Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | 21501-18 nr. 159 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | 21501-18 nr. 159 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 november 2001
Hierbij zend ik u, mede namens Staatssecretaris Verstand en Staatssecretaris Hoogervorst, de Geannoteerde Agenda ten behoeve van de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 3 december aanstaande in Brussel. Deze agenda zal tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamer op 29 november aanstaande worden besproken.
Het verslag van de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 8 oktober te Luxemburg heb ik u reeds eerder toegezonden.
Geannoteerde agenda van de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 3 december 2001 te Brussel
1. Bestrijding armoede en sociale uitsluiting
1a Titel voorstel: Indicatoren
Aard bespreking: Aanneming en voorlegging aan de Europese Raad in Laken
De Europese Raad van Stockholm (maart 2001) heeft de Raad opgeroepen om voor het eind van 2001 een set gemeenschappelijke indicatoren aan te nemen. Het Comité voor de sociale bescherming heeft hiertoe een voorstel uitgewerkt. De Raad Werkgelegenheid en Sociaal beleid zal dit voorstel op 3 december a.s. aannemen ten behoeve van voorlegging aan de Europese Raad van Laken op 14 en 15 december a.s.
Het voorstel bestaat uit een set primaire en secundaire indicatoren. Onder de primaire indicatoren vallen onder meer de structurele indicatoren die de Europese Commissie gebruikt in haar Syntheseverslag over de met de Lissabon strategie geboekte voortgang (zie agendapunt 5 van deze geannoteerde agenda). Het voorstel bevat aanbevelingen voor verbetering van de definities en aanduiding van deze indicatoren. De secundaire indicatoren dienen ter aanvulling, verfijning en nadere interpretatie van de primaire indicatoren. De set is met name bedoeld voor gebruik door de lidstaten in hun nationale actieplannen die zij conform de conclusies van Lissabon (maart 2000) om het jaar opstellen. Daarnaast laat het voorstel ruimte voor lidstaten om in de (eerstvolgende) nationale actieplannen in 2003 aanvullend eigen indicatoren te gebruiken om nationale verschijningsvormen en oorzaken van armoede en sociale uitsluiting zichtbaar te maken (tertiaire indicatoren). Voor een overzicht van de voorgestelde set zij verwezen naar het Kabinetsstandpunt inzake de Europese strategie tegen armoede en sociale uitsluiting dat ongeveer tegelijkertijd met deze geannoteerde agenda aan de Kamer wordt toegezonden.
Het voorstel betekent een belangwekkende mijlpaal voor de in Lissabon afgesproken strategie ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Nederland is tevreden over de voortvarende wijze waarop besluitvorming over dit complexe thema tot stand komt en prijst het Belgische Voorzitterschap hiervoor. Met behulp van gemeenschappelijke indicatoren wordt een belangrijke basis gelegd voor benchmarking van de effectiviteit van het armoedebeleid van de lidstaten. Nederlands uitgangspunt is dat het meerdimensionale karakter van armoede en sociale uitsluiting een breed palet indicatoren vereist. De voorgestelde set dekt vier dimensies te weten werk, inkomen, onderwijs en gezondheid. Het Comité voor de sociale bescherming heeft zich voorgenomen om in 2002 gemeenschappelijke indicatoren te ontwikkelen voor betaalbare huisvesting en dak- en thuislozen.
De voorgestelde indicatoren geven (uitsluitend) in onderlinge samenhang een goed beeld van de risico's op armoede en sociale uitsluiting. Door middel van de primaire indicator «langdurig laag inkomen» is voorzien in de Nederlandse wens om blijvend oog te hebben voor de risico's op armoede en sociale uitsluiting die langdurig verblijf op een laag inkomen met zich meebrengt. De ervaring leert immers dat iemand met een laag inkomen niet automatisch arm is maar dat naarmate deze situatie langer duurt de risico's daarop evident groter worden. In het licht van de bestaande economische, demografische, sociale en culturele verschillen tussen de lidstaten hecht Nederland aan de afspraak dat lidstaten de gemeenschappelijke primaire en secundaire indicatoren kunnen aanvullen met eigen, tertiaire indicatoren. Beleid ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting dient immers te zijn toegespitst op specifieke omstandigheden. Tertiaire indicatoren kunnen bovendien tevens fungeren als «bron» voor toekomstige gemeenschappelijke indicatoren.
1b Titel voorstel: Gezamenlijk rapport van de Commissie en de Raad over sociale insluiting
Aard bespreking: Aanneming en voorlegging aan de Europese Raad in Laken
Dit gezamenlijk rapport zet, op basis van de door de lidstaten ingediende nationale actieplannen, de strategie en de maatregelen van de lidstaten uiteen voor de preventie en bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Tevens benoemt het rapport voor elke lidstaat een aantal specifieke aandachtspunten c.q. uitdagingen.
Het rapport benadrukt dat de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting een blijvend belangrijke uitdaging voor de EU vormt. Ondanks verschillen in economisch, demografisch, sociaal en cultureel opzicht tussen de lidstaten delen zij acht kernuitdagingen met elkaar:
1) het ontwikkelen c.q. waarborgen van arbeidsmarktbeleid dat werkgelegenheid promoot als een recht en kans voor allen;
2) het waarborgen van de noodzakelijke middelen om een menswaardig bestaan te kunnen leiden en het bestrijden van problematische schulden;
3) het tegengaan van onderwijsachterstanden en vroegtijdig school verlaten, het bevorderen van levenslang leren en het terugdringen van (functioneel) analfabetisme;
4) het ondersteunen van het gezin (in diverse samenstellingen) en het beschermen van kinderen in kwetsbare situaties;
5) het aanbieden van adequate en betaalbare huisvesting en het tegengaan van dakloosheid;
6) het waarborgen van gelijke toegang tot sociale voorzieningen;
7) het verbeteren van de toegankelijkheid van deze voorzieningen;
8) het versterken van de sociale infrastructuur in kwetsbare gebieden.
Op deelgebieden constateert de Commissie aanzienlijke verschillen tussen lidstaten. Lidstaten met een relatief ver ontwikkeld socialezekerheidssystemen zijn verhoudingsgewijs ook succesvol in het realiseren van toegankelijke voorzieningen. Ook de geografische en politiek-bestuurlijke constellatie van de lidstaten speelt een rol. In lidstaten waar regio's relatief autonoom zijn, is het beleidscoördinatiemechanisme van evident groter belang dan in lidstaten met een meer centraal georiënteerde constellatie.
De Nederlandse strategie wordt in het rapport positief beoordeeld. Het bevat een langetermijnperspectief, onder meer door opneming van streefdoelen die de looptijd van het nationale actieplan (2001–2003) overstijgen, en ook relatief nieuwe uitdagingen zoals digitale achterstanden en de risico's van armoede en sociale uitsluiting in achterstandswijken worden adequaat aangepakt. Het Nederlandse beleid is gebaseerd op een benadering van partnerschap, waarbij nationale en gemeentelijke overheden in gezamenlijkheid hun verantwoordelijkheden voor armoedebestrijding oppakken.
Het rapport noemt de volgende aandachtspunten c.q. uitdagingen voor Nederland:
– Het inkomensbeleid dat een relatief hoog sociaal minimum garandeert dient succesvol gecombineerd te worden met een activeringsbeleid dat de overstap van een uitkering naar werk financieel aantrekkelijk maakt;
– De reïntegratie van arbeidsongeschikten die in staat zijn om te werken dient te worden verbeterd en de instroom in de WAO dient te worden verminderd;
– De toenemende vergrijzing zal de vraag naar zorg doen toenemen hetgeen het terugdringen van de wachtlijsten nog meer tot een prioriteit maakt.
– Het toenemend aandeel etnische minderheden onder de Nederlandse bevolking vereist adequate inburgeringsprogramma's; scholen dienen leer- en ontwikkelingsachterstanden vanaf het allereerste begin succesvol tegen te gaan;
– De gender dimensie in het Nederlandse armoedebeleid dient prominenter in beeld te worden gebracht.
Effectevaluaties zijn in dit eerste gezamenlijke rapport afwezig, vanwege het ontbreken van een gemeenschappelijk referentiekader. De set gemeenschappelijk overeen te komen indicatoren (zie agendapunt 1a van deze geannoteerde agenda) zal hier in de toekomst in voorzien. Dit is van groot belang. Het ingezette proces mag niet verzanden in een technocratische exercitie waarvan de resultaten niet kunnen worden uitgelegd aan Europese burgers. Nederland onderschrijft de genoemde aandachtspunten c.q. uitdagingen met betrekking tot het Nederlandse beleid.
2. Kwaliteit en houdbaarheid van pensioenen
Titel voorstel: Verslag aan de Europese Raad in Laken over de gemeenschappelijke doelstellingen en de werkmethoden, ter voorbereiding van de Europese Raad in het voorjaar 2002
Aard bespreking: Aanneming en voorlegging aan de Europese in Laken
De Europese Raad van Göteborg (juni 2001) riep op tot:
– het vormgeven van de open coördinatiemethode door middel van het formuleren van gemeenschappelijke doelstellingen
– het ontwerpen van een werkmethode die een geïntegreerde aanpak waarborgt van de Europese uitdagingen op pensioen terrein.
De Comités voor de sociale bescherming (een ambtelijk voorportaal van de Raad Werkgelegenheid en Sociaal beleid) en voor het economisch beleid (een ambtelijk voorportaal van de Raad Ecofin) hebben conform deze oproep een gezamenlijk verslag opgesteld ten behoeve van de Europese Raad van Laken op 14 en 15 december a.s. Dit verslag wordt ook besproken in de Raad Ecofin op 4 december a.s.
Nederland verwelkomt de ambities om het pensioenbeleid van de lidstaten via benchmarking nauwer op elkaar af te stemmen en met elkaar te vergelijken van harte en is zeer tevreden over de onder Belgisch Voorzitterschap gerealiseerde resultaten. De Nederlandse wensen en prioriteiten komen uitstekend in het voortgangsverslag naar voren. Kort samengevat:
– Het formuleren van ambitieuze, evenwichtige doelstellingen aan de hand van drie kernbeginselen:
1. het waarborgen van de capaciteit van de Europese pensioenstelsels om aan hun sociale doelstellingen te voldoen
2. de handhaving van de betaalbaarheid van de stelsels
3. het behoud van hun vermogen om in te spelen op de veranderende behoeften in de samenleving.
– Het realiseren van herkenbaarheid: er moet een samenhangend en transparant pensioenproces totstandkomen dat lidstaten daadwerkelijk aanspoort tot hervormingen die noodzakelijk zijn om ook in het licht van de vergrijzing kwalitatief goede en betaalbare pensioenstelsels te kunnen garanderen. Financiële houdbaarheid is een basisvoorwaarde voor een stelsel dat nu en in de toekomst een toereikend pensioen biedt. Voor de geloofwaardigheid van het proces is het van groot belang dat de doelstellingen met elkaar in balans zijn en in nauwe onderlinge samenhang worden getoetst.
– Nauwe samenwerking en coördinatie tussen de betrokken Raden te weten Ecofin en Werkgelegenheid en Sociaal beleid.
– Het integreren van de resultaten van de open coördinatie op pensioenterrein in de globale richtsnoeren voor het economisch beleid. Dit biedt de beste garantie voor een effectieve aanpak en voorkomt vrijblijvendheid en onzichtbaarheid. De resultaten van de Europese samenwerking op pensioen terrein dienen derhalve vast agendapunt te vormen op de jaarlijkse voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad over sociaal en economisch beleid.
– De eerste resultaten van de open coördinatie op pensioen terrein dienen beschikbaar te zijn voor de Europese Raad in maart 2003.
– Een strategische, slagvaardige en praktische aanpak. De set met doelstellingen moet kort en krachtig de Europese ambities weerspiegelen en een adequaat vehikel vormen voor een verantwoorde modernisering van de nationale pensioenstelsels.
– Afspraken over eenduidige, uniforme indicatoren voor het meten van de voortgang zijn hierbij onmisbaar. Nederland verwelkomt, teneinde ook hiermee de vereiste vaart te maken, een opdracht van de Europese Raad terzake.
3. Voorstel voor een Verordening over de coördinatie van sociale zekerheidsstelsels (herziening van Verordening nr. 1408/71)
a. parameters voor de modernisering van de verordening
Tijdens de Europese Raad van Stockholm (maart 2001) is door de regeringsleiders overeengekomen dat de Raad voor het einde van 2001 zogenoemde parameters zal vaststellen. Deze parameters hebben betrekking op de modernisering en vereenvoudiging van de Verordening coördinatie sociale zekerheid (1408/71) en zijn op te vatten als door de Raad vast te stellen basis opties aan de hand waarvan de Verordening gewijzigd (gemoderniseerd) moet worden. Op basis van het voor eind 2001 te bereiken akkoord zullen de komende (Spaanse en Deense) voorzitterschappen voorstellen doen voor een (nieuwe) verordening. Voorzien is dat de Raad Werkgelegenheid en Sociaal beleid de parameters op 3 december a.s. aanneemt en deze vervolgens voorlegt aan de Europese Raad van Laken op 14 en 15 december a.s.
Door het voorzitterschap zijn 12 parameters opgesteld. Twee soorten parameters kunnen worden onderscheiden: de algemene parameters, die in horizontale zin op de gehele verordening van toepassing zijn (bv de parameter m.b.t. de materiële en personele werkingssfeer van de Verordening), en de voor de verschillende categorieën uitkeringen geldende bijzondere parameters (bv de parameter m.b.t. het hoofdstuk werkloosheid).
Nederland kan met alle parameters instemmen. De belangrijkste parameters worden hieronder beschreven.
Deze parameter bevat de rode draad: hoofddoel van modernisering van Verordening (EEG) nr. 1408/71 is vereenvoudiging voor de burger zonder onevenredige complicaties voor de uitvoering. Sinds de inwerkingtreding in 1971 is de Verordening vele malen gewijzigd en bijgewerkt; zij moest niet alleen worden aangepast aan de ontwikkelingen in de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten maar ook aan jurisprudentie van het Hof van Justitie. Mede daardoor zijn de communautaire coördinatievoorschriften steeds uitgebreider en complexer geworden. Voor de burger heeft een en ander tot gevolg dat de voorschriften steeds minder gemakkelijk te begrijpen zijn. Het is dan ook noodzakelijk om de coördinatievoorschriften te vereenvoudigen. De vereenvoudiging ten behoeve van de burger mag er echter niet toe leiden dat de uitvoering voor onmogelijke opgaven worden geplaatst. Er zal een evenwicht moeten worden gevonden zodat de vereenvoudiging zowel de toegankelijkheid voor de burger als de administratieve uitvoerbaarheid dient.
Volgens deze parameter moet de Verordening in beginsel van toepassing zijn op alle personen die onderworpen zijn, of zijn geweest, aan de socialezekerheidswetgeving van een of meerdere lidstaten. Dit houdt in dat de Verordening ook van toepassing wordt op personen die niet tot de «actieve» bevolking behoren, maar niettemin voor bepaalde aspecten zijn aangesloten bij een socialezekerheidsstelsel en gebruik kunnen maken van hun recht op vrij verkeer. Bovendien houdt dit in dat de communautaire bepalingen van toepassing worden op onderdanen van derde landen die bij een socialezekerheidsstelsel in één van de lidstaten zijn aangesloten. Met dit laatste heeft nog één lidstaat problemen. Ook dient nog een oplossing te worden gevonden voor de juridische basis van dit voorstel in het EG-verdrag (zie agendapunt 3b van deze geannoteerde agenda).
De parameter m.b.t. de materiële werkingssfeer houdt onder meer in dat wettelijke regelingen voor vervroegde uittreding onder de werkingssfeer van de Verordening worden gebracht. CAO-regelingen (o.m. ten aanzien van vervroegde uittreding) vallen enkel onder de werkingssfeer van de Verordening indien lidstaten daartoe een verklaring afleggen. De Commissie had voorgesteld om alle regelingen voor vervroegde uittreding en CAO-regelingen onder de materiële werkingssfeer van de verordening te brengen. Door het voorzitterschap is tegemoet gekomen aan onder meer Nederlandse bezwaren terzake. Uitgangspunt voor Nederland is altijd geweest dat het coördinatiemechanisme alleen betrekking zou moeten hebben op wettelijke stelsels en niet op regelingen die voortkomen uit afspraken tussen werkgevers en werknemers.
Deze parameter heeft onder meer betrekking op het creëren van de mogelijkheid voor gepensioneerde grensarbeiders om na hun pensioen een ingezette behandeling voort te kunnen blijven zetten in hun voormalige werkland. In de huidige Verordening heeft de grensarbeider een keuzerecht: zorg kan naar keuze in het woonland of in het werkland worden ingeroepen. Na pensionering verliest de grensarbeider dit keuzerecht en is hij aangewezen op de medische zorg in zijn woonland. In een eerder voorstel van de Commissie werd voorzien in de uitbreiding van genoemd keuzerecht tot de categorieën gezinsleden van grensarbeiders en gepensioneerde grensarbeiders. Vanwege het geringe draagvlak hiervoor beperkt de parameter de uitbreiding thans tot de voortzetting nà het pensioen van de grensarbeider van vóór het pensioen aangevangen behandelingen.
Volgens deze parameter moet het hoofdstuk werkloosheid worden uitgebreid met de in bepaalde lidstaten bestaande regelingen voor zelfstandigen. Daarnaast moet werklozen het recht worden gegarandeerd om in de Unie actief naar werk te kunnen zoeken met behoud van werkloosheidsuitkering gedurende een periode van tenminste drie maanden. Dit is conform de Nederlandse wens om eerst de uitkomsten van het onderzoek naar de effectiviteit van deze bepaling af te wachten, alvorens een nader standpunt over de lengte van de termijn in te nemen. Voorts moeten de prestaties die de werkloze door de Verordening worden geboden, beperkt blijven tot uitkeringen. Wat betreft de werkloze grensarbeiders moet er in de eerste plaats naar worden gestreefd hun positie op de arbeidsmarkten te versterken. Bovendien moet gezorgd worden voor een passende sociale bescherming, moet rekening worden gehouden met de financiële aspecten van de zaak en moet een doeltreffende controle worden gewaarborgd.
Het voorzitterschap had oorspronkelijk voorgesteld, conform het voorstel van de Commissie, om volledig werkloze grensarbeiders aanspraak te geven op een werkloosheidsuitkering van hun laatste werkland, in plaats van het woonland (zoals thans gebruikelijk). Diverse lidstaten waaronder Nederland zijn hierop tegen. De discussie hierover zal onder de volgende voorzitterschappen worden voortgezet. Daarbij dient in het licht van de uitkomsten van het genoemde onderzoek rekening te worden gehouden met de hiervoor genoemde aspecten.
De aan de Kamer toegezegde notitie, waarin uitgebreider op de parameters wordt ingegaan, zal voorafgaand aan het Algemeen Overleg op 29 november a.s. worden toegezonden.
b. Rechtsgrondslag voor de uitbreiding van de verordening tot onderdanen van derde landen
Aard bespreking: Aanneming conclusies
De Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid heeft op 8 oktober jl. aan COREPER een mandaat verstrekt om tot een akkoord te komen over de juridische basis voor het voorstel om onderdanen van derde landen onder de werkingssfeer van Verordening (EEG) nr. 1408/71 te brengen.
Voor elk besluit van de Raad is een juridische basis in het Verdrag noodzakelijk. Dit heeft een drietal functies:
– hierdoor wordt de bevoegdheid van de Gemeenschap bepaald om op het betreffende terrein een besluit te nemen;
– hierdoor wordt aangegeven welke besluiten mogen worden genomen om die bevoegdheid uit te oefenen;
– hierdoor wordt de procedure voor besluitvorming aangewezen.
In dit geval spelen drie artikelen een rol: artikel 42, 63 lid 4 en 308 EG Verdrag.
Artikel 42 geeft de Raad de bevoegdheid de maatregelen vast te stellen welke op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers.
Op artikel 63 lid 4 (dat deel uitmaakt van titel IV van het Verdrag over visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden met het vrij verkeer van personen) kunnen maatregelen worden gebaseerd over de rechten van- en voorwaarden waaronder derdelanders die legaal in een lidstaat verblijven, in andere lidstaten mogen verblijven.
Artikel 308 kan uitsluitend worden aangewend indien het optreden van de Gemeenschap noodzakelijk blijkt om in het kader van de gemeenschappelijke markt een van de doelstellingen van de Gemeenschap te verwezenlijken maar het Verdrag geen op dit optreden toegespitste juridische basis bevat.
De Europese Commissie, de Juridische dienst van de Raad en bijna alle lidstaten waaronder Nederland zijn conform recente rechtspraak van het Hof van Justitie EG van mening dat artikel 42 EG Verdrag niet als juridische basis kan gelden. Nederland heeft een voorkeur voor artikel 308 EG Verdrag uitgesproken. De keuze voor dit artikel zou er namelijk toe leiden dat de gewijzigde Verordening op alle lidstaten gelijkelijk van toepassing zou zijn. Dit zou in lijn zijn met het uitgangspunt van de Verordening dat deze in alle lidstaten aan begunstigden dezelfde rechten moet geven. Dit wordt niet bewerkstelligd via artikel 63 lid 4 EG Verdrag. Vanwege de protocollen bij het Verdrag betreffende de positie van Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken bij artikel 63 lid 4 hoeven deze landen namelijk geen uitvoering te geven aan maatregelen die op grond van dit artikel (lees: de gehele titel IV) worden genomen. Ook geldt het Verdrag van Amsterdam waarmee Titel IV in het EG Verdrag is opgenomen, nog niet voor de landen behorend tot de Europese Economische Ruimte (EER), terwijl de huidige Verordening wel op deze landen van toepassing is. Voor artikel 63 lid 4 tekenen zich in de Raad meer voorstanders af dan voor artikel 308. Nederland zal een keuze voor artikel 63 lid 4 niet blokkeren.
4. Ontwerp-besluit betreffende het Europees jaar voor personen met een handicap 2003
Ongeveer 10% van de EU bevolking heeft een handicap. Speerpunt van het EU beleid is om ook voor deze burgers gelijke kansen en behandeling te waarborgen. Sinds het Verdrag van Amsterdam wordt discriminatie op grond van handicap op één lijn gesteld met discriminatie op grond van sekse, geloof etc. Er is een beleid nodig om te waarborgen dat, waar nodig, de lidstaten ondersteuning kan worden geboden en voorzieningen beschikbaar zijn voor het blijvend verbeteren van de positie van personen met een handicap. Met name de verbetering van de beeldvorming over mensen met een handicap is van belang: bewustmaking van de samenleving dat mensen met een handicapzo nodig met aanpassing c.q. ondersteuning- daarin ten volle kunnen participeren, mits er geen (nieuwe) barrières worden opgeworpen. In dit kader dient het voorstel voor een Europees Jaar van personen met een handicap 2003 te worden geplaatst. Belangrijkste activiteiten zijn het organiseren van bijeenkomsten en manifestaties, voorlichtings- en promotiecampagnes op communautair niveau en het bieden van ondersteuning (financieel en moreel) op nationaal niveau.
Nederland kan instemmen met het voorstel. De doelstellingen van het Europees Jaar, zoals het bevorderen van gelijke kansen voor mensen met een handicap, op het gebied van rechtsbescherming, beeldvorming, samenwerking van alle betrokken actoren, het belichten van de heterogeniteit van de doelgroep en op de positieve bijdrage die gehandicapten aan de samenleving leveren, sluiten goed aan bij de Nederlandse aanpak. Het transnationale aspect van de in 2003 op Europees niveau te initiëren activiteiten en de uitwisseling van ervaringen en goede praktijkvoorbeelden zullen zeker bijdragen aan het succes van Nederlandse voornemens in het kader van het Wetsvoorstel Gelijke behandeling op grond van handicap en chronische ziekte (WGBH/CZ). Deze wet zal naar verwachting in 2003 in werking treden.
5. Vervolg op Europese Raden van Lissabon, Stockholm en Göteborg: structurele indicatoren
Aard bespreking: Aanneming van conclusies van de Raad
De Europese Commissie rapporteert ten behoeve van de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad jaarlijks over de met de Lissabonstrategie geboekte voortgang. Voor 2010 dient de EU «de meest dynamische en concurrerende kenniseconomie ter wereld te worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang.» Rapportage over de voortgang vindt plaats op basis van de zogeheten «structurele indicatoren». Deze structurele indicatoren zijn derhalve een belangrijk meetinstrument om de discussie tijdens de voorjaarsvergadering van de Europese Raad te sturen. De indicatoren beslaan de kernthema's van de Lissabon-strategie en weerspiegelen de belangrijkste beleidsontwikkelingen.
In haar mededeling over structurele indicatoren presenteert de Commissie de structurele indicatoren voor haar syntheserapport voor de Europese Raad van Barcelona (15 en 16 maart 2002). In overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van Stockholm (maart 2001) zijn zes milieu-indicatoren toegevoegd om (ook) de vorderingen m.b.t. de aan de Lissabonstrategie toegevoegde dimensie «duurzaamheid» (milieu) meetbaar te maken.
Het Comité voor de sociale bescherming heeft dit jaar voorstellen gedaan voor onder meer verbetering van de structurele indicatoren inzake sociale cohesie (zie ook agendapunt 1 in deze geannoteerde agenda en het Kabinetsstandpunt «Europese strategie tegen armoede en sociale uitsluiting»). In haar eerdere mededeling over structurele indicatoren (september 2000) refereerde de Commissie hier al aan. Daarom vindt Nederland het jammer dat de resultaten van dit werk niet ten volle benut zijn door de Commissie. Zo had Nederland, om het multi dimensionale karakter van het begrip armoede beter tot zijn recht te laten komen graag een indicator voor gezondheid teruggezien in de mededeling. De indicator «armoede» wordt in Raadskader, conform de wens van alle lidstaten, aangeduid als een indicator «laag inkomen». Armoede is immers een breed begrip dat niet in één indicator gevat kan worden. Voor de indicator die volgens de Commissie inzicht geeft in het aandeel van de bevolking dat langdurig arm is geldt hetzelfde: deze meet het aandeel van de bevolking dat langdurig op een laag inkomen is aangewezen. Nederland mist ook voor wat betreft de definitie de nuttige inbreng van het Comité voor de sociale bescherming. Naar Nederlands oordeel zou gemeten moeten worden het aandeel van de bevolking dat voortdurend (twee van de drie jaar voorafgaand aan het referentiejaar ) maar niet (noodzakelijkerwijs) continu is aangewezen op een laag inkomen. De Commissie hanteert als definitie dat iemand drie jaar voorafgaand aan het referentiejaar een laag inkomen moeten hebben ontvangen.
Aangezien de berekening van de arbeidsproductiviteit per werknemer minder zinvol is omdat het aandeel parttimers verschilt per lidstaat zou het zinvoller zijn om de arbeidsproductiviteit per gewerkt uur te meten. De indicator beloningsverschillen tussen mannen en vrouwenmeet niet in hoeverre mannen en vrouwen hetzelfde loon ontvangen voor hetzelfde werk maar wat de inkomensverdeling is tussen mannen en vrouwen. De representativiteit van de indicator arbeidsongevallen voor het meten van de kwaliteit van arbeid is twijfelachtig. De vergelijkbaarheid van deze indicator overtuigt evenmin: de verschillen tussen lidstaten voor wat betreft de sectoren waarin werknemers werkzaam bemoeilijken het maken van een objectieve vergelijking.
6. Werkgelegenheid: «Najaarspakket 2001»
a) Voorstel voor een beschikking betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidbeleid van de Lidstaten voor 2002
Aard bespreking: Politiek akkoord
b) Ontwerp van een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2001
c) Aanbevelingen inzake de tenuitvoerlegging van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten
Aard bespreking: Politiek akkoord
De drie bovengenoemde documenten vormen gezamenlijk het zogenoemde Najaarspakket Werkgelegenheid 2001. Dit pakket bevat een analyse van de voortgang van de Werkgelegenheidsstrategie in Europa, aanbevelingen aan de lidstaten op basis van de Nationale Actieplannen Werkgelegenheid en de werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 2002. Over het pakket heeft op 8 oktober jl. een politike debat plaatsgevonden in de Raad. Een kabinetsstandpunt ten aanzien van dit Najaarspakket is uw Kamer toegegaan d.d. 11 oktober 2001. De tekst die voorligt in de komende Raad is tussen de Lidstaten afgestemd in het Werkgelegenheidscomite. Nederland heeft hierbij langs de lijnen van het kabinetsstandpunt opgetreden.
De Raad zal om instemming gevraagd worden. Nederland kan zich vinden in de voorliggende tekst van de ontwerp-richtsnoeren, de landenspecifieke aanbevelingen en de gezamenlijke analyse over het werkgelegenheidsbeleid in Europa. De Commissie handhaafde enkele voorbehouden ten aanzien van arbeidsparticipatie, zowel in het algemeen als die van vrouwen, en ten aanzien van de beschikbaarheid van kinderopvang. De Commissie wenste een duidelijke opdracht aan de lidstaten om nationale doelstellingen te formuleren. De lidstaten geven er de voorkeur aan om zelf de doelstellingen vast te kunnen stellen die het meest geschikt zijn, afhankelijk van de situatie in de Lidstaat. Daarom willen de Lidstaten niet vanuit de richtsnoeren een opdracht krijgen om specifieke doelstellingen vast te stellen, maar die vrijheid zelf houden en het in de richtsnoeren te laten bij een oproep aan de lidstaten om het stellen van doelen te overwegen. Hiermee blijft de Raad in lijn met de formuleringen terzake van de Europese Raad. Nederland zal deze voorbehouden dan ook niet ondersteunen.
7. Indicatoren van de kwaliteit van het werk
Aard bespreking: Aanneming van conclusies van de Raad
De Europese Raden van Nice (december 2000) en Stockholm (maart 2001) hebben het Werkgelegenheidscomité (EMCO) opdracht verleend om in samenwerking met de Commissie voor eind 2001 een aantal indicatoren te ontwikkelen, zodat de Europese Raad van Laken (december 2001) deze kan vaststellen. De Raad zal worden gevraagd akkoord te gaan met de voorstellen voor indicatoren, die zijn voorbereid door het Werkgelegenheidscomité.
Het rapport van het Werkgelegenheidscomité bevat een lijst met een aantal sleutel-indicatoren, aan de hand waarvan een indruk gegeven kan worden van de ontwikkeling van de kwaliteit van de arbeid in de lidstaten. Een groot deel van deze lijst is reeds eerder akkoord bevonden door de Raad. Het gaat hierbij om indicatoren m.b.t. het aantal deelnemers aan scholing, ongevallen op het werk en gendergelijkheid in beloning. Nieuw in de lijst zijn indicatoren die meten of het aantal arbeidsuren of het soort arbeidscontract in overeenstemming is met de eigen preferenties van de betrokken werknemer. Deze indicatoren zijn tot stand gekomen mede op aandringen van Nederland en vervangen eerdere voorstellen voor indicatoren die het percentage «niet reguliere contracten» als zodanig meten.
Nederland steunt de ontwikkeling van indicatoren voor de kwaliteit van de arbeid. Kwaliteitsbevordering en bevordering van de werkgelegenheid gaan in het algemeen gelijk op en versterken elkaar. Nederland kan deze lijst van indicatoren ondersteunen en is in het bijzonder verheugd dat de Raad de opvatting deelt dat flexibele arbeid en deeltijdwerk niet a priori mogen worden afgeschilderd als arbeid van mindere kwaliteit.
Discussie vindt nog plaats over het opnemen van indicatoren over beloning. Naar aanleiding van de bespreking in de Raad op 8 oktober heeft het Werkgelegenheidscomité voorgesteld een onderverdeling te maken in twee soorten indicatoren:
1. indicatoren die de overgang van werkloosheid naar werk meten
2. indicatoren die de doorgroei van werkenden meten (onder meer t.a.v. inkomen).
Nederland kan zich hierin vinden.
8. Ontwerp-verslag over grotere participatie aan het arbeidsproces en bevordering van het actief ouder worden
Aard bespreking: Presentatie door de Commissie/Gedachtewisseling
De Europese Raad in Stockholm heeft de Commissie en de Raad gevraagd, gezamenlijk een rapport uit te brengen aan de Europese Raad van Barcelona over de manier waarop arbeidsparticipatie kan worden vergroot en beroepsactiviteit op oudere leeftijd kan worden bevorderd. Eind november presenteert de Commissie een concept-rapport dat in de Raad besproken zal worden. Het Werkgelegenheidscomité zal het rapport verder voorbereiden ter vaststelling in de Raad begin 2002.
Op dit moment is nog niet bekend met welke voorstellen de Commissie zal komen. Nederland zal in de discussie in de Raad benadrukken dat in Barcelona de voortgang van de lidstaten op het behalen van de Lissabon-doelstellingen prioriteit moeten krijgen. De neergaande economische conjunctuur zal de vastbeslotenheid van de Raad om door te gaan op de ingeslagen weg daadwerkelijk op de proef stellen. Om de doelstellingen van Lissabon, tegen de achtergrond van een neergaande economische ontwikkeling, te kunnen halen zullen we de nog altijd aanwezige structurele tekortkomingen met daadkracht ter hand moeten nemen. Het verhogen van participatie onder kwetsbare groepen, het bevorderen van langer doorwerken van ouderen en een verdergaande flexibilisering van de arbeidsorganisatie zullen door Nederland als relevante thema's aan de orde worden gesteld.
9. Globale richtsnoeren voor het economisch beleid 2002 (GOPE): bijdrage van de Raad
Jaarlijks stelt de Raad in het voorjaar conform het Verdrag de globale richtsnoeren voor economisch beleid vast. Als uitwerking van de procedure is vorig jaar afgesproken dat verschillende Raadsformaties ieder jaar hun opinie kunnen geven, aan de hand waarvan de Raad EcoFin een notitie opstelt met speerpunten voor de richtsnoeren in het nieuwe jaar. Deze notitie wordt aan de voorjaarsbijeenkomst Europese Raad aangeboden, komend jaar in Barcelona op 15 en 16 maart a.s.
De bijdrage van de Raad Werkgelegenheid en Sociaal beleid is voorbereid door het Comité voor de sociale bescherming en het Werkgelegenheidscomité. Na een politiek akkoord zal de bijdrage van de Raad aan de EcoFin-Raad worden verstuurd. De bijdrage van de Raad benadrukt de wederzijdse consistentie tussen de globale richtsnoeren, de werkgelegenheidsrichtsnoeren en de inspanningen gericht op het vergroten van sociale insluiting (agenda Nice). De verschillende procedures moeten elkaar versterken. Onderlinge coördinatie is hierbij van vitaal belang.
Uitdaging voor komend jaar is in een periode van een neergaande economische conjunctuur de noodzakelijke inspanningen te blijven verrichten om de arbeidsmarkt van Europa meer dynamisch te maken met (nieuwe) kansen voor iedereen. Om de ambitieuze doelstellingen van Lissabon op het terrein van participatie en insluiting te kunnen verwezenlijken zal de structurele hervormingsagenda van Lissabon juist nu voortvarend ten uitvoer gebracht moeten worden. Het gaat hierbij om het werken meer lonend te maken en nog altijd aanwezige structurele werkloosheid te verlagen. Tegelijk zal er een uitdaging bestaan om de deelname van de op de arbeidsmarkt ondervertegenwoordigde groepen, zoals allochtonen, vrouwen en ouderen, te verhogen. Dit is ook met het oog op het niveau van de oudedagsvoorziening van deze groepen èn de draagkracht van de stelsels van groot belang.
10. Gewijzigd voorstel voor een richtlijn ter aanvulling van het statuut van de Europese coöperatieve vennootschap met betrekking tot de rol van werknemers
Aard bespreking: Stand van zaken
Net als bij de SE bestaat dit dossier uit een Verordening betreffende de oprichting van een ECV en een Richtlijn betreffende de rol van werknemers. Het voorzitterschap zal tijdens de Raad verslag doen van de stand van zaken bij de onderhandelingen over de ontwerprichtlijn over de rol van werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap (ECV).
Uitgangspunt voor de richtlijn voor de ECV blijft dat de rol van werknemers bij een ECV het beste kan worden overgelaten aan vrije onderhandelingen tussen het management en een delegatie van werknemers. Het voorstel wijkt slechts af van de SE waar dat noodzakelijk is voor de rechtsvorm van de coöperatie. Die afwijking heeft met name betrekking op coöperaties die worden opgericht door natuurlijke personen en ten hoogste één rechtspersoon.
Nederland verwelkomt het initiatief van de voorzitter en steunt het uitgangspunt om, waar mogelijk, zo dicht mogelijk te blijven bij de regeling van de SE. Tegen één onderdeel heeft Nederland bezwaar. Nederland is van mening – anders dan in de ontwerp-richtlijn staat – dat de participatierechten afhankelijk moeten zijn van het aantal werknemers dat voorafgaande aan de oprichting onder een nationale participatieregeling viel. Dit voorkomt dat werknemers door oprichting van een nieuwe ECV hun oude rechten van vóór de oprichting kwijt raken of in de nieuwe structuur niet meer kunnen verwezenlijken. Voorkomen moet worden dat een ECV wordt opgericht om onder een bestaande medezeggenschapsregeling uit te komen. Voor ECV's die worden opgericht door rechtspersonen is hierin voorzien. Een probleem kan zich echter voordoen bij een ECV die wordt opgericht door natuurlijke personen en maximaal één rechtspersoon. In deze situatie kan geen parallel getrokken worden met de SE en moet een speciale regeling worden getroffen.
In november is een voorstel van het Voorzitterschap en de Commissie besproken om deze lacune op te vullen. Dit voorstel houdt in dat voor een nieuwe ECV, opgericht door natuurlijke personen en ten hoogste één rechtspersoon, waarin tenminste 50 werknemers betrokken zijn, een vergelijkbare regeling als bij de SE van toepassing is. Dit houdt globaal gesproken in dat het meeste gunstige participatieregime van alle betrokken lidstaten geldt. Voor ECV's waar minder dan 50 werknemers bij betrokken zijn geldt het wettelijk regime van de lidstaat van registratie. Het voorstel is positief ontvangen en aanvaard voor nadere studie. Naar verwachting kan onder het voorzitterschap van Spanje over een gemeenschappelijk standpunt overeenstemming bereikt worden.
11. Gemeenschappelijk standpunt door de Raad in verband met de aanneming van de richtlijn tot instelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van werknemers in de Europese Gemeenschap
Aard bespreking: Stand van de besprekingen met het Parlement in 2e lezing
De voorgestelde richtlijn is bedoeld om te voorzien in de lacunes en tekortkomingen van de regelgeving op nationaal en communautair niveau inzake de informatie en raadpleging van werknemers. Werknemers dienen geïnformeerd en geconsulteerd te worden met betrekking tot de economische en strategische ontwikkeling van de onderneming en de beslissingen die hen aangaan.
Het naar aanleiding van de besprekingen aangepaste voorstel laat aan lidstaten de keuze om vertegenwoordiging op ondernemingsniveau dan wel op vestigingsniveau te laten plaatsvinden. Ondernemingen met 50 of meer werknemers dan wel vestigingen met tenminste 20 werknemers, krijgen de verplichting om werknemers (vertegenwoordigers) te informeren en te raadplegen over:
– de recente en redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen van de activiteiten van de onderneming en van haar economische en financiële toestand;
– de toestand, de structuur en de redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling van de werkgelegenheid binnen de onderneming en indien de werkgelegenheid bedreigd wordt welke anticiperende maatregelen getroffen worden om de negatieve gevolgen voor de werknemers te beperken;
– beslissingen die zouden kunnen leiden tot ingrijpende veranderingen m.b.t. de organisatie van het werk of de arbeidsovereenkomst.
Tijdens de Raad van 11 juni 2001 werd een politiek akkoord bereikt over een gemeenschappelijk standpunt. Onderdeel van dit gemeenschappelijk standpunt is een ruime overgangsregeling voor lidstaten waar geen algemeen, permanent en wettelijk systeem voor de informatie en de raadpleging van werknemers bestaat.
Op 23 oktober 2001 heeft het Europees Parlement in tweede lezing de concept-richtlijn aanvaard onder aanname van 13 amendementen. Alle lidstaten willen tot een akkoord met het EP komen, maar een aantal lidstaten wenst niet of nauwelijks af te wijken van het gemeenschappelijk standpunt. Met name het amendement om de overgangsregeling te schrappen ligt moeilijk. De Voorzitter van de Raad zal in overleg met de Voorzitter van het Europees Parlement een Conciliatiecomité vormen om te trachten tot overeenstemming te komen.
Nederland blijft van mening dat spoedige aanvaarding van de ontwerp-richtlijn van groot belang is en zal zich inzetten om in de conciliatieprocedure met het Parlement tot overeenstemming te komen. Erkend moet echter worden dat van het gemeenschappelijk standpunt inzake de overgangstermijn moeilijk kan worden afgeweken.
12. Voorstel voor een richtlijn tot wijziging van richtlijn 80/987 inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever
Aard bespreking: Politiek akkoord
Het Voorzitterschap streeft ernaar, op 3 december een gemeenschappelijk standpunt vast te stellen over bovengenoemd voorstel.
Richtlijn 80/987/EEG heeft tot doel werknemers een communautaire minimum bescherming te bieden bij insolventie van hun werkgever. Daartoe moeten de lidstaten een waarborgfonds oprichten dat over een bepaalde periode de onvervulde aanspraken op loon van werknemers waarborgt, in geval van insolventie/faillissement van de werkgever.
Voorgesteld wordt om de werkingssfeer en definities van de huidige Richtlijn te verduidelijken om een grotere rechtszekerheid en transparantie te realiseren. Daarnaast wordt beoogd om de huidige Richtlijn aan te passen aan de ontwikkelingen in de nationale wetgeving op het terrein van insolventie van de lidstaten. Verder vindt aanpassing plaats in verband met de ontwikkelingen in de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG. Zo bevat het voorstel een coördinatieregel waarmee bepaald wordt welk waarborgfonds van een lidstaat bevoegd is, in geval de (insolvente) werkgever in twee of meer lidstaten activiteiten ontplooit.
Nederland staat positief tegenover de voorstellen. De in Hoofdstuk IV van de Nederlandse WW (overneming vanuit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever te betalen) opgenomen regeling heeft een ruimer bereik dan de Richtlijn.
De wijzigingen als gevolg van deze regelgeving zullen daarom beperkt zijn. Het is wel nodig om hoofdstuk IV WW te verrijken met de in het voorstel opgenomen coördinatieregels waarmee het bevoegde waarborgfonds wordt aangewezen, in geval van insolvente werkgevers die activiteiten ontplooien in twee of meer lidstaten.
13. Bespreking van de uitvoering door de Lidstaten van het actieprogramma Peking: gelijke beloning mannen en vrouwen
Aard bespreking: Aanneming van conclusies van de Raad
Ingevolge de conclusie terzake van de Europese Raad van Stockholm (maart 2001) wordt door het Belgische Voorzitterschap in overleg met de Raadswerkgroep een set van indicatoren ontwikkeld die geschikt zijn om verschillen in beloning tussen mannen en vrouwen te meten alsmede de effectiviteit van het beleid van de lidstaten om deze verschillen op te heffen. De voorgestelde indicatoren van het Voorzitterschap zijn kritisch ontvangen. Hoewel Nederland de totstandkoming van de indicatoren krachtig steunt en ook enthousiast is over het initiatief van het voorzitterschap, is van Nederlandse zijde kritisch gereageerd.
Voornaamste punten zijn het hanteren van netto-maandlonen in plaats van bruto-uurlonen, het ontbreken van een juiste weging van het element deeltijd en het geheel ontbreken van het element functieniveau. Een bruto-uurloon bevat alles wat aan een werknemer wordt uitgekeerd zonder dat daar al bijv. de belasting van af is gehaald. Zo krijg je een meest zuivere vergelijking. Een nettovergelijking is niet goed te maken aangezien er dan al allerlei elementen van de brutobeloning zijn afgetrokken. Bovendien gaat ook artikel 141 van het EG-verdrag, waarin het recht op gelijke beloning geregeld wordt, uit van bruto-beloning. De betekenis van beloning op basis van dit artikel moet leidend zijn.
Aangezien in Nederland veel in deeltijd wordt gewerkt, en door vrouwen aanzienlijk meer dan door mannen, is het van belang hiermee rekening bij het vergelijken van beloning m/v.
Het functieniveau hangt nauw samen met de beloning en is in Nederland bijvoorbeeld een van de belangrijkste factoren ter verklaring van de beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen. Ook de Richtlijn over gelijke beloning uit 1975 (de eerste Richtlijn m/v) heeft het al over gelijke beloning voor arbeid van gelijke waarde, hetgeen aangeeft dat in het kader van gelijke beloning een vergelijking plaats moet vinden op functieniveau. Bij het vaststellen van arbeid van gelijke waarde kan niet worden uitgegaan van beroepssoorten, maar moet naar functieniveau worden gekeken. Ook werknemers die ieder een ander beroep uitoefenen, kunnen desondanks arbeid van gelijke waarde verrichten.
Pas als deze elementen goed inde kwantitatieve indicatoren verwerkt zijn, kunnen goede vergelijkingen inzake beloningsverschillen tussen de lidstaten gemaakt worden.
Het voorzitterschap heeft conclusies opgesteld, met de bedoeling deze in de Raad van 3 december a.s. aan te nemen. Nederland kan in grote lijnen instemmen met deze conclusies. Over een klein aantal conclusies wordt nog een nadere toelichting gevraagd of wordt een opmerking gemaakt. Ten aanzien van de voorgestelde indicatoren kan Nederland echter, zoals hierboven werd aangegeven, niet akkoord gaan.
14. Integratie van genderperspectieven in het beleid van de Europese Unie
14a Titel voorstel: De globale richtsnoeren voor het economisch beleid (GOPE)
Aard bespreking: Informatieve nota van het voorzitterschap
Niet alleen in Nederland, ook in Europees verband verbreedt het draagvlak voor gender mainstreaming zich. Tijdens de bijeenkomsten van de Europese Raad te Lissabon en Stockholm hebben de lidstaten afspraken gemaakt over indicatoren en benchmarking, onder meer op de terreinen arbeid en zorg (inclusief kinderopvang) en gelijke beloning.
De integratie van gelijke kansen voor mannen en vrouwen in het Europees sociaal beleid (gender mainstreaming) is tegenwoordig een vast agendapunt van de Sociale Raad. De Europese werkgelegenheidsstrategie wordt jaarlijks uitgewerkt in richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid, die op hun beurt leiden tot nationale actieplannen. Vast onderdeel hiervan is de integratie en toetsing van de gelijke-kansendimensie (de zgn 4e pijler).
Inzet van het Belgisch voorzitterschap was om deze dimensie met ingang van 2002 ook te integreren in het kader van het Euro-Mediterrane Partnerschap en de globale richtsnoeren voor het economische beleid die conform het verdrag jaarlijks worden vastgesteld.
Vanuit een analoge invalshoek heeft het Belgisch voorzitterschap in samenwerking met de Europese Commissie in oktober een technisch seminar belegd om deze dimensie van gendermainstreaming in 2002 ook te integreren in de macro-economische richtsnoeren. Het seminar besprak hoe gender mainstreaming kan bijdragen aan de groei van de Europese economie en werkgelegenheid. De conclusies van het seminar betroffen onder meer het belang van hervormingen in de sfeer van belastingen en sociale zekerheid om regelingen die ontmoedigend werken ten aanzien van onbetaalde arbeid te veranderen. De conclusies worden door de Commissie verwerkt in een document dat zal worden voorgelegd aan de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 3 december en aan de Raad EcoFin van 4 december.
Nederland is blij met de conclusies en zal zich ervoor inspannen dat ze bij de opstelling van de globale richtsnoeren 2002 worden betrokken.
14b Titel voorstel: De man/vrouw dimensie in het kader van het Europees mediterane partnerschap
Aard bespreking: Informatieve nota van het voorzitterschap
In juli jl heeft het Belgische voorzitterschap in Brussel in het kader van het Euro-Mediterraan Partnerschap een regionaal forum georganiseerd over de rol van vrouwen in de economische ontwikkeling (dimensie «Gelijkheid mannen/vrouwen»). Het Euro-Mediterraan Partnerschap is opgericht door regeringsleiders in Barcelona (november 1995). De Verklaring van Barcelona bepaalt het kader waarbinnen de relaties tussen Europa en de landen ten zuiden van de Middellandse Zee in drie richtingen kunnen worden uitgebouwd, te weten
– een politiek partnerschap voor het bepalen van een vredes- en stabiliteitszone;
– een economisch en financieel partnerschap dat zou moeten uitmonden in een zone van gedeelde welwaart;
– een sociaal, cultureel en humaan partnerschap dat aan de basis ligt van de ontwikkeling van de human resources en van culturele uitwisseling.
De Verklaring van Barcelona erkent de sleutelrol van vrouwen in deze ontwikkeling. In november 2000 hebben Ministers van Buitenlandse Zaken de noodzaak erkend van een regionaal programma specifiek gericht op vrouwen in het economische leven. Dit programma zal in 2002 door de Europese Commissie worden gelanceerd.
Vooruitlopend hierop heeft het Belgische voorzitterschap een regionaal forum belegd met vertegenwoordigers van de lidstaten uit het Euro-Mediterraan Partnerschap en het maatschappelijk middenveld om de inhoud en de strategische lijnen van dit programma te bespreken. De conclusies van het forum zijn door het Europese voorzitterschap voorgelegd aan de Euro-Mediterrane Ministeriële Conferentie (Brussel, 6 en7 november). De Ministers van Buitenlandse Zaken hebben nota genomen van deze conclusies. Nederland neemt kennis van de conclusies.
15. Groenboek van de Commissie: «De bevordering van een Europees kader voor de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven»
Titel voorstel: Ontwerp-resolutie over follow-up van het Groenboek
De resolutie onderstreept het belang van maatschappelijk verantwoord ondernemen en benadrukt de bijdrage die ermee geleverd kan worden aan het realiseren van sociale doelstellingen van o.a. de Lissabon strategie en de Werkgelegenheidsstrategie. Verder onderschrijft de resolutie het belang van internationale normen, zoals de fundamentele arbeidsnormen van de ILO op dit terrein. EU initiatieven zouden een aanvulling moeten zijn op activiteiten van andere internationale organisaties, initiatieven op nationaal niveau en binnen de private sector.
De timing van deze resolutie is niet zo gelukkig. Tot het eind van het jaar hebben lidstaten de gelegenheid om te reageren op het Groenboek. De consultaties binnen lidstaten zijn momenteel in volle gang. Zo komt in Nederland op 6 december de SER-Commissie Maatschappelijk Ondernemen speciaal bijeen om het Groenboek te bespreken. De voorliggende resolutie kan geen voorschot nemen op de uitkomst van de nationale consultaties en heeft daardoor onvermijdelijk een algemeen karakter.
Nederland had liever gezien dat gewacht zou worden met het opstellen van een resolutie tot na afronding van de consultaties over het Groenboek maar kan instemmen met voorliggende resolutie.
16. Sociale bemiddeling in Europa
Aard bespreking: Conclusies van de Raad
Het Belgisch Voorzitterschap beoogt Raadsconclusies aan te nemen over bemiddeling bij sociale conflicten op transnationaal niveau. De gedachten, voorzover bekend, gaan uit naar een Europees register van bemiddelaars waarop een beroep gedaan kan worden om vastgelopen overleg weer vlot te trekken. De Commissie wordt in de conclusies uitgenodigd om een studie te verrichten naar de wijze waarop bemiddeling bij sociale conflicten in de lidstaten functioneert en georganiseerd is. Aan de resultaten hiervan zou brede bekendheid gegeven moeten worden.
Dit onderwerp behoort bij uitstek tot het terrein van de sociale partners. Nederland is dan ook van mening dat met name hen op dit terrein het initiatief toekomt. Het in dit stadium aannemen van Raadsconclusies is aan de vroege kant aangezien de sociale partners dit onderwerp naar verwachting op 13 december a.s. zullen bespreken tijdens een Top over de Europese Sociale Dialoog. Het zou beter zijn geweest om activiteiten in Raadskader af te stemmen op de uitkomsten van deze Top. Tegen het verrichten van een studie door de Commissie bestaat overigens geen inhoudelijk bezwaar. Nederland vindt het van belang dat deze studie in het bijzonder ingaat op de vraag hoe verantwoordelijkheden tussen overheid en sociale partners in de verschillende nationale tradities zijn verdeeld.
17. Voorstel voor een richtlijn ter wijziging van richtlijn 83/477 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk
Aard bespreking: Verslag over de stand van zaken
Het voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 83/477/EEG van de Raad betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk is op 8 oktober gepresenteerd in de Raad. Tijdens de besprekingen reageerden de delegaties over het algemeen positief op het Commissievoorstel. Een belangrijk onderwerp in de discussie is de opname in deze arbeidsbeschermingsrichtlijn van eenasbestverbod, in aanvulling op het EU-asbestproductverbod dat uiterlijk per 1 januari 2005 in alle lidstaten van kracht wordt. Zulks wordt noodzakelijk geacht vanwege de hiaten in dit asbestproductverbod (net name m.b.t. gebruik van tweedehands asbesthoudende producten). Voorstellen hiertoe van Nederland en Duitsland vonden in het algemeen steun van andere lidstaten. De formulering van een dergelijk verbod is echter nog niet volledig uitgekristalliseerd. Verwacht wordt dat in de eerste helft van 2002 een gemeenscheppelijk standpunt kan worden bereikt.
– Mededeling van de Commisie: Totstandbrenging van een Europese ruimte voor onderwijs en levenslang leren
Aard bespreking: Presentatie door de Commissie
De Commissie zal een presentatie geven van deze mededeling. De tekst was op het moment van afronding van deze geannoteerde agenda nog niet beschikbaar.
In november 2000 presenteerde de Commissie een mededeling over het belang van een Leven Lang Leren. Deze nieuwe mededeling vormt daarop het vervolg.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-159.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.