nr. 48
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 13 oktober 1995
Bijgaand doe ik u toekomen het verslag van de vergadering van
de Sociale Raad van 5 oktober jl. in Luxemburg.
De teksten van de in het verslag vermelde resoluties zullen u worden toegezonden
zodra ze in definitieve vorm beschikbaar zijn.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. P. W. Melkert
Verslag van de Sociale Raad van 5 oktober 1995
1. Algemeen
De Raad stond vooral in het teken van de gelijke behandeling. Het Spaanse
voorzitterschap heeft op deze wijze het belang van de Wereldvrouwenconferentie
van Peking willen onderstrepen. Daaraan, en aan het nieuwe actieprogramma
inzake gelijke kansen voor vrouwen en mannen, is de meeste tijd besteed.
Besluitvorming vond plaats over twee initiatieven van het voorzitterschap.
Het aanvankelijk geagendeerde onderwerp «acties ten behoeve van Ouderen»
is wegens het voortduren van de patstelling enkele dagen voor de raad van
de agenda geschrapt. De volgende Raad onder Spaans voorzitterschap zal meer
in het teken van de werkgelegenheid staan.
2. Vierde wereldvrouwenconferentie van Peking
In het openbaar debat dat over dit onderwerp werd gevoerd werd nabeschouwd
over Peking en gerapporteerd over de nationale follow-up daarvan. Alle lidstaten
alsmede Commissaris Flynn toonden zich tevreden over de uitkomsten van Peking.
De meeste delegaties waren tevreden over de acceptatie van de gedachte van
«mainstreaming». Dit zou ook voor activiteiten binnen de Europese
Unie het leidende beginsel moeten zijn. Van Nederlandse zijde is blijvende
aandacht gevraagd voor de sociaal-economische positie van vrouwen. Deze is
in Peking noodgedwongen wat onderbelicht gebleven, maar van blijvend belang
zowel voor het nationale als voor het Europese niveau. Nationaal zal daarbij
aandacht voor de positie van vrouwen in ondernemingen worden gevraagd van
het bedrijfsleven. Ook de differentiatie in kansen tussen vrouwen en met name
de positie van allochtone vrouwen werd als aandachtspunt genoemd, net als
de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid en loondiscriminatie.
3. Vierde communautaire actieprogramma gelijke kansen
mannen en vrouwen
Over dit onlangs in behandeling genomen voorstel van de Commissie vond
een eerste oriënterende gedachtenwisseling plaats zonder de bedoeling
tot besluitvorming te komen. De meeste lidstaten waren van mening dat het
actieprogramma – mede in het licht van Peking – van groot belang
is. Besluitvorming over dit onderwerp is door het Voorzitterschap voorzien
voor de Sociale Raad van 5 december a.s.
4. Resolutie beeldvorming van vrouwen in reclame en media
Deze resolutie, een initiatief van het Spaanse voorzitterschap, werd zonder
debat door de Raad aanvaard. De resolutie wijst op het stereotype karakter
in de beeldvorming van vrouwen en mannen in reclame en media en spoort de
lidstaten aan hierop alert te zijn. Over de wijze waarop lidstaten hieraan
gevolg zouden kunnen geven worden geen dwingende uitspraken gedaan. Zelfregulering
door betrokkenen wordt als een zeer zinvolle methode aangemerkt.
5. Resolutie racisme en xenofobie
Ook deze resolutie, die de problematiek van racisme en xenofobie op het
terrein van de werkgelegenheid en van sociaal beleid in ruimere zin aan de
orde stelt, kon zonder debat worden aanvaard.
6. Programma ter bestrijding van sociale uitsluiting
Ten aanzien van dit onderwerp werd geconstateerd dat besluitvorming nog
steeds niet mogelijk is:
Duitsland en het VK blijven tegen. Verschillende delegaties gaven blijk
van hun ongerustheid ten aanzien van het uitblijven van een besluit en riepen
Commissie en lidstaten op een oplossing voor dit probleem te helpen vinden.
7. Combinatie van het gezins- en beroepsleven
Onder dit agendapunt heeft de Commissie informatie verstrekt over de voortgang
die in het kader van de dialoog tussen Europese werknemers- en werkgeversorganisaties
is geboekt. Deze dialoog – ingezet na het stranden van de richtlijn
«Ouderschapverlof» – is in juli de tweede fase ingegaan.
In deze fase trachten werkgevers en werknemers tot concrete afspraken over
de verenigbaarheid van gezins- en beroepsleven te komen.