rooy (CDA) pleitte ervoor dat voortaan de stukken eerder verschijnen, opdat met een behoorlijke voorbereiding op een goede manier in het nationale parlement over Europa kan worden gediscussieerd. Dergelijke discussies zijn van groot belang om het draagvlak voor Europa te behouden, want als Europa niet in de nationale parlementen leeft, komt het ook steeds verder van de burger af te staan. Het was haar bekend dat de agenda voor een EU-raad doorgaans pas op een laat moment binnenkomt, maar het hoeft daarna niet nog een aantal dagen te duren voordat de aantekeningen bij deze agenda zijn geplaatst, al is het maar omdat op ambtelijk niveau vaak al veel eerder bekend is welke punten op de agenda zullen worden geplaatst. Zij zou dan ook graag zien dat de Kamer voortaan twee weken voorafgaand aan de bespreking van een bijeenkomst van de Raad een notitie krijgt waarin de onderwerpen worden behandeld die naar verwachting op de agenda komen, en later alsnog de formele geannoteerde agenda ontvangt.

Zij vond het zinvol om in Europees verband van gedachten te wisselen over de toekomst van de sociale bescherming. Daarmee kunnen ervaringen worden uitgewisseld en kunnen vernieuwingen die in lidstaten worden doorgevoerd, met elkaar worden besproken. Europa is niet alleen het Europa van de regels, maar ook het Europa van de dialoog en juist door die dialoog kan worden voorkomen dat elke lidstaat voor zichzelf het wiel gaat uitvinden. Zij betreurde het wel dat in de geannoteerde agenda alleen de verschillende aspecten van sociale bescherming worden opgesomd. Welke richting de Europese Commissie bij die aspecten zou willen inslaan, wordt niet aangegeven, en over de Nederlandse inzichten wordt ook niet gesproken. Welke punten vindt de minister nu vooral van belang en wat zal zijn inzet bij het debat zijn? Zal in dit debat ook worden gesproken over de uitvoering van de sociale zekerheid, een punt dat nu in Nederland speelt?

De gang van zaken bij de richtlijn ouderschapsverlof geeft aan hoe nuttig op Europees niveau de dialoog tussen de sociale partners kan zijn. De al vele jaren bestaande blokkade op dit punt is nu opgeheven en er blijkt in Europa een draagvlak voor te zijn.

Verder vroeg mevrouw Van Rooy bij de richtlijn detachering, of daar inderdaad nog geen resultaten verwacht mogen worden. Waar gaat het om bij de genoemde uitzonderingen? Mag bijvoorbeeld bij CAO volledig worden afgeweken van de richtlijn, of alleen voor een bepaalde periode?

Zij was er voorstander van dat de sociale paragraaf voor alle EU-landen gaat gelden. Bij de huidige Britse regering zal dat waarschijnlijk niet mogelijk zijn, maar in de toekomst ontstaan er wellicht wel meer mogelijkheden op dit punt. Anderzijds betwijfelde ook zij of het werkelijk nodig en verstandig is om in het Verdrag gedetailleerde bepalingen op te nemen over werkgelegenheid, nu in artikel 2 van het Verdrag de werkgelegenheid al uitdrukkelijk wordt genoemd, als een basis voor het hele Verdrag. Hetgeen met de voorstellen over nadere bepalingen wordt beoogd, kan met de huidige tekst van het Verdrag ook worden bereikt, zo vond zij. Nadere bepalingen over werkgelegenheid zullen alleen maar de verwachting wekken dat er op Europees niveau daadwerkelijk iets gedaan kan worden aan de hoge werkloosheid, maar omdat die verwachting op korte termijn niet waargemaakt kan worden, is er het gevaar dat de burgers dan het vertrouwen in Europa verder zullen verliezen. Verder vond zij dat de sociaal-economische voorbereiding moet plaatsvinden in het comité voor de economische politiek, op dezelfde wijze als dat in Nederland in de CEC gebeurt. Het oprichten van twee verschillende comités leidt op Europees niveau alleen maar tot competentiekwesties.

Mevrouw Schimmel (D66) had begrepen dat op voorstel van Nederland, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk de financiële middelen voor het vierde actieprogramma gelijke kansen zijn gehalveerd. Zij vroeg waarom Nederland dat voorstel heeft gedaan.

De Europese economische en monetaire integratie moet, zo vond zij, hand in hand gaan met de ontwikkeling van de sociale dimensie. De burger heeft met uiterst belangrijke vragen te maken, namelijk of hij door die integratie zijn werk houdt of betere kansen op werk maakt, of de sociale rechten niet te veel in het geding komen en of het gemakkelijker wordt om elders in de Unie te gaan werken en daarna eventueel weer terug te keren naar Nederland, zonder allerlei breuken in de sociale zekerheidsregelingen op te lopen. Op dat soort punten moeten er voor de burgers zichtbare resultaten komen in de vorm van verbindende afspraken, dus niet alleen maar in de zin van vertrouwenspacten, handvesten, protocollen en openbare debatten, maar helaas zit daar nog niet zoveel schot in.

Zij was verheugd met de ontwikkelingen rond de richtlijn ouderschapsverlof die nu overigens niet door de politiek, maar door de sociale partners tot stand is gebracht. Dergelijke overeenkomsten tussen sociale partners worden niet automatisch algemeen verbindend, want de Sociale Overeenkomst geeft aan dat daar ook nog een besluit van de Raad, op voorstel van de Commissie, voor nodig is. De Raad moet dat besluit nemen met een gekwalificeerde meerderheid en in sommige gevallen zelfs met eenparigheid van stemmen. Verder was zij het niet eens met het argument dat er helemaal geen Europese regeling nodig is, omdat Nederland al een regeling voor ouderschapsverlof heeft. Juist een Europese regeling op dit soort punten stimuleert burgers om in andere EU-landen te gaan werken.

Onlangs heeft de minister in een lezing voor het EVV gezegd dat hij sociale grondrechten in het Verdrag zou willen opnemen. Aan welke sociale grondrechten denkt de minister daarbij? Gaat het alleen om de rechten waar de SER destijds over heeft geadviseerd, dus het verbod op dwangarbeid en op kinderarbeid, het recht op vakvereniging, het verbod op discriminatie in beroep en beroepsuitoefening en het recht op vrije onderhandeling? Zij vond het in het Verdrag opnemen van dit soort sociale grondrechten overigens belangrijker dan het opnemen van een toch altijd vrij algemeen geformuleerde werkgelegenheidsparagraaf, want in de praktijk hebben burgers meer houvast aan sociale grondrechten.

Helaas zit er nog weinig schot in de richtlijn detachering en geldt hetzelfde voor richtlijnen over gelijke behandeling van deeltijders, wederzijdse erkenning van diploma's en beroepskeuzes, vrij verkeer van werkgevers en werknemers in het MKB en het over de grenzen meenemen van pensioenrechten. Omdat richtlijnen nog ontbreken, wordt steeds vaker de rechter gevraagd om een uitspraak te doen, en zij vond dat een slechte zaak. Het «vrije verkeer» is in ieder geval in de praktijk nog helemaal niet zo vrij, vooral door de bureaucratie en door de uiteenlopende sociale zekerheids- en arbeidswetgeving in de diverse landen.

Antwoord van de bewindsman

De minister merkte op dat ook het ministerie pas kort voor een bijeenkomst van de Raad de beschikking krijgt over de agenda. Hij was daarom aangesproken door de suggestie om voortaan twee weken tevoren een notitie uit te brengen over de punten die naar verwachting op de agenda zullen staan, waarbij een overzicht van de stand van zaken wordt gegeven, en vervolgens, wanneer de agenda eenmaal bekend is, een tweede brief te sturen waarin per agendapunt de Nederlandse inzichten en de Nederlandse inzet op de komende Raad worden geschetst. Op die manier zal, zo verwachtte ook hij, de Kamer beter in staat zijn om het overleg over de agenda voor te bereiden, maar hij tekende wel aan dat er in de praktijk nog het nodige kan veranderen zolang de besprekingen in het Coreper niet zijn afgerond. Ook deze keer is dat het geval geweest.

In reactie op de opmerkingen over de richtlijn ouderschapsverlof wees hij er eerst op, dat gehandeld is volgens de procedure zoals die is voorzien in de Sociale Overeenkomst, behorende bij het Verdrag van Maastricht. De Kamer heeft daar indertijd, bij de behandeling van dit verdrag, geen bezwaar tegen gemaakt en heeft derhalve toen ingestemd met deze procedure, waarbij via een akkoord tussen sociale partners een richtlijn tot stand kan komen. Het is echter altijd aan de Raad om een besluit over een richtlijn te nemen, op voorstel van de Commissie, en op zichzelf is het dus voor een fractie in de Kamer mogelijk om de regering te verzoeken zich tegen een voorstel van de Commissie te keren. Overigens blijkt uit de geannoteerde agenda dat de regering de ontwerp-richtlijn over ouderschapsverlof toejuicht, mede omdat er, gezien het akkoord hierover van de sociale partners, nu een duidelijk draagvlak voor is.

Op zichzelf kan dan de vraag worden opgeworpen of de EU zich met een onderwerp als ouderschapsverlof bezig zou moeten houden. De bewindsman vond evenwel dat een zekere egalisatie van arbeidsvoorwaarden van belang is voor het beter laten functioneren van de interne markt en voor het bevorderen van het vrije verkeer van personen en daarin past zeker een regeling voor ouderschapsverlof. Bovendien is zo'n regeling gewenst uit een oogpunt van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en vanuit de Kamer is er tot nu toe steeds voor gepleit dat Nederland in EU-verband gelijke kansen voor mannen en vrouwen bevordert.

In dit verband beaamde hij dat het grotere Europese bedrijfsleven op Europees niveau beter is georganiseerd dan het midden- en kleinbedrijf. Ook de vakbeweging is op Europees niveau representatief georganiseerd. Hij had over dit onderwerp al een correspondentie gevoerd met de voorzitter van de Europese organisatie van het midden- en kleinbedrijf. In Nederland is daar inmiddels een goede oplossing voor gevonden, door de grote bundeling van organisaties in RCO-kader waardoor voor het Nederlandse MKB nu ook op Europees niveau representatie is ontstaan. Verder heeft de Europese Commissie het initiatief genomen om een aantal organisaties van het midden- en kleinbedrijf over het onderwerp ouderschapsverlof te consulteren. Dat neemt niet weg dat het midden- en kleinbedrijf op Europees niveau nog steeds meer gefragmenteerd is georganiseerd dan andere delen van het bedrijfsleven, maar het leek hem vooral een zaak van de betreffende organisaties zelf om daar verandering in te brengen.

Hij onderschreef van harte de opmerking dat Europa niet alleen het Europa van de regels moet zijn, maar ook het Europa van de dialoog waarbij van ervaringen en inzichten in andere landen kan worden geleerd. Als inderdaad zou gelden dat Nederland op dit terrein alles al zèlf bedacht heeft en geen behoefte heeft aan harmonisering in EU-verband, rijst direct de vraag waarom er dan nog geprobeerd zou moeten worden om op bijvoorbeeld monetair terrein tot nauwere samenwerking te komen, nu Nederland echt voor de dag mag komen met het monetaire beleid van de laatste vijftien à twintig jaar. Wel leek hem de vraag terecht wat de EU al dan niet zou moeten regelen en in dat verband verwees hij naar de stukken die verleden jaar aan de Kamer zijn gezonden over de inzet van de Nederlandse regering op sociaal terrein en haar reactie op het sociale actieprogramma. In die stukken is aangegeven dat de regering bij de regelgeving onderscheid maakt tussen enerzijds de «sociale sokkel», d.w.z. regels die erop gericht zijn om het vrije verkeer van werknemers zo goed mogelijk gestalte te geven en de bescherming van werknemers in het kader van het arbeidsomstandighedenbeleid zoveel mogelijk op een gelijk niveau te brengen, en anderzijds de overige aspecten van sociale bescherming, waarbij het gaat om de sociale zekerheid. Het loont zeker de moeite om na te gaan op welke punten tot een zekere convergentie van beleidsontwikkeling op het vlak van de sociale zekerheid kan worden gekomen, maar dit zal pas in een veel latere fase wellicht tot harmonisatie van regelgeving kunnen leiden. Harmonisatie van regelgeving op dat vlak is in ieder geval op dit moment niet de inzet van de Nederlandse regering en ook de Europese Commissie streeft daar niet naar.

Dit verklaart tevens waarom het document van de Commissie weinig richtinggevend is voor de discussie over de toekomst van de sociale bescherming. Het is vooral inventariserend van aard en poogt een basis te leggen voor een discussie die in het kader van een intergouvernementele coördinatie uiteindelijk ook tot meer beleidsconvergentie zou kunnen leiden. De inzet vanwege Nederland in deze discussie zal in het bijzonder gericht zijn op de vraag, op welke punten sociale investeringen ook een economische meerwaarde met zich brengen. Daarbij kan worden gedacht aan investeringen in arbeidsomstandigheden, maar ook aan bijvoorbeeld investeringen in de sociale zekerheid voor de mobiele werknemer, zoals het voorkomen van pensioenbreuken. Daarnaast is het de bedoeling in de discussie op tafel te krijgen waar een te hoog niveau van kosten (die vervolgens weer drukken op de factor arbeid) een hinderpaal in economische concurrentie vormt. Zelf vond de minister dat de arbeidskosten in Nederland, zeker de bruto arbeidskosten, te hoog zijn, resp. te zwaar drukken op de factor arbeid. In Europees verband leven hier bepaalde gedachten over, o.a. neergelegd in het witboek-Delors, die hem zeer de moeite waard leken en die ook op Europees niveau besproken dienen te worden. Dat laatste geldt zeker in het geval ervoor wordt gekozen om het BTW-instrument hierbij in te zetten, alleen al omdat in verband met de harmonisatie van de bandbreedte voor het BTW-beleid aan de EU concrete bevoegdheden zijn toegekend.

Ten aanzien van de richtlijn detachering heeft het Italiaanse Voorzitterschap een serieuze poging gedaan om de zaak vlot te trekken en de aarzeling van enkele landen zodanig te overwinnen dat in ieder geval een gekwalificeerde meerderheid in de Raad wordt gehaald. De minister had de indruk dat die situatie nog niet geheel is bereikt. Zo huldigen België en Luxemburg, zo had hij begrepen, nog steeds het standpunt dat vanaf het eerste moment van detachering de regels van het ontvangende land dienen te gelden. Nederland is van oordeel dat er in ieder geval voorzien zou moeten worden in een nul-optie, maar dat daarnaast uitzonderingen op enkele punten, teneinde het voor uitzendende landen aantrekkelijker te maken, wel het overwegen waard zijn, als dat echt nodig zou zijn om tot een richtlijn te komen. Hij hechtte sterk aan totstandkoming van een richtlijn, als onderdeel van een wetgevingsnetwerk in Europees verband om de sociale dimensie meer gewicht te geven.

De nu voorgestelde uitzondering voor montage- en installatiewerkzaamheden was hij bereid te aanvaarden, mits deze alleen betrekking heeft op kortdurende werkzaamheden, tot maximaal een week of twee, zoals bijvoorbeeld het geval is bij het opbouwen van stellages voor popconcerten. Hij voelde er niets voor als deze uitzondering breder gaat gelden, want dat geeft het gevaar dat men zich op grote schaal gaat onttrekken aan de regels van het gastland. Het voorstel van het Voorzitterschap om bij CAO afwijkingen mogelijk te maken, heeft alleen betrekking op een periode van maximaal één maand ten aanzien van het minimumloon. Hij vond dat wel acceptabel, zolang het inderdaad maar bij CAO wordt geregeld, want dan zijn de sociale partners er zelf bij.

Al met al was hij voornemens zijn instemming met een richtlijn detachering vooral te laten afhangen van de inhoud ervan. Hij sloot niet uit dat een aanvaardbaar compromis kan worden bereikt.

Inderdaad is de budgettaire ruimte voor het vierde actieprogramma gelijke kansen gehalveerd, maar dat lag zeker niet aan de Nederlandse inzet. Die inzet was om de uitgaven voor dit programma in de komende vijf jaar op hetzelfde niveau als de afgelopen jaren te handhaven. Duitsland wilde echter niets anders dan een halvering, ook tegen de achtergrond van het in dat land lopende debat over het subsidiariteitsbeginsel, niet alleen in relatie met de EU, maar ook in relatie met de Duitse Länder. De bewindsman had tijdens het debat in de Raad nog een tussenvoorstel gedaan, maar ook dat verwierf niet voldoende steun, en uiteindelijk is helaas besloten om niet meer dan 30 mln. ecu voor de komende vijf jaar uit te trekken.

Bij de sociale grondrechten gaat het om de vier fundamentele werknemersrechten die ook in de slotverklaring van de Sociale Top te Kopenhagen zijn genoemd: recht op vakbondsvrijheid en collectief onderhandelen, verbod op dwangarbeid, verbod op kinderarbeid en verbod op discriminatie in beroep en beroepsuitoefening. Nederland zou graag zien dat een verwijzing naar deze sociale grondrechten in het Verdrag wordt opgenomen en ook in het onlangs overeengekomen Benelux-memorandum is deze inzet vermeld.

Vanwege Nederland wordt er al enige tijd naar gestreefd om de behandeling van het werkgelegenheidsvraagstuk op Europees niveau parallel te laten lopen aan de discussie en de besluitvorming over de EMU en de daarover in het Verdrag voorgeschreven richtsnoeren voor het financieel-economisch beleid. Nederland acht dit nodig omdat deze richtsnoeren tot nu toe toch overwegend een monetair-economisch karakter hebben, hetgeen overigens niet verwonderlijk is gezien de criteria die in het Verdrag van Maastricht zijn genoemd. In het Verdrag zelf is echter ook de doelstelling van een bevredigend niveau van werkgelegenheid opgenomen, en wel op een zodanige manier dat alles dat daarop volgt in het Verdrag, daar mede aan ten dienste moet zijn. Wel ontbreekt in het Verdrag een mechanisme dat er in de praktijk voor zorgt dat wordt getoetst hoe de wel specifiek genoemde monetair-economisch beleidscriteria uitwerken op de werkgelegenheid. Met het oog hierop heeft Nederland zich al geruime tijd ingespannen, in eerste instantie via het kanaal van de Sociale Raad, om het concept van indicatoren op het terrein van werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid ingang te doen vinden. Deze indicatoren kunnen dan in de toekomst de basis vormen om de parallelle beleidsontwikkeling in beeld te brengen. Daarbij wordt gedacht aan indicatoren die een beeld geven van zaken als de ontwikkeling van de omvang en de kwaliteit van de werkgelegenheid, de participatiegraad – ook in deelname van mannen en vrouwen gemeten – op de arbeidsmarkt, de uitgaven voor beroepsopleidingen, de soort van investeringen in beroepsopleidingen, e.d. Aan de hand daarvan kan dan worden beoordeeld in hoeverre het convergerende beleid op economisch en monetair terrein uiteindelijk ook ten dienste staat aan het totstandbrengen van een bevredigend niveau van werkgelegenheid, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht. Voorkomen moet immers worden dat jaarlijks alleen wordt geconstateerd dat het goed gaat met de rente, de inflatie, het begrotingstekort en de staatsschuld en dat niet wordt gesproken over de vraag waar dit eigenlijk allemaal voor bedoeld is.

Hij onderkende in dit verband het grote belang van het witboek-Delors, maar in vervolg daarop is in feite nog geen enkele concrete afspraak gemaakt over de beleidscoördinatie tussen de lidstaten en de rol van de Europese Commissie op het punt van de werkgelegenheid. Weliswaar zijn nu in Essen afspraken gemaakt over een jaarlijks op te stellen syntheserapport, maar verder is er geen zekerheid dat dit onderwerp ook een eigen invulling krijgt en de arbeidsmarktcomponent naast de monetair-economische criteria een veel volwaardiger plaats krijgt. Op zichzelf biedt het Verdrag al wel voldoende aanknopingspunten om een discussie over werkgelegenheid te voeren, maar nog geen mechanisme om te waarborgen dat de beleidscoördinatie op dit punt voortdurend deel uitmaakt van de beleidsdiscussie en de besluitvorming in EU-verband. In antwoord op de vraag hoe dit dan te bereiken valt, verwees de bewindsman naar de voorstellen hierover in het Benelux-memorandum: de inzet vanwege Nederland, België en Luxemburg op de IGC.

Uit een en ander zal duidelijk zijn, zo veronderstelde hij, dat de multilaterale surveillance vanuit de invalshoek van het sociale beleid nog in ontwikkeling is. Dat is mede een gevolg van de onevenwichtigheid die als gevolg van de EMU-paragraaf is binnengeslopen in de voorbereiding van raden. Hij vond dat er op dit moment alle aanleiding voor is om een apart arbeidsmarktcomité te verkiezen boven één comité dat zowel de monetair-economische als de sociaal-economische voorbereiding verzorgt. De Ecofin-raad heeft sinds de totstandkoming van de EMU-paragraaf duidelijk aan status en positie gewonnen en de opdracht om deze paragraaf tot uitvoering te brengen, heeft ook geleid tot een eigen dynamiek. Daarbij wordt wel aandacht besteed aan werkgelegenheid, maar uitsluitend vanuit een macro-invalshoek. Er is ook aandacht nodig voor de arbeidsmarkt-kant en het bij elkaar brengen van vraag en aanbod, opdat de uitkomsten van de Sociale Raad met die van de Ecofin-raad gebundeld kunnen worden in het jaarlijkse syntheserapport ten behoeve van de Europese Raad. Daar zal in de praktijk van de institutionele mechanismen en procedures echter niet veel van terecht komen als een en ander volledig een zaak van het comité voor de economische politiek blijft.

Discussie in tweede termijn

Mevrouw Adelmund (PvdA) onderschreef het antwoord op het kernpunt van haar inbreng uit de eerste termijn, namelijk dat er nu wel coördinatie is op monetair-economisch terrein, maar niet op het vlak van de werkgelegenheid. Zij vond het jammer dat in de discussie vaak de economische dimensie tegenover de sociale dimensie wordt gesteld, terwijl beide dimensies in de praktijk juist elkaar nodig hebben.

De heer Van Hoof (VVD) merkte op dat het bij het monetair-economische beleid van de EU niet zozeer gaat om nieuwe regelgeving vanwege de EU, maar om het creëren van randvoorwaarden voor een goede economische ontwikkeling. Op die manier kan ook een zo hoog mogelijk peil van werkgelegenheid worden bevorderd, waarbij werkgelegenheid inderdaad een afgeleide van de economische ontwikkeling is. In bijeenkomsten met parlementariërs uit andere lidstaten wordt de discussie over werkgelegenheid vaak verengd tot de vraag hoe zoveel mogelijk geld uit de Europese pot kan worden verkregen, maar die pot moet dan wel eerst gevuld worden. Voor hem bleef het de grote vraag wat de meerwaarde van de EU is op het punt van bevordering van de werkgelegenheid. Hij had geen bezwaar tegen een faciliërende, dienende rol van de EU in dit opzicht, maar hij voelde niets voor allerlei regelgeving en verplichtende maatregelen vanwege de EU onder het mom van bevordering van werkgelegenheid, als die regels en maatregelen niet echt nodig zijn.

Verder ging hij ervan uit dat bij discussies over het monetair-economische beleid van de EU ook aandacht wordt gegeven aan de werkgelegenheid. Hij kon zich in ieder geval niet voorstellen dat die aandacht er niet zou zijn. Daarom leek het ook hem niet nodig om het Verdrag op dit punt aan te vullen.

Mevrouw Van Rooy (CDA) was nog niet overtuigd van het nut van een apart arbeidsmarktcomité, alleen al omdat dit weer een verdere verkokering in de EU geeft en voor het comité voor de economische politiek en de Ecofin-raad alleen maar een extra aanleiding zal zijn om zich uitsluitend te richten op het financieel-economische kader. Weliswaar vindt dan integratie plaats op het niveau van de Europese Raad, maar dat leek haar veel te beperkt. Zij pleitte er daarom toch voor ernaar te streven dat de integratie van de monetair-economische en de sociaal-economische politiek plaatsvindt in het comité voor de economische politiek, evenals dat in Nederland in de CEC gebeurt.

Verder stelde zij met instemming vast dat de minister in de beantwoording duidelijk heeft gemaakt dat de dialoog van de sociale partners (die wellicht beter kan worden georganiseerd, zo heeft ook hij gesteld) moet worden onderscheiden van de besluitvorming door de Raad, waar overigens ook het Europees Parlement bij betrokken is. Die besluitvorming is zeker geen automatisme.

Mevrouw Schimmel (D66) zag de afspraken van Essen om meerjarenprogramma's aan te bieden, als een aanzet om de vraag wat de economische en monetaire integratie betekent voor het werk van mensen en hun kansen op werk, duidelijk in beeld te brengen. Zij vond dat de gevolgen van de EMU voor de werkgelegenheid bekend moeten zijn, niet alleen wat betreft de omvang van de werkgelegenheid, maar ook waar het gaat om de kwaliteit, de participatie en de beroepsopleidingen. Vervolgens rijst natuurlijk de vraag wat er met dat inzicht wordt gedaan. Komen er dan bijvoorbeeld Europese Melkert-banen, of wordt er op Europees niveau gemeenschappelijk actie ondernomen als blijkt dat de EMU juist schade toebrengt aan bijvoorbeeld de omvang van de werkgelegenheid, al is dat wellicht maar tijdelijk?

De minister wees erop dat de EU als zodanig er niet voor is om zelf banen te gaan scheppen. Wel dient de EU zich ervoor in te spannen dat de condities waaronder de sociaal-economische ordening gestalte krijgt, ook tot positieve werkgelegenheidseffecten leiden. Ook kunnen uit de beleidscoördinatie lessen worden getrokken die vervolgens door de nationale lidstaten in hun beleid kunnen worden verwerkt. Daarnaast kan een overeenstemming die in EU-kader wordt bereikt tussen de lidstaten, bijvoorbeeld op het zeer belangrijke punt van de ontwikkeling van de lasten op arbeid in relatie tot de BTW, in de praktijk een grote uitstraling hebben op het beleid van de lidstaten. Dan ontstaat er een perspectief voor gemeenschappelijke actie, maar de consequenties daarvan moeten vervolgens inderdaad op nationaal niveau worden genomen. Anderzijds voelde de bewindsman zich niet geremd om andere lidstaten te informeren over bijvoorbeeld de manier waarop in Nederland in bepaalde sectoren 40 000 banen worden geschapen, evenals hij met belangstelling bijvoorbeeld de ontwikkelingen in België op dit punt volgde. Al met al neemt een verantwoordelijkheid van de EU in dezen de verantwoordelijkheid van de nationale lidstaten niet weg; de verantwoordelijkheid van de EU is hier complementair van aard.

Ten aanzien van de richtlijn ouderschapsverlof merkte hij aanvullend nog op dat daarin is voorzien in een specifieke regeling voor kleine ondernemingen. Verder moet uiteraard geluisterd worden naar de inbreng vanwege het midden- en kleinbedrijf, maar uiteindelijk moet een algemene afweging worden gemaakt van alle relevante belangen en daarbij zal niet iedereen staan te juichen.

De weergave door de heer Van Hoof van contacten met parlementariërs uit andere lidstaten vond de minister nogal karikaturaal. Toen hij parlementariër was, had hij in ieder geval andere ervaringen opgedaan, al is het in de politiek zeker niet ongebruikelijk om ook te letten op de vraag hoeveel geld er op tafel kan komen.

Aangesproken was hij door de benadering van mevrouw Adelmund: proberen een brug te slaan tussen de sociale en de economische dimensie. Inderdaad kunnen sociale investeringen in het algemeen een economische meerwaarde hebben, niet alleen tussen de lidstaten van de EU, maar ook in de concurrentie van Europa met de Verenigde Staten en het Zuid-oost Aziatische gebied. Bij de discussies daarover mag de arbeidsmarktcomponent niet ontbreken en hoe goed het comité voor de economische politiek op zichzelf ook functioneert, dit comité houdt zich toch vooral bezig met het invullen van de opdracht die uit de EMU-paragraaf in het Verdrag van Maastricht voortvloeit en deze opdracht is uiteraard gerelateerd aan de economisch-monetaire criteria, in het bijzonder de reductie van de staatsschuld. Die criteria vond ook de minister belangrijk, maar hij wilde werkgelegenheid niet louter als een afgeleide daarvan zien en vond dat op dit punt tot een betere balans moet worden gekomen. Die lijn is inmiddels ook neergelegd in het Benelux-memorandum voor de IGC.

De voorzitter van de commissie,

De Jong

De griffier van de commissie,

Pe


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, De Jong (CDA), voorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Boogaard (groep-Nijpels), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD) en Van Blerck-Woerdman (VVD)

Plv. leden: Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Esselink (CDA), Sterk (PvdA), Terpstra (CDA), Van Rooy (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), Wolters (CDA), Dijksma (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Apostolou (PvdA), Ten Hoopen (CDA), Van Boxtel (D66), J. M. de Vries (VVD), B. M. de Vries (VVD), Leerkes (Unie 55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD), Hoogervorst (VVD)

Naar boven