21 501-18
Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid

nr. 157
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 november 2001

Hierbij stuur ik u, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, een notitie over Verordening (EEG) nr. 1408/71 en de parameters voor de modernisering van deze Verordening. Deze notitie is door de Minister van SZW bij brief van 9 oktober jl. (SV/GSV/01/63128) toegezegd.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst

EU-SOCIALEZEKERHEIDSCOÖRDINATIE

1. INLEIDING

Op 21 december 1998 is door de Europese Commissie bij de Raad een voorstel voor een Verordening (EG) van de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels ingediend. Het voorstel beoogt de huidige Europese regelgeving inzake coördinatie van de socialezekerheidsstelsels te moderniseren en te vereenvoudigen. Het gaat hier om Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. Op 8 juni 2000 is een notitie (SV/GSV/00/27118) aan de Tweede Kamer over Verordening (EEG) nr. 1408/71 en het voorstel van de Commissie verzonden. Op 4 oktober 2000 heeft over deze notitie een Algemeen Overleg plaatsgevonden.

De afgelopen jaren is het voorstel van de Commissie besproken in de Raadswerkgroep sociale vraagstukken, waarbij ieder voorzitterschap één of meerdere hoofdstukken voor zijn rekening heeft genomen. Deze besprekingen hadden een inventariserend karakter. Onder het Zweeds voorzitterschap is deze inventariserende ronde afgerond. Gebleken is dat op tal van aspecten van het voorstel de lidstaten met elkaar en met de Commissie van mening verschillen.

Tijdens de Top van Stockholm van 23 en 24 Maart 2001 is door de regeringsleiders overeengekomen dat de Raad voor het einde van 2001 zg. parameters met betrekking tot de modernisering en vereenvoudiging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 zal vaststellen. In dit kader heeft het Belgische voorzitterschap ten behoeve van de onderhandelingen in de Raadswerkgroep sociale vraagstukken voorstellen gedaan voor de formulering van parameters. Op basis van het hierover te bereiken akkoord zullen vervolgens de komende Spaanse en Deense voorzitterschappen tekstvoorstellen doen voor een (nieuwe) coördinatieverordening.

Bij brief van 9 oktober jl. (SV/GSV/01/63128) is u een notitie met betrekking tot de parameters toegezegd. Met de onderhavige notitie wordt aan deze toezegging voldaan. In paragraaf 3 zal nader worden ingegaan op de parameters. Voor een goed begrip van een en ander zal eerst in paragraaf 2 kort worden stilgestaan bij Verordening (EEG) nr. 1408/71.

2. VERORDENING (EEG) NR. 1408/71

2.1 Algemeen

Het vrije verkeer van personen is een van de grondbeginselen van de EG. Aan het vrije verkeer van personen zitten belangrijke sociale zekerheidsaspecten. Het vrije verkeer is namelijk gebaat bij socialezekerheidsstelsels die goed op elkaar aansluiten, zodat bijvoorbeeld bij migratie geen rechten op uitkering verloren gaan. Met het oog hierop is in communautair verband Verordening (EEG) nr. 1408/71 tot stand gekomen. Deze Verordening voorziet in een coördinatie en niet in een harmonisatie van de nationale wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid van de lidstaten. Dit betekent dat Verordening (EEG) nr. 1408/71 geen uitspraken doet over de inhoud van de nationale sociale-zekerheidsstelsels, maar slechts regels bevat die eventuele nadelen moeten wegnemen die de werknemer of zelfstandige als gevolg van zijn verplaatsing binnen de Gemeenschap ondervindt.

Het kan voorkomen dat een persoon als gevolg van zijn migratie onder een sociaal zekerheidsstelsel komt te vallen dat ongunstiger is dan het stelsel waaronder hij voorheen verzekerd was. Dit probleem zou enkel kunnen worden opgelost door harmonisatie van de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten. Harmonisatie is echter op grond van het huidige EG-Verdrag niet haalbaar. De lidstaten staan zeer terughoudend tegen harmonisatiemaatregelen. Dit valt terug te voeren op de grote verscheidenheid van de stelsels, de verschillen in beleidstraditie en beleidscultuur en de welvaartsverschillen tussen de lidstaten.

Hieronder zal allereerst aandacht worden besteed aan de personele en materiële werkingssfeer van Verordening (EEG) nr. 1408/71. Daarna komen de belangrijkste coördinatieregels van deze Verordening aan de orde.

2.2. Werkingssfeer

2.2.1 personele werkingssfeer

Verordening (EEG) nr. 1408/71 is van toepassing op:

– werknemers of zelfstandigen en op studenten op wie de wetgeving van een of meer Lidstaten van toepassing is of is geweest en die onderdanen van een van de Lidstaten zijn;

– met onderdanen worden gelijkgesteld staatlozen en vluchtelingen, indien zij op het grondgebied van een van de Lidstaten wonen;

– hun gezinsleden;

– hun nagelaten betrekkingen.

Verder is de Verordening van toepassing op:

– nagelaten betrekkingen van een werknemer of zelfstandige en van een student, die zelf geen onderdaan van een van de Lidstaten was, en op wie de wetgeving van een van de Lidstaten van toepassing is geweest, mits zij zelf onderdaan van een van de Lidstaten zijn;

– ook hier worden met onderdanen gelijkgesteld staatlozen en vluchtelingen.

– Ambtenaren en de volgens de betrokken nationale wetgeving met hen gelijkgestelden worden in principe als werknemers behandeld.

Staat eenmaal vast dat een persoon onder de werkingssfeer van de Verordening valt, dan moet worden bekeken welke bepalingen van de Verordening in het concrete geval van toepassing zijn. Zo kunnen bijvoorbeeld gezinsleden alleen rechten ontlenen aan bepalingen die open zijn geformuleerd, d.w.z. bepalingen die niet specifiek gericht zijn op werknemers en zelfstandigen. Hierbij moet onder meer gedacht worden aan het verbod van discriminatie naar nationaliteit in artikel 3 van de Verordening. Een voorbeeld van bepalingen die specifiek zien op werknemers of zelfstandigen zijn de bepalingen over werkloosheid. Hier kunnen gezinsleden dus geen beroep op doen.

De Verordening is alleen van toepassing op werknemers, zelfstandigen, gezinsleden en nagelaten betrekkingen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. Meestal zal de verplaatsing verband houden met het uitoefenen van beroepsactiviteiten. Maar dat is geen noodzakelijke voorwaarde. Zo moet onder 'het zich verplaatsen binnen de Gemeenschap' bijvoorbeeld ook worden verstaan vakantie of familiebezoek in een andere Lid-Staat. Gezinsleden en nagelaten betrekkingen van werknemers en zelfstandigen kunnen aanspraak ontlenen aan de Verordening, ook al heeft de betrokken werknemer of zelfstandige geen gebruik gemaakt van het vrij verkeer. Het is dan wel nodig dat het gezinslid of de nagelaten betrekking in kwestie zijn woonplaats naar een andere lidstaat heeft verlegd.De Verordening is niet van toepassing in zuiver nationale situaties. Een voorbeeld hiervan is de zaak Petit. Petit was een Franstalige Belg die altijd in België gewoond en gewerkt had. Hij had verzocht om een door hem aanhangig gemaakte procedure voor de rechtbank in Brussel in het Frans te mogen voeren. Daartoe had hij onder meer een beroep gedaan op het discriminatieverbod in artikel 3 van de Verordening. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) overwoog dat alle relevante feiten in deze zaak in België hadden plaatsgevonden en dat er dus geen enkel aanknopingspunt met het gemeenschapsrecht aanwezig was. Daarom kon Petit geen beroep doen op de Verordening.

2.2.2 materiële werkingssfeer

Verordening (EEG) nr. 1408/71 is van toepassing op alle wettelijke regelingen van de Lidstaten betreffende de volgende takken van sociale zekerheid

a. prestaties bij ziekte en moederschap;

b. prestaties bij invaliditeit, met inbegrip van die tot instandhouding of verbetering van de verdiencapaciteit;

c. uitkeringen bij ouderdom;

d. uitkeringen aan nagelaten betrekkingen;

e. prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten;

f. uitkeringen bij overlijden;

g. werkloosheidsuitkeringen

h. gezinsbijslagen

Deze lijst is limitatief. Regelingen die niet onder een van deze risico's gerangschikt kunnen worden, vallen niet onder de materiële werkingssfeer van de Verordening. Dit betekent bijvoorbeeld dat vervroegde uittredingsregelingen niet onder de werkingssfeer van de Verordening vallen.

De Verordening is niet alleen van toepassing op de algemene stelsels, d.w.z. stelsels voor bijvoorbeeld werknemers of ingezetenen in het algemeen. Ook de bijzondere stelsels, zoals voor mijnwerkers (Algemeen Mijnwerkersfonds), vallen eronder. Evenmin is van belang dat er al of niet premies of bijdragen worden betaald. Uitkeringen die geheel uit de algemene middelen worden gefinancierd (bijvoorbeeld de TW, de IOAW en IOAZ) vallen dus onder het bereik van de Verordening.

Voorts is de Verordening van toepassing op de wettelijke verplichtingen van de werkgever met betrekking tot de hiervoor genoemde takken van sociale zekerheid. Wat Nederland betreft moet hierbij gedacht worden aan de verplichting die op grond van de Wulbz op de werkgever rust, om bij ziekte van de werknemer gedurende 52 weken het loon door te betalen.

Van de materiële werkingssfeer worden in de eerste plaats uitdrukkelijk uitgesloten de sociale en medische bijstand. Voor Nederland betekent dit dat de Verordening niet van toepassing is op de Algemene bijstandswet. Evenmin vallen onder de Verordening regelingen voor oorlogsslachtoffers (voor Nederland o.a. de Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers).

2.3 Coördinatieregels

De belangrijkste coördinatieregels van de Verordening zijn:

• het verbod van discriminatie naar nationaliteit;

• de verplichting tot export van uitkeringen met betrekking tot invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen of beroepsziekten, overlijden;

• het samentellen van tijdvakken van verzekering in de diverse lidstaten;

• het aanwijzen van een toepasselijke wetgeving ter voorkoming van wetsconflicten;

• het coördineren van berekeningswijzen van uitkeringen.

Hierna zal kort worden ingegaan op deze regels, met dien verstande dat het coördineren van berekeningswijzen van uitkeringen nader aan bod komt in paragraaf 3.3.2.

Het verbod van discriminatie naar nationaliteit

Degenen die op het grondgebied van één van de lidstaten wonen en op wie de Verordening van toepassing is, hebben recht op gelijkheid van behandeling ten aanzien van de wettelijke regelingen van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat. De bepaling inzake gelijke behandeling verbiedt niet alleen directe discriminatie maar ook indirecte discriminatie naar nationaliteit. Er is sprake van indirecte discriminatie naar nationaliteit wanneer onderscheid wordt gemaakt dat niet rechtstreeks is gebaseerd op het criterium nationaliteit maar op een schijnbaar neutraal criterium dat er in feite toe leidt dat vooral onderdanen van andere lidstaten worden getroffen. Een dergelijk onderscheid is verboden, tenzij hiervoor een rechtvaardigheidsgrond kan worden aangevoerd. Bovendien moet het gehanteerde middel (de nationale bepaling in kwestie) geschikt en noodzakelijk zijn om het ermee beoogde doel te bereiken. Criteria zoals de plaats van herkomst of de woonplaats van betrokkene kunnen uitwerken als een discriminatie naar nationaliteit.

De verplichting tot export van uitkeringen met betrekking tot invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen of beroepsziekten, overlijden

In veel lidstaten vervalt het recht op uitkering of uitbetaling van uitkering wanneer betrokkene op het grondgebied van een andere lidstaat woont of zich daar gaat vestigen. Dergelijke bepalingen kunnen het vrije verkeer van werknemers nadelig beïnvloeden. In de Verordening is daarom een regeling voorzien, op grond waarvan uitkeringen met betrekking tot invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen of beroepsziekten, overlijden moeten worden uitbetaald aan uitkeringsgerechtigden die wonen in een andere lidstaat.

Het samentellen van tijdvakken van verzekering in de diverse lidstaten

In veel nationale wetgevingen wordt het recht op uitkering en/of de duur ervan afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de aanvrager in dat land gedurende een bepaalde periode verzekerd is geweest, arbeid heeft verricht of in het betreffende land heeft gewoond. Zo moet in Nederland een werkloze, om in aanmerking te komen voor een loongerelateerde uitkering, in ten minste vier van de vijf kalenderjaren voorafgaande aan het jaar van werkloos worden over 52 of meer dagen loon hebben ontvangen. Een dergelijke bepaling werkt sterk ten nadele van migrerende werknemers. In de Verordening zijn bepalingen opgenomen welke voorschrijven dat tijdvakken in een andere lidstaat moeten worden meegeteld voor het vaststellen van een recht op uitkering.

In het voorbeeld van de werkloosheidsuitkering: indien iemand slechts een aantal weken in Nederland heeft gewerkt maar daarvoor gedurende vier jaar in Duitsland, moet hij worden behandeld alsof hij deze vier jaar in Nederland heeft gewerkt.

Het aanwijzen van een toepasselijke wetgeving ter voorkoming van wetsconflicten.

Teneinde te voorkomen dat op een migrerend persoon geen enkele wetgeving of juist meerdere wetgevingen tegelijkertijd van toepassing zijn, zijn in de Verordening zogenaamde aanwijsregels opgenomen. Deze regels bepalen welke nationale wetgeving in een bepaald geval toegepast moet worden. De aanwijzing van de socialezekerheidswetgeving van een lidstaat betekent niet dat een persoon ook daadwerkelijk verzekerd wordt ingevolge de sociale verzekeringswetten van die lidstaat. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van het nationale recht. Slechts de bepalingen die de verzekering doen afhangen van territoriale criteria moeten daarbij buiten beschouwing worden gelaten. Indien de toepasselijke wetgeving tot verzekering leidt is de bevoegde lidstaat ook bevoegd tot premieheffing. Deze heffing vindt plaats op basis van de tarieven en voorwaarden van de nationale wetgeving van dat land.

Bij de aanwijzing van de toepasselijke wetgeving wordt in de Verordening in het algemeen aangeknoopt bij de plaats van het verrichten van arbeid. Van toepassing is de wetgeving van de lidstaat waar de arbeid wordt verricht. Van deze hoofdregel wordt in een aantal gevallen afgeweken bijvoorbeeld wanneer een werknemer wordt gedetacheerd naar een andere lidstaat, of gelijktijdig in meerdere lidstaten werkzaamheden verricht. Daarnaast gelden aparte regels voor zeelieden, werknemers bij het internationaal vervoer en ambassadepersoneel.

3. PARAMETERS VOOR DE MODERNISERING EN VEREENVOUDIGING VAN VERORDENING (EEG) NR. 1408/71

3.1 Algemeen

In juli heeft het Belgische voorzitterschap ten behoeve van de onderhandelingen in de Raadswerkgroep sociale vraagstukken een eerste voorstel gedaan voor de formulering van parameters. Dit voorstel is vijf keer besproken in de Raadswerkgroep sociale vraagstukken. Daarnaast is tijdens de Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 8 oktober jl. een drietal parameters aan de orde geweest. U bent hierover geïnformeerd bij brief van 29 oktober jl. (IZ/BSB/01/71053). De besprekingen in de Raadswerkgroep sociale vraagstukken en de uitkomsten van de Raad hebben tot de nodige aanpassingen geleid.

De parameters kunnen worden omschreven als de door de Raad vastgestelde basisopties aan de hand waarvan de Verordening gemoderniseerd moet worden. Op basis van het hierover te bereiken akkoord zullen vervolgens de komende Spaanse en Deense voorzitterschappen tekstvoorstellen doen voor een (nieuwe) coördinatieverordening. Het is de bedoeling dat de conclusies met betrekking tot de parameters worden aangenomen tijdens de Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 3 december a.s.

Er zijn 12 parameters opgesteld.Twee soorten parameters worden onderscheiden: de algemene parameters, die in horizontale zin op de gehele verordening van toepassing zijn (bv de parameter m.b.t. de materiële en personele werkingssfeer van de Verordening), en de voor de verschillende categorieën uitkeringen geldende bijzondere parameters (bv de parameter m.b.t. het hoofdstuk werkloosheid).

3.2. Algemene parameters

3.2.1 Parameter 1 (doelstelling modernisering)

Volgens parameter 1 is het hoofddoel van modernisering van Verordening (EEG) nr. 1408/71 vereenvoudiging voor de burger zonder onevenredige complicaties voor de uitvoering.

Op ambtelijk niveau is overeenstemming bereikt over deze parameter.

toelichting

Verordening (EEG) nr. 1408/71 is sinds haar inwerkingtreding vele malen gewijzigd en bijgewerkt; zij moest niet alleen worden aangepast aan de ontwikkelingen in de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten maar ook aan jurisprudentie van het HvJ EG. Mede daardoor zijn de communautaire coördinatievoorschriften steeds uitgebreider en complexer geworden. Voor de burger heeft een en ander tot gevolg dat de voorschriften steeds minder gemakkelijk te begrijpen zijn. Het is dan ook noodzakelijk om de coördinatievoorschriften te vereenvoudigen. De vereenvoudiging ten behoeve van de burger mag er echter niet toe leiden dat de uitvoering voor onmogelijke opgaven worden geplaatst. Er zal een evenwicht moeten worden gevonden om de vereenvoudiging voor de burger administratief uitvoerbaar te maken.

3.2.2 Parameter 2 (personele werkingssfeer)

Parameter 2 houdt in dat de personele werkingssfeer van de Verordening moet worden uitgebreid tot alle personen die onder de socialezekerheidswetgeving van een lidstaat vallen.

toelichting

Parameter 2 betekent dat het coördinatiesysteem ook van toepassing wordt op personen die niet tot de «actieve» bevolking behoren, maar niettemin voor bepaalde aspecten zijn aangesloten bij een sociaalzekerheidsstelsel en gebruik kunnen maken van hun recht op vrij verkeer. Bovendien houdt de gebezigde formulering in dat de communautaire bepalingen van toepassing worden op onderdanen van derde landen die bij een socialezekerheidsstelsel in één van de lidstaten zijn aangesloten.

Reeds vele jaren wordt getracht de personele werkingssfeer van de Verordening uit te breiden tot niet-actieven en tot onderdanen van derde landen. Nederland is hier van meet af aan voorstander van geweest. De afgelopen maanden is gebleken dat één lidstaat nog steeds problemen heeft met het voorstel om onderdanen van derde landen onder de werkingssfeer van de Verordening te brengen. Ook dient nog een oplossing te worden gevonden voor de rechtsgrondslag van dit voorstel in het EG-verdrag. Over deze problematiek is de Kamer in de notitie «EU-socialezekerheidscoördinatie» van 8 juni 2000 geïnformeerd. Tijdens de Sociale Raad van 8 oktober jl. is aan Coreper een mandaat verstrekt om tot een akkoord over de rechtsgrondslag te komen. Intussen zal Nederland via bilaterale verdragen proberen de socialezekerheidspositie van derdelanders te verbeteren. Thans komen in de (ontwerp) verdragen die Nederland met Duitsland, Oostenrijk en VK heeft gesloten bepalingen voor op grond waarvan Verordening (EEG) nr. 1408/71 van toepassing wordt verklaard op derde landers die zich vanuit deze landen naar Nederland begeven en vice versa.

3.2.3 Parameter 3 (materiële werkingssfeer)

Parameter 3 houdt in dat ook in de nieuwe Verordening een limitatieve opsomming wordt opgenomen van de typen regelingen die onder de werkingssfeer van de Verordening vallen.Verder houdt deze parameter in dat wettelijke VUT-regelingen onder de werkingssfeer van de Verordening worden gebracht; CAO regelingen vallen enkel onder de werkingssfeer van de Verordening indien lidstaten daartoe een verklaring afleggen.

Op ambtelijk niveau is overeenstemming bereikt over deze parameter.

toelichting

In de huidige Verordening is een limitatieve opsomming opgenomen van de typen regelingen die onder de werkingssfeer van de Verordening vallen. Voor Nederland betekent dit dat de Verordening betrekking heeft op alle wettelijke sv-regelingen. De Commissie had voorgesteld geen limitatieve opsomming meer op te nemen. Daarnaast had de Commissie voorgesteld VUT- en CAO regelingen onder de materiële werkingssfeer van de Verordening te brengen.

Verschillende lidstaten, waaronder Nederland, hebben aangegeven dat een niet-limitatieve lijst een grote mate van onzekerheid zou creëren voor zowel lidstaten als voor uitvoeringsinstellingen en burgers en aanleiding zou geven tot veel jurisprudentie. Vandaar dat ervoor gekozen is om ook in de nieuwe Verordening een limitatieve lijst op te nemen.

Wat betreft de uitbreiding met VUT en CAO-regelingen is door het voorzitterschap tegemoet gekomen aan onder meer Nederlandse bezwaren terzake. Uitgangspunt voor Nederland is altijd geweest dat het coördinatiemechanisme alleen betrekking zou moeten hebben op wettelijke stelsels en niet op regelingen die voortkomen uit afspraken tussen werkgevers en werknemers. Bij de Nederlandse opstelling terzake heeft ook meegespeeld dat de STAR, het Lisv en de SVB het niet wenselijk achten dat CAO- en (niet wettelijke) VUT-regelingen onder de materiële werkingssfeer van de Verordening worden gebracht.

3.2.4 Parameter 4 (export van uitkeringen)

Volgens parameter 4 moet het exporteren van uitkeringen worden gewaarborgd, al kunnen naar behoren gemotiveerde en nauwkeurig omschreven uitzonderingen toegestaan zijn. Hierbij moet men name gedacht worden aan prestaties die nauw gerelateerd zijn aan de sociale context van een bepaalde lidstaat (de «niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties van het gemengde type»), of slechts binnen bepaalde grenzen of in bepaalde omstandigheden exporteerbaar mogen zijn (werkloosheidsuitkeringen).

Op ambtelijk niveau is overeenstemming bereikt over deze parameter.

toelichting

Zoals hiervoor onder 2.3 is aangegeven moeten uitkeringen met betrekking tot invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen of beroepsziekten, overlijden worden uitbetaald aan uitkeringsgerechtigden die wonen in een andere lidstaat. Regelingen die onder de materiële werkingssfeer van de Verordening vallen, maar die worden gefinancierd uit rijksbijdragen (de «niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties van gemengde aard»), kunnen worden uitgezonderd van de algemene exportverplichting binnen de EU. De lidstaten moeten deze prestaties dan wel eerst op een aparte bijlage, bijlage IIbis, vermelden. De Wajong is op bijlage IIbis geplaatst. Voorts is een verzoek ingediend om de Toeslagenwet op deze bijlage te plaatsen. Ook in de nieuwe Verordening blijft het dus mogelijk om prestaties zoals de Wajong en de TW van de exportverplichting uit te zonderen. Overigens heeft de Commissie onlangs alle regelingen die op bijlage IIbis zijn geplaatst nader onderzocht. De Commissie is van mening dat tal van regelingen ten onrechte op de bijlage staan vermeld. Ten aanzien van de Wajong en de TW merkt de Commissie op dat plaatsing op de bijlage gerechtvaardigd lijkt.

Wat betreft de export van werkloosheidsheidsuitkeringen: hierop wordt in paragraaf 3.3.3. teruggekomen.

3.2.5 Parameter 5 (toepasselijke wetgeving)

Parameter 5 houdt in dat men slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen is, die in beginsel voor de tot de beroepsbevolking behorende personen de staat is op het grondgebied waarvan deze hun werkzaamheden uitoefenen, en voor de niet tot de beroepsbevolking behorende personen, de staat waarin zij wonen. Er moeten goed uitgebalanceerde bijzondere regels worden opgesteld voor detacheringen en gevallen waarin gelijktijdig werkzaamheden op het grondgebied van verschillende lidstaten worden uitgeoefend. Hetzelfde geldt voor zeer specifieke uitzonderingen en voor de mogelijkheid voor de lidstaten om in onderlinge overeenstemming en in het belang van betrokkenen uitzonderingen op de aanwijsregels vast te stellen.

Op ambtelijk niveau is overeenstemming bereikt over deze parameter.

toelichting

De hier weergegeven principes zijn grotendeels in overeenstemming met de huidige Verordeningsbepalingen. Nieuw en conform het voorstel van de Commissie is dat alle personen op wie de Verordening van toepassing is onderworpen zijn aan de wetgeving van één enkele lidstaat en dat uitzonderingen op dit beginsel niet langer gerechtvaardigd lijken. Het beginsel van één toepasselijke wetgeving beantwoordt het beste aan de behoefte aan duidelijkheid voor betrokkenen en uitvoering. In de huidige Verordening is in een tweetal bepalingen een uitzondering op het beginsel dat maar één wetgeving van toepassing is neergelegd. Een van deze bepalingen, artikel 14 quater sub b, ziet op personen die gelijktijdig werkzaamheden in loondienst en anders dan in loondienst op het grondgebied van verschillende lidstaten uitoefenen. In dat geval zijn er twee wetgevingen van toepassing, namelijk enerzijds de wetgeving van de lidstaat waar de werkzaamheden in loondienst worden verricht, voorzover het de werkzaamheden in loondienst betreft en anderzijds de wetgeving van de lidstaat waar de werkzaamheden anders dan in loondienst worden uitgeoefend, uitsluitend voorzover het die laatste werkzaamheden betreft. Enige tijd geleden is aan het HvJ EG de vraag voorgelegd naar de verenigbaarheid van artikel 14 quater sub b met artikel 39 en 43 EG. In zijn conclusie komt de Advocaat-Generaal tot het oordeel dat artikel 14 quater sub b een belemmering vormt voor het vrij verkeer van werknemers en van diensten, waarvoor geen rechtvaardiging aanwezig is. De AG is derhalve van mening dat artikel 14 quater sub b wegens strijdigheid met de artikelen 39 en 43 EG ongeldig zou moeten worden verklaard. Het is momenteel nog niet bekend wanneer het HvJ EG arrest zal wijzen.

In de huidige Verordening is bepaald dat zeelieden die werken aan boord van een zeeschip dat vaart onder de vlag van een lidstaat, onderworpen zijn aan de wetgeving van die lidstaat (het zogenaamde vlagcriterium). Voor een aantal categorieën zeelieden wordt van deze hoofdregel afgeweken. Zo wordt voor werknemers die in hetzelfde land wonen als waar de werkgever is gevestigd, de wetgeving van hun woonland aangewezen. De Commissie had voorgesteld de afwijkende aanwijsregels voor zeelieden te laten vervallen. Door Nederland is, mede naar aanleiding van adviezen van het Lisv, de STAR en de sociale partners in de bouw terzake, aangegeven dat niet kan worden ingestemd met dit voorstel. Bovengenoemde parameter laat ruimte voor handhaving van de afwijkende aanwijsregels.

3.2.6 Parameter 6 (verhouding bilaterale verdragen en Verordening (EEG) nr. 1408/71)

Volgens parameter 6 komt de Verordening binnen de grenzen van haar werkingssfeer in beginsel in de plaats van tussen de lidstaten afgesloten overeenkomsten. De lidstaten behouden echter de mogelijkheid tot het sluiten van onderlinge overeenkomsten die gebaseerd zijn op de beginselen en de geest van de Verordening. Bestaande overeenkomsten kunnen worden toegepast als ze gunstiger uitpakken voor betrokkene, of als ze betrekking hebben op specifiek historische omstandigheden en voor een in de tijd beperkte periode van kracht zijn.

Op ambtelijk niveau is overeenstemming bereikt over deze parameter.

toelichting

De Commissie had voorgesteld dat de Verordening wat haar werkingssfeer betreft in de plaats treedt van elk verdrag inzake sociale zekerheid. Alle lidstaten waren tegen dit voorstel. Veelal zal toepassing van de Verordening voor de migrerende werknemer gunstiger zijn dan toepassing van bestaande bilaterale overeenkomsten. Maar dit is niet altijd het geval. Zo geven bijvoorbeeld diverse overeenkomsten die Nederland met andere EU-lidstaten heeft gesloten voor de toelating tot de vrijwillige verzekering AOW gunstiger regels dan de Verordening. Dergelijke overeenkomsten moeten kunnen worden gehandhaafd. Wat betreft bestaande overeenkomsten die betrekking hebben op specifiek historische omstandigheden: tussen Nederland en Duitsland bestaat een overeenkomst betreffende de regeling van aanspraken die door Nederlandse werknemers tussen 13 mei 1940 en 1 september 1945 op grond van de Duitse sociale verzekering zijn verkregen. Handhaving van een dergelijke overeenkomst is eveneens gerechtvaardigd.

Vaak bestaat tussen lidstaten de behoefte aan het sluiten van nieuwe overeenkomsten ter regeling van bilaterale problemen op het gebied van de sociale zekerheid. Bijvoorbeeld met betrekking tot meer gedetailleerde afspraken inzake handhaving. Conform de huidige Verordening behouden de lidstaten de mogelijkheid nieuwe overeenkomsten te sluiten, mits deze maar berusten op de geest en beginselen van de Verordening.

3.2.7 Parameter 7 (gelijkstellingen feiten en gebeurtenissen)

Parameter 7 houdt in dat in beginsel feiten of gebeurtenissen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat voordoen hetzelfde rechtsgevolg zouden moeten hebben als feiten of gebeurtenissen die zich op het grondgebied van de bevoegde lidstaat voordoen; dit beginsel moet gelden volgens bijzondere bepalingen die in elk specifiek hoofdstuk van de Verordening moeten worden vastgesteld.

Op ambtelijk niveau is overeenstemming bereikt over deze parameter.

toelichting

In verschillende zaken heeft het HvJ EG zich moeten uitlaten over de vraag in hoeverre andere feiten of gebeurtenissen dan de uitdrukkelijk geregelde gevallen in de Verordening in aanmerking moeten worden genomen door een lidstaat als waren zij voorgevallen op het grondgebied van die lidstaat. Mede in verband hiermee had de Commissie voorgesteld om aan de titel «Algemene bepalingen» een bepaling toe te voegen welke inhield dat lidstaten met feiten en gebeurtenissen die in een lidstaat hebben plaatsgevonden rekening houden alsof deze op het eigen grondgebied hebben plaatsgevonden. De voorgestelde formulering liet geen enkele rechtvaardiging toe voor een eventueel niet in aanmerking nemen van een bepaalde gebeurtenis in een lidstaat. De meeste lidstaten, waaronder Nederland, vonden deze bepaling te expansief geformuleerd. Zo zou het voorstel er bijvoorbeeld toe leiden dat de Nederlandse bevoegde instelling geen enkele mogelijkheid meer zou hebben om af te wijken van een feitenweergave van een buitenlandse instantie (o.a. van belang bij WAO-keuringen). Het voorstel van de Commissie is dan ook aangepast. Het beginsel van gelijkstelling van feiten en gebeurtenissen zal in een algemene bepaling worden neergelegd; uitwerking van dit beginsel vindt in bijzondere bepalingen plaats.

3.3. Bijzondere parameters

3.3.1. Parameter 8 (ziekte en moederschap)

Parameter 8 bevat vier uitgangspunten op het terrein van de ziektekostenverzekeringen. De vier uitgangspunten betreffen de afrekeningsmodaliteiten tussen lidstaten voor aan elkaars verzekerden verleende zorg, de invloed van jurisprudentie van het HvJ EG op het gebied van de vrij verkeersbepalingen op de inrichting van de nationale stelsel van ziektekostenverzekeringen, het creëren van de mogelijkheid voor gepensioneerde grensarbeiders om na hun pensioen een ingezette behandeling voort te kunnen blijven zetten in hun voormalige werkland en het bewerkstelligen van een meer gelijkmatige verdeling van de lasten van verstrekkingen aan gepensioneerden.

toelichting

Het eerste uitgangspunt betreft de afrekeningsmodaliteiten tussen lidstaten. In de huidige Verordening kunnen de lidstaten de aan elkaars verzekerden verleende zorg afrekenen op basis van werkelijke kosten of op basis van gemiddelde kosten. Onder meer om redenen van vereenvoudiging voorzag de Commissie in haar voorstel slechts in de mogelijkheid om op basis van werkelijk gemaakte en aantoonbare kosten af te rekenen. Voor een aantal lidstaten, waaronder Nederland, was dit voorstel onaanvaardbaar omdat de kosten niet in alle gevallen of helemaal niet geïndividualiseerd kunnen worden. Consequentie van het Commissievoorstel zou zijn dat deze niet te individualiseren kosten voor rekening zouden blijven van de desbetreffende lidstaat. Naar aanleiding van deze bezwaren is het voorstel van de Commissie aangepast. Thans voorziet het voorstel in de mogelijkheid voor lidstaten om in de daarvoor in aanmerking komende gevallen, onder meer bij juridische of administratieftechnische problemen, af te rekenen op basis van gemiddelde kosten.

Het tweede uitgangspunt vloeit voort uit de recente jurisprudentie van het HvJ EG. Na indiening van het Commissievoorstel heeft het HvJ EG, wat het onderwerp ziekte en moederschap betreft, een aantal belangrijke arresten gewezen (C-157/99 Smits/Peerbooms, C-368/98 Vanbraekel). Uit deze arresten kan worden geconcludeerd dat jurisprudentie op het gebied van de interne markt een belangrijke, zo niet doorslaggevende rol, vervult bij de invulling van de nationale bevoegdheid van lidstaten om hun stelsel van gezondheidszorg naar eigen goeddunken in te richten. Dit gegeven heeft er toe geleid dat parameter 8 oproept om de wenselijkheid te bezien van aanpassingen van de Verordening in het licht van de genoemde jurisprudentie.

Het derde uitgangspunt betreft het inroepen van medische zorg door gepensioneerde grensarbeiders in hun voormalige woonland. In de huidige Verordening heeft de grensarbeider een keuzerecht wat het inroepen van medische zorg betreft. De zorg kan naar keuze in het woonland of in het werkland worden ingeroepen. Na pensionering verliest de grensarbeider dit keuzerecht en is hij aangewezen op de medische zorg in zijn woonland. In het Commissievoorstel werd voorzien in de uitbreiding van genoemd keuzerecht voor de categorieën gezinsleden van grensarbeiders en gepensioneerde grensarbeiders. Vanwege het geringe draagvlak bij de lidstaten voor een dergelijke ruime uitbreiding is de uitbreiding thans beperkt tot de voortzetting nà het pensioen van de grensarbeider van vóór het pensioen aangevangen behandelingen.

Tenslotte bevat parameter 8 het uitgangspunt om te komen tot een meer gelijkmatige verdeling van de kosten verbonden aan de verstrekkingen aan gepensioneerden dan op grond van de huidige Verordening het geval is. In de Verordening komen thans de kosten van dergelijke verstrekkingen aan gepensioneerden, die een pensioen ontvangen uit verschillende lidstaten waaronder dat van het woonland, immers uitsluitend ten laste van het laatstgenoemde staat. Ook al keert deze staat slechts een klein pensioen uit.

3.3.2 Parameter 9 (invaliditeit, ouderdoms- en nabestaandenpensioenen, arbeidsongevallen en beroepsziekten alsmede uitkeringen bij overlijden)

Volgens parameter 9 moeten de grondbeginselen van de hoofdstukken invaliditeit, ouderdoms- en nabestaandenpensioenen, arbeidsongevallen en beroepsziekten alsmede uitkeringen bij overlijden voorlopig worden gehandhaafd. De tekst van de bepalingen moet echter worden vereenvoudigd. Een en ander betekent dat de Verordening met betrekking tot de berekening van invaliditeits/arbeidsongeschiktheidsuitkeringen een risicostelsel-coördinatiesysteem en een opbouwstelsel-coördinatiesysteem blijft bevatten.

Op ambtelijk niveau is overeenstemming bereikt over deze parameter.

toelichting

De Commissie heeft getracht deze hoofdstukken te vereenvoudigen door onder meer eenvoudigweg een aantal bepalingen te schrappen. Dit zou op een aantal gebieden leiden tot een aanzienlijke vermindering van rechten van migrerende werknemers. Er is dan ook veel kritiek gekomen op het voorstel van de Commissie. Bovendien zijn de bepalingen van de hoofdstukken invaliditeit en ouderdoms- en nabestaandenpensioenen in 1992 gewijzigd en vereenvoudigd waarbij in aanmerking is genomen de uitgebreide jurisprudentie van het HvJ EG terzake. Sinds deze wijziging hebben zich geen grote problemen voorgedaan; ook zijn de grondbeginselen niet aangevochten bij het HvJ EG. Er werd dan ook geen noodzaak gevoeld om de grondbeginselen van de hoofdstukken te wijzigen.

Met betrekking tot de berekening van invaliditeits/arbeidsongeschiktheidsuitkeringen blijft de Verordening een risicostelsel-coördinatiesysteem en een opbouwstelsel-coördinatie-systeem bevatten. De Commissie had voorgesteld het risicostelsel coördinatiesysteem te laten vervallen. Risicostelsels zijn stelsels waarbij het bedrag van de uitkering onafhankelijk is van de duur van de verzekeringstijdvakken. Voor het recht op uitkering wordt de eis gesteld dat betrokkene op de datum van de verzekerde gebeurtenis verzekerd is. Een voorbeeld van een dergelijk systeem is de WAO. Opbouwstelsels zijn stelsels waarbij het bedrag van de uitkering afhankelijk is van het aantal jaren dat betrokkene verzekerd is geweest. Betrokkene hoeft op de datum van de gebeurtenis niet verzekerd te zijn.

Weliswaar vertoont de WAO een bepaald opbouwaspect. De duur van de loongerelateerde uitkering is immers afhankelijk van de leeftijd van de belanghebbende op het moment van toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Hoe ouder, hoe langer die duur is. Dit opbouwaspect maakt de WAO echter niet tot een opbouwstelsel in de zin van de Verordening.

Het risicostelsel-coördinatiesysteem is van toepassing, wanneer betrokkene gedurende zijn arbeidsverleden uitsluitend verzekerd is geweest krachtens risicostelsels. Betrokkene heeft dan recht op een uitkering volgens de wetgeving van de Lid-Staat waaraan hij onderworpen was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid is ontstaan. Indien betrokkene gedurende zijn arbeidsverleden tenminste in één land verzekerd is geweest krachtens een opbouwstelsel is het opbouwstelsel-coördinatiesysteem van toepassing. Betrokkene heeft dan recht op een zogenaamd pro-rata pensioen. Elke lidstaat waar betrokkene verzekerd is of verzekerd is geweest draagt voor een deel bij aan de totale invaliditeits/arbeids-ongeschiktheidsuitkering. Dit deel is gerelateerd aan de lengte van de verzekering in dat land.

Volgens de Commissie zou er zou alleen nog maar moeten worden uitgegaan van een opbouwstelsel-coördinatiesysteem. Dat zou betekenen dat als iemand aan de wetgeving van twee of meer lidstaten onderworpen is geweest, de uitkeringen uit hoofde van die wetgevingen zouden worden toegekend naar rato van de tijdvakken die onder elke wetgeving zijn vervuld. Nederland was een voorstander van dit voorstel. Bij het risicostelsel-coördinatiesysteem kan het namelijk voorkomen dat een lidstaat het gehele invaliditeits/arbeidsongeschiktheidspensioen moet uitkeren, terwijl er hoofdzakelijk premie is betaald in een andere lidstaat.

Een voorbeeld ter verduidelijking: iemand heeft 20 jaar in België gewerkt en gaat vervolgens in Nederland werken. Nadat hij drie jaar in Nederland heeft gewerkt, raakt hij arbeidsongeschikt. Aangezien zowel de WAO als de Belgische invaliditeitsverzekering risicostelsels zijn, dient Nederland de gehele uitkering te betalen.

Bij het opbouwstelselcoördinatiesysteem daarentegen is de uitkering wel gerelateerd aan de betaalde premie.

Een voorbeeld ter verduidelijking: iemand heeft 3 jaar in Nederland gewerkt en gaat vervolgens in Duitsland werken. Nadat hij 20 jaar in Duitsland heeft gewerkt, raakt hij arbeidsongeschikt. Aangezien de Duitse arbeidsongeschiktheidsverzekering een opbouwstelsel is, draagt Duitsland voor 20/23 en Nederland voor 3/23 bij aan de totale uitkering.

Dit systeem zou derhalve een betere financiële verdeling van uitkeringslasten over de betrokken lidstaten tot gevolg hebben. Aangezien de wijze van berekening van de uitkeringen krachtens het opbouwstelsel-coördinatiesysteem arbeidsintensiever is dan die volgens het risicostelsel-coördinatiesysteem stuitte het voorstel van de Commissie op verzet.

3.3.3 Parameter 10 (werkloosheid)

Volgens parameter 10 moet het hoofdstuk werkloosheid worden uitgebreid met de in bepaalde lidstaten bestaande regelingen voor zelfstandigen. Daarnaast moet werklozen het recht worden gegarandeerd om in de Unie actief naar werk te kunnen zoeken met behoud van werkloosheidsuitkering gedurende een periode van tenminste drie maanden. Voorts moeten de prestaties die de werkloze door de Verordening worden geboden, beperkt blijven tot uitkeringen.

Over deze onderdelen van de parameter is op ambtelijk niveau overeenstemming bereikt. Oorspronkelijk was ook voorgesteld om volledig werkloze grensarbeiders aanspraak te geven op een werkloosheidsuitkering van zijn laatste werkland, in plaats van zijn woonland (zoals thans gebruikelijk). Diverse lidstaten waaronder Nederland zijn hierop tegen. Momenteel beraadt het voorzitterschap zich op een nieuwe tekst.

toelichting

Zoals hiervoor onder 2.3 is aangegeven zijn in de Verordening bepalingen opgenomen welke voorschrijven dat tijdvakken in een andere lidstaat moeten worden meegeteld voor het vaststellen van een recht op uitkering. Ook in het hoofdstuk werkloosheid komt een dergelijke bepaling voor. Deze ziet echter niet op tijdvakken welke als zelfstandige zijn vervuld. Door uitbreiding van het hoofdstuk werkloosheid met regelingen voor zelfstandigen dienen lidstaten die een werkloosheidsverzekering voor zelfstandigen kennen (zoals bv Denemarken en Finland) bij de vaststelling van het recht op uitkering elders vervulde verzekeringstijdvakken als zelfstandige in aanmerking te nemen.

Wat betreft de export van een werkloosheidsuitkering op grond van artikel 69 van de Verordening: de Commissie had een wijziging van deze bepaling voorgesteld inhoudende dat een werkloze die zich naar een andere lidstaat begeeft om daar werk te zoeken in plaats van de huidige drie maanden, over zes maanden na zijn vertrek recht heeft op een werkloosheidsuitkering. Verschillende lidstaten, waaronder Nederland, wensen echter de uitkomsten van het onderzoek naar de effectiviteit van deze bepaling af te wachten, alvorens een nader standpunt over de lengte van de termijn in te nemen.

De Commissie had voorgesteld dat werklozen die naar een andere lidstaat gaan om werk te zoeken, in die lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen gebruik kunnen maken van andere voorzieningen die de lidstaat bij werkloosheid biedt dan uitkeringen, en die bedoeld zijn om het vinden van werk te vergemakkelijken. Verschillende lidstaten, waaronder Nederland, achtten dit voorstel niet wenselijk. Hierbij werd onder meer aangevoerd dat voorzieningen bedoeld om het vinden naar werk te vergemakkelijken in belangrijke mate bedoeld zijn om het beroep op de werkloosheidsregelingen te verminderen. Het betreft hier echter personen die in het land waar ze werk zoeken geen beroep doen op een werkloosheidsuitkering. Ze ontvangen immers een uitkering van een ander land.

3.3.4 Parameter 11 (gezinsbijslagen)

Volgens parameter 11 moeten in het hoofdstuk gezinsbijslagen regels worden opgenomen waarbij wordt gegarandeerd dat naar het model van de huidige voor werknemers geldende regels aan alle begunstigden de hoogste toelagen worden geboden.

toelichting

In de huidige Verordening zijn in hoofdstuk 7 bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de toekenning van gezinsbijslagen aan actieve werknemers en zelfstandigen en aan werklozen die een werkloosheidsuitkering ontvangen. Onder gezinsbijslagen moet worden verstaan alle verstrekkingen en uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten. Gezinsbijslagen aan werknemers en zelfstandigen worden verleend door het orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving volgens de aanwijsregels van titel II van de Verordening is aangewezen. Zoals eerder onder 2.3 is aangegeven houdt de hoofdregel van titel II in dat van toepassing is de wetgeving van de lidstaat waar de werkzaamheden worden verricht. Gezinsbijslagen aan werklozen worden verleend door het orgaan van de lidstaat dat de werkloosheidsuitkeringen heeft toegekend. De bijslagen moeten worden toegekend ongeacht of de gezinsleden van betrokkenen op het grondgebied van de tot uitkering bevoegde lidstaat wonen. Er kan als gevolg van verschillende oorzaken (werken in het ene land en wonen in een ander land) recht bestaan op gezinsbijslagen onder twee verschillende wetgevingen. In verband hiermee is in de Verordening bepaald dat in totaal slechts een bedrag kan worden ontvangen dat gelijk is aan het hoogst bereikbare bedrag onder de betrokken wetgevingen. Voorbeeld: vader werkt in Duitsland en woont met vrouw en kinderen in Nederland. In beide landen bestaat dan in beginsel recht op kinderbijslag. De Duitse bijslag heeft voorrang op de Nederlandse omdat een uit hoofde van beroepswerkzaamheden verkregen recht voorrang heeft op een recht dat alleen op basis van ingezetenschap is verkregen. Stel dat de Nederlandse bijslag hoger is dan de Duitse, dan moet Nederland het verschil bijbetalen.

In hoofdstuk 8 van de Verordening zijn bepalingen opgenomen over de toekenning van kinderbijslagen aan pensioen- en rentetrekkers. Onder kinderbijslagen moet worden verstaan de periodieke uitkeringen die uitsluitend op grond van het aantal gezinsleden en eventueel hun leeftijd worden toegekend. Dit is een minder ruim begrip dan het begrip gezinsbijslagen. De pensioen- en rentetrekker die slechts één pensioen geniet heeft recht op bijslagen van de lidstaat die het pensioen toekent. Ontvangt hij meer pensioenen dan wordt aan de hand van zg. prioriteitsregels bepaald van welke lidstaat hij bijslagen ontvangt. Zo ontvangt de pensioen- en rentetrekker bijvoorbeeld bijslagen van zijn woonstaat indien één van de pensioenen die hij ontvangt van zijn woonstaat is. De regels in hoofdstuk 8 moeten los worden gezien van de aanwijsregels in titel II van de Verordening. Het kan dan ook voorkomen dat volgens de regels in hoofdstuk 8 een lidstaat bijslagen moet verlenen ook al is de wetgeving van die lidstaat volgens de aanwijsregels niet op betrokkene van toepassing en ook al is hij daar om die reden niet verzekerd. Het HvJ EG heeft een aanvullingsrecht gecreëerd wanneer andere lidstaten dan de lidstaat waarvan de wetgeving is toegewezen een hoger bedrag aan kinderbijslag toekennen. Concreet: een gepensioneerde woont in Italië en ontvangt een pensioen uit Italië en België. Hij ontvangt dan bijslagen van zijn woonstaat Italië. Wanneer echter de Italiaanse bijslagen lager uitvallen dan de Belgische moet België een aanvulling op de Italiaanse bijslagen verlenen. Pensioen- of rentetrekkers hebben slechts recht op export van kinderbijslagen en dus niet gezinsbijslagen.

Op grond van parameter 11 worden de relevante bepalingen van hoofdstuk 8 ondergebracht in hoofdstuk 7. Een en ander betekent dat ook pensioen- en rentetrekkers aanspraak kunnen maken op het bredere begrip gezinsbijslagen. Twee lidstaten verzetten zich hier vooralsnog tegen.Verder heeft een en ander tot gevolg dat ook in het geval van pensioen- en rentetrekkers aan de hand van de aanwijsregels van titel II van de Verordening wordt bepaald welke lidstaat bijslagen verleend. In 1991 is aan de aanwijsregels van titel II een bepaling toegevoegd inhoudende dat op pensioen- en rentetrekkers in beginsel de wetgeving van het woonland van toepassing is. Zoals uit het voorgaande blijkt komt de systematiek van de relevante bepalingen in hoofdstuk 8 hier niet mee overeen. Bovengenoemde parameter moet daaraan een einde maken.

3.3.5 Parameter 12 (overgangsrecht)

Parameter 12 houdt in dat er overgangsbepalingen moeten worden vastgesteld om de door betrokkenen verworven gunstiger rechten te waarborgen.

Op ambtelijk niveau is overeenstemming bereikt over deze parameter.

Het hier weergegeven principe is in overeenstemming met de huidige Verordening en dusdanig duidelijk dat deze geen nadere toelichting behoeft.

Naar boven