21 501-18
Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid

nr. 163
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 januari 2002

Mede namens Staatssecretaris Hoogervorst zend ik u hierbij de geannoteerde agenda ten behoeve van de informele Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 18 en 19 januari aanstaande.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. A. F. G. Vermeend

Geannoteerde Agenda van de informele Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 18 en 19 januari te Burgos

Op 18 en 19 januari 2002 komt de Raad van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor een informele bijeenkomst bijeen te Burgos. Een groot deel van de bijeenkomst staat in het teken van een gedachtenwisseling over de voortgang van de Europese werkgelegenheidsstrategie. Tevens heeft het Spaanse voorzitterschap een bespreking van de verdere toepassing van de methode van open coördinatie op het terrein van de pensioenen geagendeerd.

De Toekomst van de werkgelegenheidsstrategie

Deze strategie is gestart in 1997 en behelst het jaarlijks bespreken en beoordelen van de voortgang die lidstaten maken in het vergroten van het aanpassingsvermogen van nationale arbeidsmarkten, een noodzaak in een economisch nauwer verweven Europese Unie.

Bij de start van de werkgelegenheidsstrategie in 1997, is afgesproken om de strategie na 5 jaar, dat wil zeggen in 2002, te evalueren. Tijdens de informele Raad in Burgos zal nu reeds een eerste gedachtenwisseling over de toekomst van de werkgelegenheidsstrategie plaatsvinden. Dit met het oog op de Europese Voorjaarsraad van Barcelona waar de voortgang van de in Lissabon overeengekomen strategie om van de EU tot 2010 de meest dynamische en concurrerende kenniseconomie te maken met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang, besproken zal worden. De open coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten vormt een belangrijk instrument in het kader van de Lissabonstrategie i.h.b. voor het behalen van de participatiedoelstellingen. De verdere vormgeving van de werkgelegenheidsstrategie zal met name gericht moeten zijn op het behalen van deze participatiedoelstellingen. De bespreking tijdens de informele Raad van Burgos is bedoeld om vast te stellen welke conclusies reeds tijdens de Europese Raad van Barcelona getrokken kunnen worden.

Door het Spaanse Voorzitterschap zijn vragen voorgelegd, die betrekking hebben op de werking van de werkgelegenheidsstrategie, haar samenhang met de in Lissabon afgesproken sociaal-economische strategie van de EU, de coördinatie van economisch, sociaal en werkgelegenheidsbeleid. Ook zal afzonderlijk aandacht besteed worden aan de betrokkenheid van sociale partners bij de coördinatieprocedure.

De werking van het Luxemburgproces

De evaluatie vindt plaats tegen de achtergrond van een wereldwijde groeivertraging. De Europese Commissie raamt voor 2002 een groei van 1,3% gemiddeld voor de EU, aanzienlijk lager dan de 3% groei gemiddeld tot 2010 die in Lissabon als uitgangspunt is gehanteerd. Deze vertraging zal zichtbaar maken of de economieën van de Europese lidstaten in staat zijn gebleken de noodzakelijke hervormingen door te voeren om conjuncturele schokken op te vangen. In het verleden heeft juist het gebrek aan veerkracht ervoor gezorgd dat de economieën van Europa vaak langdurige negatieve effecten op groei en werkgelegenheid hebben gehad.

Het is nog te vroeg om aan de huidige ontwikkeling conclusies te verbinden, al stemt de relatief gunstige ontwikkeling in Europa gematigd positief. Waar de VS een sterk oplopende werkloosheid heeft laten zien, blijven de meest recente voorspellingen van de Europese Commissie vrij gunstig. De werkloosheid in Europa zal in 2002 slechts licht oplopen (8,6% tegen 8,3% in 2001), maar al in 2003 weer verder dalen tot 8,2%. De werkgelegenheid zal onveranderd stijgen, met enkel een lichte vertraging in 2002.

Het is niet eenvoudig om de actuele situatie ook toe te schrijven aan het succes van beleid. Een veelheid van factoren zijn daar immers op van invloed. Momenteel onderzoekt een extern onderzoeksbureau, mede in opdracht van de Europese Commissie de effecten van uitvoering van de werkgelegenheidsstrategie in Nederland. Soortgelijke onderzoeken vinden in alle 15 EU-lidstaten plaats. De resultaten van al deze onderzoeken te samen zullen met een macro-evaluatie op Europees niveau worden verzameld en voorzien van conclusies. Op basis hiervan zal de Raad in het najaar onder Deens Voorzitterschap conclusies verbinden aan de prioriteiten voor de Europees werkgelegenheidsstrategie na 2002.

Nederland is in zijn algemeenheid positief gestemd over de wijze waarop de Europese werkgelegenheidsstrategie de afgelopen jaren heeft gefunctioneerd. Door onderlinge vergelijking («peer review») van beleid is het mogelijk gebleken lidstaten aan te spreken op de voortgang in hervormingen op de arbeidsmarkt. Zwaartepunt binnen de strategie heeft de afgelopen jaren gelegen op het bestrijden van de hoge langdurige werkloosheid in Europa. In Nederland heeft de strategie bijgedragen aan de introductie van de sluitende aanpak, waardoor nieuw ingeschreven werklozen binnen een jaar een actieve benadering hebben gekregen. Het succes van deze aanpak, zal in lijn met de ambities neergelegd in de Lissabon-agenda, ook voortgezet moeten worden op de meer structurele hervormingsagenda. De Europese Raad van Laeken heeft hier recent ook op aangedrongen. Voor de werkgelegenheidsstrategie betekent deze nadruk dat de strategie meer dan voorheen het geval is geweest – zich zou moeten richten op de middellange termijn doelstellingen (bijvoorbeeld 2010), waarbij structurele maatregelen worden genomen om de arbeidsdeelname in Europa te verhogen, tot minimaal 70% gemiddeld voor de EU, en voor afzonderlijke lidstaten mogelijk nog hoger. Het vergroten van arbeidsdeelname is ook van belang voor het financiële draagvlak van de sociale zekerheid, mede tegen het licht van een toenemende vergrijzing. Werk moet lonen en het aanpassingsvermogen van de Europese arbeidsmarkten kan verder worden vergroot.

Wat betreft de uitvoering van de strategie zelf heeft Nederland behoefte aan meer transparantie en resultaten. De jaarlijks toenemende detail-beschrijving zorgt voor meer papier, maar minder zicht op de voortgang in hoofdlijnen van beleid. Hieronder lijdt de transparantie van beleid, hetgeen juist een hoofddoelstelling is geweest bij de start. Het komende jaar zal een eerste slag gemaakt moeten worden met het stroomlijnen van het aantal richtsnoeren, en daarbij behorend aantal indicatoren. Minder richtsnoeren, en minder frequente rapportage-verplichtingen zijn hierbij voor Nederland het uitgangspunt. Richtsnoeren dienen vooral gezamenlijke oriëntaties en doelstellingen te bevatten. De nadere invulling hiervan («de instrumentering») moet vooral worden overgelaten aan de individuele landen, zodat beter ingesprongen kan worden op de specifiek nationale arbeidsmarktomstandigheden (de zogenaamde «fine-tuning»). Om het aantal procedures van coördinatie in Europa te stroomlijnen is Nederland van oordeel dat de samenwerking met andere coördinatieprocedures, zoals de globale richtsnoeren voor economisch beleid, versterkt kan worden.

De rol van sociale partners

Een toekomstige strategie zal in ieder geval rekening moeten houden met het feit dat bij de uitvoering van de werkgelegenheidsstrategie sociale partners een bijzonder rol hebben te vervullen. Zij hebben verantwoordelijkheid voor delen van de uitvoering van Europese afspraken. Dit betekent dat zij, zowel op nationaal als op Europees niveau, betrokken moeten zijn bij de voorbereiding van de afspraken en het rapporteren over de uitvoering hiervan. Wel zal hierbij een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling in acht genomen moeten worden. Aangezien de werkgelegenheidsstrategie een gecoördineerde strategie van lidstaten is, kunnen sociale partners op nationaal niveau niet direct via Europese richtsnoeren aangesproken worden. Deze rolverdeling zal ook in de formulering van de Europese richtsnoeren tot uitdrukking moeten komen. Inmiddels hebben sociale partners voorafgaande aan de Europese Raad van Laken laten blijken, bereid te zijn, een eigenstandige bijdrage te leveren aan de Lissabonstrategie. Tijdens de te houden ontmoeting tussen Europese sociale partners, een vertegenwoordiging van de Europese Raad en de Europese Commissie voorafgaande aan de Europese Raad van Barcelona zal hierover met sociale partners gesproken worden.

Pensioenen

Ten behoeve van de discussie over de open coördinatie op het terrein van pensioenen heeft het Spaanse voorzitterschap een tweetal vragen geformuleerd.

De voornoemde vragen hebben specifiek betrekking op de vormgeving en de werkmethode van de open coördinatiemethode op het terrein van pensioenen.

De eerste vraag stelt aan de orde welke specifieke elementen de open coördinatiemethode op het terrein van pensioenen zou moeten bevatten. Dit met het oog op het principe van subsidiariteit, de verschillen tussen de stelsels van sociale bescherming in de lidstaten en de oproep tot een voorzichtige aanpak die door een aantal lidstaten is gedaan. Specifiek is door het Spaanse voorzitterschap de vraag aan de orde gesteld welke rol indicatoren in dit proces zouden moeten spelen.

Als tweede wordt de vraag opgeworpen of de mogelijkheid bestaat om het proces van open coördinatie via de weg van de geleidelijkheid vorm te geven, met daarbij als startpunt de herkenning van «goede praktijken». Als voorbeeld wordt daarbij de uitwisseling van ervaringen van de lidstaten met verlenging van de actieve levensfase tot na de wettelijke pensioenleeftijd genoemd.

Nederland is van mening dat de grote vooruitgang die sinds de Raad van Stockholm op het terrein van pensioenen is geboekt niet verloren mag gaan.

Het door de Europese Raad van Laken met instemming ontvangen verslag van het Comité voor Sociale Bescherming (SPC) en het Comité voor de Economische Politiek (EPC) over gemeenschappelijke doelstellingen en werkmethoden vormt een goede basis om op korte termijn nadere concrete stappen vooruit te zetten bij de vormgeving van de open coördinatiemethode op het terrein van pensioenen. Op evenwichtige wijze wordt daarmee uitwerking gegeven aan de opdracht van de ER van Stockholm en Gothenburg die vroeg om «met name ten aanzien van de pensioenen, het potentieel van de open coördinatiemethode – met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel – ten volle te benutten.

Het in het verslag van SPC en EPC neergelegde tijdpad om ten behoeve van de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad van 2003 een gemeenschappelijk verslag van de Raad en de Commissie gereed te hebben over nationale strategieën op het terrein van pensioenen acht Nederland een wenselijke en realistische afspraak.

Op pensioenterrein komt het nu dan ook aan op een voortvarende aanpak bij de ontwikkeling van eenduidige en uniforme indicatoren. Een nauwe samenwerking tussen SPC en EPC is hierbij een absolute voorwaarde. Indicatoren vormen in de visie van Nederland één van de onlosmakelijke onderdelen van de open coördinatiemethode op het terrein van pensioenen.

Daarnaast moet al op korte termijn een start worden gemaakt met het opstellen van de nationale actieplannen op het terrein van pensioenen. Nederland wil vasthouden aan de datum van september 2002 waarop de actieplannen gereed moeten zijn, omdat alleen op deze wijze het neergelegde tijdpad in het verslag SPC en EPC gerealiseerd kan worden. Het is van belang dat een samenhangend en transparant pensioenproces tot stand komt dat de lidstaten aanspoort tot de hervormingen die noodzakelijk zijn om ook in de toekomst goede en betaalbare pensioenstelsels te kunnen blijven garanderen. Daarnaast moet dit proces herkenbaar zijn voor de burgers van de lidstaten om draagvlak voor hervormingen te creëren en tegelijk het vertrouwen in de houdbaarheid van de pensioenvoorzieningen te versterken.

Een nauwe samenwerking tussen de betrokken Raden, ECOFIN en Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, blijft ook bij de verdere invulling van de open coördinatiemethode op het terrein van pensioenen noodzakelijk.

Het integreren van de resultaten van de open coördinatiemethode op het terrein van pensioenen in de globale richtsnoeren voor het economische beleid en in het Groei- en Stabiliteitspact biedt de beste garantie voor een effectieve aanpak en voorkomt vrijblijvendheid en onzichtbaarheid. Bij de jaarlijkse voortgangsbespreking van de Lissabonstrategie dient ook de voortgang op het pensioendossier aan de orde komen.

Een strategische, slagvaardige en praktische aanpak is noodzakelijk. Bij pensioenvraagstukken gaat het om problematiek die om langetermijnoplossingen vraagt. Pensioenhervormingen lenen zich dan ook niet voor zeer frequente nationale strategie rapportages. Zware bureaucratische procedures zonder toegevoegde waarde dienen dan ook te worden vermeden.

Nederland is van mening dat de discussie over de verhoging van de arbeidsparticipatie van ouderen zich dient te concentreren op een verlenging van het arbeidzame leven voorafgaande aan de wettelijke pensioenleeftijd. Dit is conform de afspraken die op de Europese Raad van Stockholm zijn gemaakt om de gemiddelde arbeidsparticipatie in de EU van oudere vrouwen en mannen in de leeftijd van 55 tot 64 jaar tegen 2010 tot 50 procent te verhogen. Naarmate de arbeidsdeelname van de voornoemde leeftijdsgroep stijgt kan een discussie over doorwerken na de wettelijke pensioenleeftijd meer in beeld komen.

Overigens is een verhoging van de arbeidsparticipatie in de visie van Nederland slechts één van de oplossingsrichtingen in het Europese pensioendossier. Ook het budgettair beleid en hervormingen van het pensioenstelsel zijn belangrijke instrumenten om de kwaliteit en houdbaarheid van de stelsels te kunnen waarborgen. Ten aanzien van het laatstgenoemde instrument is onder andere van belang dat stelsels geen negatieve prikkels tot een langdurige arbeidsdeelname geven.

Naar boven