Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 21501-18 nr. 51 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 21501-18 nr. 51 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 19 maart 1996
Bijgaand doe ik u toekomen de geannoteerde agenda voor de eerstvolgende Sociale Raad, die zal plaatsvinden op 29 maart a.s. te Brussel. Tevens treft u aan het antwoord op uw vragen over het werkprogramma van de Europese Commissie, die de vaste commissie voor SZW mij eerder deed toekomen bij brief d.d. 24 januari 1996 (zie bijlage).
AGENDA VAN DE SOCIALE RAAD VAN 29 MAART 1996
1. De toekomst van de sociale bescherming (openbaar debat)
De Europese Commissie heeft enige tijd geleden een mededeling gepubliceerd over de toekomst van de sociale bescherming. Het is haar bedoeling over dit onderwerp een breed debat te laten beginnen, dat in diverse gremia zal plaatsvinden. Over de resultaten van dit debat zal de Commissie eind van dit jaar verslag uitbrengen.
De mededeling vraagt aandacht voor verschillende aspecten van sociale bescherming, namelijk:
– sociale bescherming en werkgelegenheid
– de financiering van de sociale bescherming
– de impact van demografische aspecten op sociale bescherming
– gezondheidszorg-management
– coördinatie van sociale bescherming in relatie tot migratie binnen de EU
– vrijheid van het aanbieden van diensten op dit gebied
– lange termijnvisie op sociale bescherming.
Uitgangspunt van de Commissie is, dat sociale bescherming bevoegdheid van de lidstaten is en moet blijven. Niet ontkend kan echter worden dat de problemen en uitdagingen voor de lidstaten sterk vergelijkbaar zijn. Zo is de vraag hoe sociale beschermingssystemen efficiënter kunnen worden ingezet bij de werkloosheidsbestrijding zeker van groter dan nationaal belang.
Nederland verwelkomt dan ook de gelegenheid om hierover met andere lidstaten van gedachten te kunnen wisselen tijdens het openbaar debat.
2. Richtlijn ouderschapsverlof
Dit onderwerp staat reeds geruime tijd op de Europese agenda. Eerdere pogingen om over dit onderwerp tot besluitvorming te komen (laatstelijk in september 1994) strandden op een blokkade van het VK. Toen kon geen overeenstemming worden bereikt over een voor de overige lid-staten (ook voor Nederland) acceptabele tekst.
Het onderwerp is vervolgens – krachtens de daarvoor voorziene procedure onder de Sociale Overeenkomst – voorgelegd aan sociale partners. Deze slaagden er in december 1995 in een akkoord tot stand te brengen (korte samenvatting was bijgevoegd bij geannoteerde agenda van de Sociale Raad van 5 december 1995). Inhoudelijk vertoont dit akkoord een grote gelijkenis met de tekst van de richtlijn die in september 1994 voor (toen nog) elf lidstaten acceptabel was.
Naar het zich laat aanzien zal de Raad – in casu de veertien lidstaten die partij zijn bij de Sociale Overeenkomst van het verdrag van Maastricht – nu dit akkoord inzake het ouderschapsverlof in een bindende richtlijn kunnen omzetten. Het akkoord van sociale partners blijft daarbij intact.
Het Italiaanse voorzitterschap doet een poging dit reeds lang lopende dossier af te ronden. Hangpunten blijven het toepassingsgebied en de drempelperiode. Om besluitvorming te bereiken is (opnieuw) een voorzitterschapscompromis geformuleerd, waarin de nul-optie voor de drempel als uitgangspunt wordt genomen. Dit betekent dat in beginsel de regelingen in het werkland voor vakantie en minimumloon vanaf de eerste dag op een gedetacheerde werknemer van toepassing zijn. Nederland is hiervan steeds een voorstander geweest. Dit uitgangspunt is derhalve voor Nederland acceptabel.
Om de lidstaten die van mening zijn dat een drempel noodzakelijk is over de brug te krijgen, heeft het voorzitterschap een aantal uitzonderingen voorgesteld. Deze uitzonderingen hebben enerzijds betrekking op bepaalde werkzaamheden (kortdurende montage- en installatiewerkzaamheden); anderzijds zien ze op de mogelijkheid tot afwijking bij cao en via een administratieve procedure door de lidstaten. Voor de bouwsector zijn de uitzonderingen niet van toepassing. Ten aanzien van deze uitzonderingen ten opzichte van de nul-optie is de discussie nog volop gaande.
Nederland is op zichzelf geen voorstander van uitzonderingen, maar hecht ook veel belang aan totstandkoming van de richtlijn. Veel wijst er overigens op dat de bestaande meningsverschillen met het compromis lang niet allemaal zijn opgelost, zodat besluitvorming onzeker blijft.
Bij dit agendapunt zal aan verschillende aspecten aandacht worden besteed.
Het voorzitterschap zal verslag uitbrengen van de voortgang die wordt geboekt met betrekking tot de tussenrapportage door de Sociale Raad aan de Europese Raad te Florence. Hiervoor is de ad-hocgroep van persoonlijke vertegenwoordigers voorbereidingen aan het treffen.
Van Commissiezijde zal daarnaast en in relatie daarmee informatie worden verstrekt over het door Commissie-voorzitter Santer onlangs gepresenteerde vertrouwenspact voor de werkgelegenheid. Een belangrijk element hiervan is een grotere betrokkenheid van sociale partners bij de Europese werkgelegenheidsdiscussie. Het pact zal formeel moeten worden beklonken tijdens een ronde tafelconferentie in het late voorjaar.
Ook zal de Commissie een mededeling presenteren over de samenhang tussen structuurbeleid en werkgelegenheid. De mededeling gaat in op de wijze waarop de Europese structuurfondsen beter ingezet kunnen worden voor de werkgelegenheid.
5. Mededeling van de Commissie inzake de voorlichting en de raadpleging van werknemers
Deze mededeling zal worden gepresenteerd. De Commissie beoogt met deze mededeling opties te inventariseren waarmee verschillende al lang stagnerende dossiers (zoals het Statuut voor de Europese Vennootschap, de Europese Vereniging, de Europese coöperatieve vennootschap, de zgn. vijfde richtlijn in verband met het vennootschapsrecht) vlot te trekken zouden zijn. De stagnatie wordt vooral veroorzaakt door de voorstellen tot vormgeving van de consultatie- en informatie van werknemers.
De Commissie bespreekt dit onderwerp ook met sociale partners op Europees niveau.
De in de mededeling voorgelegde opties zijn de volgende:
– het voortgaan op de huidige weg (dus steeds apart de informatie en consultatie-problematiek aanpakken);
– een globale aanpak (dus één globaal instrument in plaats van specifieke regelgeving voor elk juridisch lichaam);
– een combinatie van beide.
Doel van de mededeling is het uitlokken van een gedachtenwisseling.
Nederland is steeds voorstander geweest van het blijven verbinden van de medezeggenschapsproblematiek met de besluitvorming op de verschillende dossiers.
Onder diversen zal de Commissie aandacht vragen voor de achterstand in de uitvoering van de begroting van het ESF. Bij alle lidstaten blijkt onderuitputting op te treden. De Commissie vraagt de lidstaten hier alert op te zijn.
De achterstand in de lidstaten is deels het gevolg van de vertraging van een jaar die bij aanvang is opgelopen door het late moment van goedkeuring van de programma's door de Europese Commissie.
Vragen naar aanleiding van het werkprogramma van de Europese Commissie, gesteld door de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
1. In haar jaarlijkse werkprogramma geeft de Europese Commissie een overzicht van de door haar voorziene activiteiten. Een groot aantal van de in het werkprogramma van de Commisie aangekondigde acties op sociaal terrein is reeds aangekondigd in het Sociaal Actieprogramma van de Europese Commissie, dat vorig jaar is verschenen en dat jaarlijks – naar verwachting eind mei van dit jaar voor de eerste maal – door de Commissie zal worden geactualiseerd. Dit werkprogramma loopt daarop in sommige opzichten dus vooruit.
Voor de grote lijnen van de beoordeling van het sociaal beleid in Europa is uiteraard nog steeds het kabinetsstandpunt inzake Europees sociaal beleid, dat ik u toezond bij brief van 25 november 1994, maatgevend: (21 508–18, nr. 37).
In antwoord op de vraag naar de mate waarin de aangekondigde actieplannen a priori voldoen aan het subsidiariteitsprincipe kan ik in zijn algemeenheid zeggen dat het, alleen op grond van het aangeven van een onderwerp door de Europese Commissie, niet goed mogelijk is aan te geven welke de relatie is tot het subsidiariteitsbeginsel. Een zinnig oordeel daarover is pas mogelijk op het moment dat er concrete teksten voorliggen en er meer inzicht bestaat in de wijze waarop de Commissie invulling aan haar voornemens wil geven. Dit inzicht heeft dan zowel betrekking op de vorm (de aard van het instrument) als op de inhoud van een voorstel.
Ten aanzien van de concrete onderwerpen van het actieprogramma zij het volgende opgemerkt.
a. Net als in het actieprogramma hebben de in het werkprogramma opgesomde activiteiten van de Commissie deels betrekking op activiteiten in «eigen huis», dat wil zeggen verslagen, overleggen en consultaties, die voortvloeien uit eerder aangegane verplichtingen op grond van door de Raad tot stand gebrachte regelgeving of het Verdrag als zodanig. In deze categorie horen bijvoorbeeld:
– het jaarlijkse verslag over de werkgelegenheid, dat zal worden gecombineerd met het verslag over de werkgelegenheid in Europa;
– het verslag over de tenuitvoerlegging van doelstelling 4 (ESF);
– de activiteiten van de (zeer recent ingestelde) ad hoc groep «vrij verkeer van personen»;
– het verslag van het Comité van Wijzen over het Sociaal Handvest en het Europese Forum inzake de sociale politiek;
– de risico-evaluatie op specifieke gebieden in verband met de veiligheid en gezondheid van personen;
– het verslag van de Commissie over billijk loon;
– de consultatie van sociale partners over deeltijdwerk;
– de consultatie van sociale partners over voorlichting en raadpleging van werknemers;
– de consultatie van sociale partners over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van werknemers;
– de consultatie van sociale partners over de bescherming van de waardigheid op het werk;
– de consultatie van sociale partners over individueel ontslag.
Deze activiteiten behoeven geen goedkeuring of inmenging van de Raad. Behalve in het geval de Commissie van extreme voornemens blijk geeft, acht ik het dan ook weinig zinvol een inhoudelijk oordeel daarover te geven vóór een eventuele follow-up een standpunt rechtvaardigt. Op dat moment zal ook een grotere beschikbaarheid van informatie dan alleen de aankondiging van een activiteit het geven van een oordeel vergemakkelijken.
Ten aanzien van de overige onderwerpen kan een onderscheid gemaakt worden tussen concrete initiatieven en het opstarten van discussies.
b. Met betrekking tot het laatste ben ik van mening dat het debat ook in Europa over geen enkel onderwerp behoeft te worden geschuwd. Zo beoordeel ik ook het debat over de toekomst van de sociale bescherming, dat naar aanleiding van de recent gepubliceerde Commissiemededeling terzake nu wordt gevoerd. Hierbij staat overigens voor alle partijen voorop dat het terrein van de sociale bescherming bij uitstek tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort. Zowel tussen de lidstaten onderling als tussen lidstaten en Commissie is uitwisseling van ervaringen en standpunten desalniettemin wenselijk, zowel op ambtelijk als op politiek niveau. Wij kunnen niet verder werken aan Europa zonder elkaar op de hoogte te brengen van de ontwikkelingen en problemen in eigen kring. Dit is noodzakelijk voor het wederzijds begrip, het is noodzakelijk dat we van elkaars fouten en successen leren en en het is ook noodzakelijk om waar nodig en wenselijk (maar allen dan) tot gemeenschappelijke oplossingen te komen.
Het is ook in het geval van een brede en openhartige discussie van belang, dat niet bij voorbaat naar gemeenschappelijke oplossingen wordt gestreefd. Het is aan de participanten – en Nederland wil die rol zeker graag vervullen – ook daarin toe te zien op naleving van het subsidiariteitsbeginsel. Indien de conclusie luidt dat gemeenschappelijke oplossingen wenselijk zijn, zal bovendien op grond van het concrete voorstel worden bezien of het subsidiariteitsbeginsel al dan niet geweld wordt aangedaan.
c. Met betrekking tot de concrete initiatieven in het werkprogramma valt een onderscheid aan te brengen tussen datgene wat reeds in gang is gezet en plannen voor de rest van het jaar.
In de Raad is reeds gestart de discussie over de verzoening van arbeids- en gezinsleven (ouderschapsverlof) en het evenwicht tussen mannen en vrouwen in het besluitvormingsproces.
De ontwerprichtlijn inzake ouderschapsverlof bevat het resultaat van het overleg wat tussen sociale partners is gevoerd over dit onderwerp, nl een akkoord inzake ouderschapsverlof. Dit resultaat sluit nauw aan bij een tekst die in 1994 door het VK werd geblokkeerd, waar Nederland mee kon instemmen. De subsidiariteitsvraag ten aanzien van dit voorstel is destijds dan ook reeds positief beantwoord.
Ten aanzien van de aanbeveling inzake evenwichtige deelname van mannen en vrouwen in het besluitvormingsproces is Nederland van mening dat hier – mede gezien het subsidiariteitsbeginsel – geen sprake moet zijn van verplichtingen aan de lidstaten. Uitwisseling van informatie en een coördinerende en evaluerende rol van de Commissie kunnen uiteraard wel een goede stimulans zijn voor hetgeen ook in Nederland wordt nagestreefd met betrekking tot dit onderwerp.
Ten aanzien van de onderwerpen die in het kader van de aanstaande Sociale Raad worden besproken verwijs ik voorts naar de geannoteerde agenda die u hierbij tevens aantreft.
Voor de Nederlandse positie ten aanzien van de andere (reeds langer) in behandeling zijnde dossiers verwijs ik graag naar de periodieke voortgangsrapportage over de sociale dimensie van Europa, die separaat zal worden toegezonden.
d. De overige in het werkprogramma aangekondigde initiatieven zijn op dit moment nog niet bij de Raad ontvangen. Ten aanzien van deze initiatieven geldt dat de gedachtenvorming zowel over de inhoud als over de vormgeving binnen de Commissie nog moet worden afgerond. Het zou dan ook te ver voeren daarover nu reeds een oordeel te vellen. Dit zal op basis van de concrete voorstellen worden gevormd.
Wel kan ik in zijn algemeenheid ten aanzien van de dossiers van de Sociale Raad het volgende opmerken.
Bestrijding van werkloosheid en de inzet voor gelijke kansen verdienen prioriteit. Deze prioriteitsstelling is door de Europese Raad reeds diverse malen benadrukt. Deze prioritering zal ook zijn weerklank (moeten) vinden in de voornemens van de Commissie en zal dezerzijds – naast de algemene gedragslijn neergelegd in het boven aangehaalde kabinetsstandpunt – mede bepalend zijn voor het eindoordeel over de concrete dossiers.
4. Vergelijking met nationale wetgeving
De bepalingen van het akkoord inzake ouderschapsverlof sporen geheel met de voorstellen ten aanzien van de wijziging van de Wet op het ouderschapsverlof, zoals aangekondigd in de nota Arbeid en Zorg.
Voor het overige zijn er op dit moment geen voorstellen voor maatregelen op nationaal niveau die onderwerp van discussie zijn in de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid die overlap vertonen met de voorstellen die op Europees niveau in voorbereiding zijn.
Volledigheidshalve zij hier verwezen naar de discussie over deeltijd. De discussie over mogelijke Europese initiatieven op het gebied van deeltijd wordt op Europees niveau op dit moment gevoerd in het kader van de sociale dialoog en dus alleen door sociale partners. In hoeverre hier parallellie dan wel afwijking ten opzichte van de op dit moment in Nederland gevoerde discussie optreedt is niet bekend.
Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
's-Gravenhage, 24 januari 1996
Namens de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid moge ik U verzoeken op de navolgende vragen ten aanzien van die onderdelen van het werkprogramma voor 1996 van de Europese Commissie, welke U regarderen, in te gaan. In de eerste plaats moge ik U verzoeken uiteen te zetten in hoeverre de aangekondigde actieplannen a priori voldoen aan het principe van subsidiariteit. Voorts verzoekt de commissie U een vergelijking te maken tussen de voorgestelde acties en de wettelijke maatregelen die thans op nationaal niveau in voorbereiding zijn dan wel onderwerp van discussie zijn binnen de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ten slotte verneemt de commissie gaarne Uw standpunt met betrekking tot specifiek voorgestelde acties.
De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Pe
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-51.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.