Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | 21501-18 nr. 154 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | 21501-18 nr. 154 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 september 2001
Hierbij zend ik u de Geannoteerde Agenda ten behoeve van de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 8 oktoberaanstaande. Deze agenda zal tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamer op 4 oktober aanstaande worden besproken.
Het verslag van de informele Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 6 en 7 juli 2001 te Luik heb ik u reeds eerder toegezonden.
Tevens kan ik u melden dat u spoedig (na de bespreking in de Ministerraad) separaat het Kabinetsstandpunt met betrekking tot het Werkgelegenheidspakket van de Europese Commissie ontvangt.
Geannoteerde Agenda voor de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 8 oktober 2001 te Luxemburg
Op 8 oktober a.s. wordt onder Belgisch voorzitterschap een Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal beleid gehouden. De Raad zal onderbroken worden voor een bijeenkomst van het Permanent Comité Arbeidsmarktvraagstukken. In het PCA zal gesproken worden over het Werkgelegenheidspakket van de Europese Commissie en de voorstellen omtrent de Kwaliteit van de Arbeid. Op de Raad komen de onderstaande onderwerpen aan de orde.
a) richtlijn in aanvulling op het Statuut van de Europese Vennootschap over de betrokkenheid van werknemers
b) verordening over het Statuut van de Europese Vennootschap
Documenten:
| Aard van de bespreking: | aanneming. |
Na een onderhandelingsperiode van in totaal ruim 30 jaar kan de Raad de beide genoemde voorstellen nu aanvaarden. Het voorzitterschap heeft ervoor gekozen, de ontwerpverordening (het statuut) en de ontwerp-richtlijn (rol werknemers) gezamenlijk op de Sociale Raad van 8 oktober formeel te laten vaststellen. Hiermee wordt een van de taaiste Europese dossiers tot een goed einde gebracht.
De verordening creëert een uniform wettelijk kader voor de lidstaten zodat alle vennootschappen langs dezelfde weg hun werkzaamheden op gemeenschapsniveau kunnen opzetten en uitvoeren.
Volgens de richtlijn, die straks in de lidstaten moet worden geïmplementeerd, dient de werkgever bij de oprichting van een SE met een vertegenwoordiging van werknemers tot een akkoord te komen over de wijze waarop de medezeggenschap vorm krijgt. Dit hoeft niet indien geen van de deelnemende vennootschappen voor oprichting van de SE aan participatievoorschriften was onderworpen. Indien beide partijen niet binnen een redelijke termijn tot overeenstemming kunnen komen treden automatisch de vangnetbepalingen in werking, die een basisvorm van medezeggenschap garanderen.
Het voorstel is gebaseerd op het politiek akkoord, bereikt tijdens de Raad van 20 december 2000. Conform de destijds gemaakte afspraken heeft het Europees Parlement opnieuw advies uitgebracht.
Nederland heeft totstandkoming van een Europees Vennootschap inclusief regels voor de betrokkenheid van werknemers altijd ondersteund en is dan ook verheugd over de totstandkoming van statuut en richtlijn. Om de implementatie van het statuut voor de SE in de lidstaten te begeleiden wordt voorgesteld een comité van experts in te stellen. Nederland ondersteunt dat voornemen.
2. Werkgelegenheidspakket najaar 2001
• Gezamenlijk Rapport voor de Werkgelegenheid 2001
• Richtsnoeren voor de werkgelegenheid 2002
• Aanbevelingen voor de lidstaten
| Documenten: | COM (2001) 438 |
| COM (2001) 511 | |
| COM (2001) 512 | |
| Aard van de bespreking: | oriënterend debat. |
De Raad zal een eerste oriënterend debat voeren over het werkgelegenheidspakket. Het pakket bestaat, zoals gebruikelijk, uit drie delen. Het Gezamenlijk Rapport voor de Werkgelegenheid gaat in op de voortgang van de lidstaten op het gebied van werkgelegenheid en is grotendeels gebaseerd op de Nationale Actieplannen (NAP) Werkgelegenheid van de lidstaten. De richtsnoeren bevatten de aanbevelingen, waarmee de lidstaten rekening dienen te houden bij het vaststellen van hun nationale werkgelegenheidsbeleid. Tenslotte bevat het pakket specifieke aanbevelingen per lidstaat.
Het voortouw voor het behandelen van het Werkgelegenheidspakket ligt bij de Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid. Het pakket zal ook behandeld worden tijdens de Raad EcoFin en de Onderwijsraad. De ambtelijke voorportalen, respectievelijk het Werkgelegenheidscomité (EMCO) en het Comité voor Economische Politiek (EPC), zullen ernaar streven de Raad gezamenlijk te adviseren. Op 3 december zal tijdens de vergadering van de Raad WSB de behandeling afgerond worden. De Raad zal de aanbevelingen voor de lidstaten en de Werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 2002 vaststellen nadat ze zijn voorgelegd aan de Europese Raad van Laken.
In het Gezamenlijk Rapport voor de Werkgelegenheid geeft de Commissie aan positief te zijn over het Nederlandse beleid. Daarbij wordt gewezen op de hoge participatiegraad (73,2%) en de lage werkloosheid. Ook wordt vermeld dat de arbeidsparticipatie van ouderen inmiddels boven het Europees gemiddelde ligt (waar dit jarenlang er substantieel onder heeft gelegen).
De Commissie noemt voor Nederland twee aandachtspunten waaraan Nederland nog zou kunnen werken, te weten:
1. op het gebied van de WAO zou Nederland naast het verkleinen van de instroom, ook de reïntegratie van mensen in de WAO moeten verbeteren.
2. op het gebied van de armoedeval zou Nederland de opeenstapeling van inkomensafhankelijke subsidies moeten aanpakken om het arbeidsaanbod te vergroten en de inactiviteit te verkleinen. De lokale inkomensondersteuning wordt daarbij specifiek genoemd.
Met twee aanbevelingen is Nederland, samen met Denemarken het land met de minste aanbevelingen.
Nederland onderschrijft de analyse van de Commissie. Om de doelstellingen van Lissabon en Stockholm te kunnen realiseren zal in de lidstaten blijvend aandacht gegeven moeten worden aan beleid gericht op het bevorderen van de participatie en het moderniseren van de arbeidsverhoudingen. Voortgang in deze richting biedt voor Europa mogelijkheden om de economische ontwikkeling verder te stimuleren, terwijl tegelijkertijd recht wordt gedaan aan de behoeften van werknemers om een aantal aspecten van het werk naar eigen voorkeuren in te richten. Het kabinet stelt met tevredenheid vast dat het Nederlandse beleid, met name op het gebied van arbeidsparticipatie als positief wordt beoordeeld. De landenspecifieke aanbevelingen ondersteunen het in gang gezette of reeds voorgenomen beleid.
Nederland stemt in met de strekking van de richtsnoeren als geheel en is tevreden met het feit dat er slechts zeer beperkte wijzigingen ten opzichte van de vastgestelde richtsnoeren voor 2001 worden voorgesteld. Dit verbetert de continuïteit van het proces en bevordert daarmee een langetermijnstrategie op het gebied van de werkgelegenheid.
Kanttekeningen bestaan er op een aantal terreinen. Zo wil Nederland graag dat de zgn. «derde pijler», het aanpassingsvermogen van arbeidsorganisaties, meer aandacht krijgt en dat de resultaten van de lidstaten op dit gebied verbeteren. Daarnaast is de definitie van het begrip kwaliteit van de arbeid, zoals geïntroduceerd in de nieuwe horizontale doelstelling B, nog onhelder. Het is van belang dat geen definities worden ontwikkeld die nadelige gevolgen hebben voor de werkgelegenheid.
Verder is Nederland niet overtuigd van de noodzaak van het concreter maken van richtsnoer 17 (gelijke beloning van mannen en vrouwen). Het is immers de vraag of de lidstaten in staat zijn dit probleem op te lossen, met name in de private sector waar dit primair een zaak is van de sociale partners. Belangrijk doel van het Nederlandse beleid is het stimuleren van sociale partners om eigen activiteiten te ontwikkelen ter bevordering van gelijke beloning. Mochten de beloningsverschillen echter onvoldoende afnemen en sociale partners hun verantwoordelijk niet nemen, dan pas zijn verdergaande maatregelen van de overheid noodzakelijk. De wettelijke instrumenten hiervoor zijn reeds aanwezig (Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen). De overheid houdt een eigen verantwoordelijkheid voor het bewerkstelligen van gelijke beloning voor mannen en vrouwen.
Binnenkort zal het Kabinet een kabinetsstandpunt vaststellen over het Werkgelegenheidspakket , dat de Kamer zo spoedig mogelijk toegaat.
| Documenten: | geen |
| Aard van de bespreking: | politiek debat. |
De Raad zal een debat houden over de kwaliteit van de arbeid en de ontwikkeling van indicatoren terzake. De Europese Raden van Nice (december 2000) en Stockholm (maart 2001) hebben het Comité voor de Werkgelegenheid (EMCO) opdracht verleend om in samenwerking met de Commissie voor eind 2001 een aantal indicatoren te ontwikkelen, zodat de Europese Raad van Laken (december 2001) deze kan vaststellen.
Op 20 juni heeft de Europese Commissie haar mededeling«Werkgelegenheid en Sociaal Beleid: een kader voor investeren in kwaliteit» vastgesteld. Daarin onderscheidt zij een tiental subthema's waarop de indicatoren betrekking dienen te hebben. Deze zijn: (1) «intrinsieke arbeidskwaliteit» (arbeidssatisfactie, perspectieven, beloning), (2) vaardigheden, een leven lang leren en carrièreontwikkeling, (3) gendergelijkwaardigheid, (4) veiligheid en gezondheid op het werk, (5) flexibiliteit en zekerheid, (6) integratie en toegang tot de arbeidsmarkt, (7)arbeidsorganisatie en verenigbaarheid van arbeid en zorg, (8) sociale dialoog en betrokkenheid van werknemers (9) diversiteit en non-discriminatie en (10) economische prestaties en productiviteit. Voor ieder subthema doet de Commissie enkele suggesties voor indicatoren.
Nederland steunt de ontwikkeling van indicatoren voor de kwaliteit van de arbeid. Kwaliteitsbevordering en bevordering van de werkgelegenheid gaan in het algemeen gelijk op en versterken elkaar. Kwaliteit van de arbeid kan gezien worden als een productieve factor die het competitievermogen en de arbeidssatisfactie van werknemers en de economische groei versterkt. Maatregelen ter verbetering van de kwaliteit dienen te verzekeren dat iedereen toegang krijgt tot het arbeidsproces en dat de kansen voor doorstroming worden bevorderd.
De ontwikkeling van indicatoren is geen louter technische operatie. Indicatoren kunnen slechts ontwikkeld worden als er overeenstemming bestaat over de doelstellingen die worden nagestreefd. Nederland verbindt aan de opstelling van indicatoren een aantal uitgangspunten:
• ze moeten stabiel zijn in de tijd om continuïteit te waarborgen;
• ze moeten gemakkelijk te lezen en te begrijpen zijn;
• ze moeten beleidsrelevant zijn;
• ze moeten onderling consistent zijn; onnodige duplicatie moet worden voorkomen;
• ze moeten actueel zijn;
• ze moeten een vergelijking van de prestaties van lidstaten en andere landen mogelijk maken. De data moeten kunnen worden geaggregeerd op Europees niveau (Eurostat);
• de data moeten afkomstig zijn uit betrouwbare bron.
De discussie spitst zich toe op een aantal specifieke thema's. In het kader van «intrinsieke arbeidskwaliteit» besteedt de Commissie onder meer aandacht aan beloning. In het kader van de kwaliteitsdiscussie dient naar Nederlands oordeel de doelstelling centraal te staan dat werk moet lonen. Dit impliceert dat ook de indicatoren relevant moeten zijn voor de mate waarin de overstap van niet werken naar werken wordt gestimuleerd alsook voor de mate waarin doorgroei plaatsvindt van het minimumloonniveau naar functies met een hoger loon. Aan indicatoren die beloningsniveaus als zodanig meten, zoals voorgesteld door de Commissie, is in dit kader naar Nederlands oordeel geen behoefte.
Bij de discussie over flexibiliteit en zekerheid zal Nederland ervoor waken dat flexibele arbeid en deeltijdwerk niet a priori worden afgeschilderd als arbeid van mindere kwaliteit. De kwaliteit van een baan kan niet eenvoudigweg gemeten kan worden aan de hand van de vraag of het al dan niet gaat om een fulltime arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Indicatoren die het percentage «niet reguliere contracten» als zodanig meten zijn daarom geen juiste maatstaf voor de kwaliteit van het werk. Hierin wijkt Nederland af van het voorstel van de Commissie. Nederland steunt een kwaliteitsbegrip waarin verschijnselen als flexibiliteit en deeltijd worden beoordeeld in relatie tot preferenties van werknemers en de mate waarin zij voorzien zijn van een adequate bescherming via arbeidsrecht, collectieve arbeidsovereenkomsten en sociale zekerheid.
Nederland heeft in het kader van «flexibiliteit», in tegenstelling tot het voorstel van de Commissie, geen behoefte aan indicatoren die meten hoeveel banen er verloren gaan door ontslagen en reorganisaties. Hieruit zou gemakkelijk de conclusie getrokken kunnen worden dat verlies van banen een indicator zou zijn van mindere arbeidskwaliteit. Dit zou minder recht doen aan het gegeven dat dynamiek op de arbeidsmarkt onmisbaar is en ook kan leiden tot de creatie van werkgelegenheid van betere kwaliteit.
4. Mededeling van de Europese Commissie inzake de bevordering van fundamentele arbeidsnormen en de verbetering van de «gouvernance sociale» in de context van de mondialisering.
| Document: | COM (2001) 416 |
| Aard van de bespreking: | Presentatie door de Europese Commissie |
Tijdens de lunch zal de Europese Commissie in aanwezigheid van Europees Commissaris Lamy een presentatie geven van de Commissiemededeling over fundamentele arbeidsnormen. De Commissie tracht in haar mededeling een strategie uit te zetten voor de verbetering van sociaal bestuur en de bevordering van fundamentele arbeidsnormen, zodat de globalisering een grotere bijdrage kan leveren aan sociale ontwikkeling en eerbiediging van fundamentele rechten. De mededeling bevat voorstellen voor instrumenten op diverse beleidsterreinen, op internationaal en Europees niveau, met het oog op een omvattende en multidisciplinaire aanpak. De Commissie constateert tevens dat de ILO de bevoegde organisatie is voor arbeidsnormen en de formulering daarvan, en dat zij dit ook moet blijven.
De mededeling schetst vervolgens de internationale ontwikkelingen ter bevordering van fundamentele arbeidsnormen. Daarbij wordt ondermeer aandacht besteed aan de Wereldtop inzake Sociale Ontwikkeling van 1995, de ILO verklaring van 1998 inzake fundamentele beginselen en rechten op het werk, de handelspolitieke context (WTO), de OESO-studie inzake internationale handel en fundamentele arbeidsnormen en de ontwikkeling van internationale gedragscodes (maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO)). Tevens worden de basisbeginselen van de EU-aanpak geïnventariseerd.
In een afsluitend hoofdstuk worden de elementen voor verdere acties in de EU en op internationaal niveau aangegeven, daarbij voortbouwend op de diverse internationale kaders en initiatieven die in de voorgaande hoofdstukken aan de orde kwamen.
Nederland is van mening dat bij de verdere discussies over deze mededeling een goede afstemming tussen de diverse Commissieaanbevelingen aan de ILO en de eerder door Nederland (en andere ILO lidstaten) in de ILO ondersteunde initiatieven tot versterking van de rapportage- en controlemechanismen op het terrein van de naleving van fundamentele arbeidsnormen geboden is. Dit mede in relatie tot de Kabinetsnotitie MVO van 30 maart 2001 (en daarin aangekondige initiatieven).
Nederland waardeert het dat de Commissie met deze mededeling op zeer overzichtelijke wijze de diverse internationale ontwikkelingen op het terrein van de naleving van fundamentele arbeidsnormen in kaart heeft gebracht. De in hoofdstuk 5 naar voren gebrachte aanbevelingen gericht op het versterken van de diverse ILO mechanismes op dit terrein vergen, mede gezien de gevoeligheid van dit onderwerp binnen de ILO, nadere studie van de kant van de Commissie en de afzonderlijke EU-lidstaten.
| Documenten: | geen |
| Aard van de bespreking: | Informatie door het Voorzitterschap |
Het Belgische voorzitterschap zal onder dit agendapunt een mondelinge toelichting geven over de stand van zaken met betrekking tot een drietal punten.
a) Perspectieven in andere Raden
De integratie van gelijke kansen voor mannen en vrouwen in het Europees sociaal beleid (gender mainstreaming) is een regelmatig terugkomend agendapunt van de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid. Zo vormt de integratie en toetsing van de gelijke-kansendimensie een vast onderdeel van de Europese werkgelegenheidsstrategie. Inzet van het Belgisch voorzitterschap is om de genderdimensie met ingang van 2002 ook te integreren in de Raad Algemene Zaken (Euromediterraan Partnerschap; zie hieronder) en de Raad EcoFin. Zo is het voorzitterschap voornemens, in december een rapport aan de Raad voor te leggen met betrekking tot de genderdimensie van de globale richtsnoeren voor het economische beleid.
b) Forum inzake de dimensie «Gelijkheid mannen/vrouwen» in het kader van het Euromediterraan Partnerschap.
In juli jl. heeft het Belgische voorzitterschap in Brussel in het kader van het Euromediterraan Partnerschap een regionaal forum georganiseerd over de rol van vrouwen in de economische ontwikkeling: dimensie «Gelijkheid mannen/vrouwen». Het Euromediterraan Partnerschap is opgericht door regeringsleiders in Barcelona (november 1995). Doel is verbetering van de samenwerking met de landen ten zuiden van de Middellandse Zee in drie richtingen:
• een politiek partnerschap voor het bepalen van een vredesen stabiliteitszone;
• een economisch en financieel partnerschap dat zou moeten uitmonden in een zone van gedeelde welwaart;
• een sociaal, cultureel en humaan partnerschap dat aan de basis ligt van de ontwikkeling van de human resources en van culturele uitwisseling.
De Verklaring van Barcelona erkent de sleutelrol van vrouwen in deze ontwikkeling. Volgens het aan de Verklaring gelieerde actieprogramma moet «hun actieve participatie in het economische en sociale leven worden bevorderd, zowel bij het scheppen van banen als bij de verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden». In november 2000 hebben Ministers van Buitenlandse Zaken in Marseille de noodzaak erkend van een regionaal programma specifiek gericht op vrouwen in het economische leven. Dit programma zal in 2002 door de Europese Commissie worden gelanceerd.
Vooruitlopend hierop heeft het Voorzitterschap bovengenoemd regionaal forum belegd met vertegenwoordigers van de lidstaten uit het Euromediterraan Partnerschap en het maatschappelijk middenveld om de inhoud en de strategische lijnen van dit programma te bespreken. De conclusies van het forum zullen worden voorgelegd aan de Euromediterrane Conferentie van het Euromediterrane Partnerschap (Brussel, 6 en7 november).
c) Voortgang implementatie Beijing (Belgische enquête gelijke beloning)
In het kader van de follow-up van de Wereldvrouwenconferentie van Beijing (1995) legt de EU dit jaar de nadruk op de bestrijding van discriminatoire loonverschillen tussen mannen en vrouwen. De Europese Raad van Stockholm (maart 2001) heeft dit onderwerp geplaatst in het kader van de discussie over kwaliteit van de arbeid en de Raad uitgenodigd, samen met de Commissie indicatoren te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat er geen discriminerende loonverschillen zijn tussen mannen en vrouwen. Het Belgisch voorzitterschap heeft zich voorgenomen, in een later stadium ontwerp-indicatoren voor te leggen aan de Raad.
Om deze indicatoren te kunnen ontwikkelen heeft het Belgisch voorzitterschap aan de lidstaten een aantal vragen voorgelegd. Op basis van de antwoorden moeten een aantal indicatoren worden vastgesteld waarmee een goede vergelijking tussen de verschillende EU-landen kan plaatsvinden. Momenteel vinden er ook vergelijkingen plaats maar de data die hiervoor door de lidstaten worden aangeleverd zijn niet altijd gebaseerd op dezelfde definities. Deze vragenlijst valt uiteen in een kwantitatief en kwalitatief gedeelte.
In het kwantitatieve gedeelte worden vragen gesteld naar de beschikbaarheid van data op een aantal verschillende terreinen (bijvoorbeeld: zijn er gegevens bekend over het aantal mannen en vrouwen dat in deeltijd werkt?). Tevens wordt gevraagd aan te geven welke bronnen beschikbaar zijn en uit welk jaar de gegevens zijn. Het gaat daarbij nog niet om de data zelf maar alleen om de beschikbaarheid ervan bij de lidstaten.
Het kwalitatieve gedeelte van de vragenlijst bestaat uit vragen naar bestaande wet- en regelgeving en andere activiteiten die de lidstaten ondernemen om gelijke beloning tussen mannen en vrouwen te bereiken.
Nederland zal met belangstelling kennisnemen van de voortgang op de verschillende terreinen.
6. Sociale bemiddeling in Europa
| Document: | geen |
| Aard van de bespreking: | mondelinge mededeling van het voorzitterschap |
Het Belgische voorzitterschap zal een mondelinge toelichting geven omtrent haar plannen voor een Europees systeem van sociale bemiddeling bij grensoverschrijdende arbeidsconflicten. Het voorzitterschap heeft eerder op de informele Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid te Luik tijdens een ontmoeting met sociale partners aangekondigd naar een vorm van sociale bemiddeling op Europees niveau te streven.
Belgie kent nationaal reeds een systeem van sociale bemiddelaars. De bemiddelaars zijn voorzitter van een aantal sectorale comités, waarin sociale partners CAO's afsluiten. Naast deze reguliere taak, vervullen de sociale bemiddelaars ook een functie bij arbeidsconflicten over arbeidsvoorwaarden en ontslagen in bedrijfstakken en bedrijven. Zij bemiddelen tussen werkgevers en werknemers. Overigens doen zij dit in anonimiteit en treden nauwelijks op de voorgrond. De bemiddelaars zijn ambtenaar van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.
Nederland zal met belangstelling kennis nemen van de plannen van het voorzitterschap terzake. Een concreet schriftelijk voorstel zal door Nederland t.z.t beoordeeld worden op de punten subsidiariteit, proportionaliteit en inpasbaarheid in het bestaand systeem van arbeidsverhoudingen.
7. Coördinatie sociale zekerheid (herziening Verordening (EEG) nr. 1408/71)
| Titel voorstel: | Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelselsparameters voor de modernisering van Verordening (EEG) nr. 1408/71 |
| Documenten: | Nota van het Belgische voorzitterschap (bij sluiting Geannoteerde Agenda nog niet ontvangen) |
| Aard van de bespreking: | politiek debat |
Op 21 december 1998 is door de Europese Commissie bij de Raad een voorstel voor een Verordening (EG) van de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels ingediend. Het voorstel beoogt de huidige Europese regelgeving inzake coördinatie van de socialezekerheidsstelsels te moderniseren en te vereenvoudigen. Het betreft hier Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. Deze Verordening voorziet in een coördinatie en niet in een harmonisatie van nationale wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid van de lidstaten. Dit betekent dat Verordening (EEG) nr. 1408/71 geen uitspraken doet over de inhoud van de nationale socialezekerheidsstelsels, maar slechts regels bevat die eventuele nadelen moeten wegnemen die de werknemer of zelfstandige als gevolg van zijn verplaatsing binnen de Gemeenschap ondervindt.
De afgelopen jaren is het Commissievoorstel besproken in de Raadswerkgroep sociale vraagstukken, waarbij ieder voorzitterschap één of meerdere hoofdstukken voor zijn rekening heeft genomen. Deze besprekingen hadden een inventariserend karakter. Onder het Zweeds voorzitterschap is deze inventariserende ronde afgerond. Gebleken is dat op tal van aspecten van het voorstel de lidstaten met elkaar en de Commissie van mening verschillen.
Teneinde de voortgang in het dossier te bespoedigen is tijdens de Europese Raad van Stockholm van 23 en 24 maart 2001 door de regeringsleiders overeengekomen dat de Raad voor het einde van 2001 zg. parameters met betrekking tot de modernisering van Verordening (EEG) nr. 1408/71 zal vaststellen. In dit kader heeft het Belgische voorzitterschap ten behoeve van de onderhandelingen een eerste voorstel gedaan voor de formulering van parameters. Op basis van het hierover te bereiken akkoord zullen vervolgens de komende Spaanse en Deense voorzitterschappen tekstvoorstellen doen voor een (nieuwe) coördinatieverordening. Het Belgische voorzitterschap stelt zich voor een eerste discussie over de parameters te voeren tijdens de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 8 oktober a.s., waarna de conclusies met betrekking tot de parameters kunnen worden gepresenteerd tijdens de Europese Raad in Laken in december 2001. Verwacht wordt dat het voorzitterschap nog een notitie ten behoeve van de bespreking in de Raad van 8 oktober zal voorleggen. Bij sluiting van de geannoteerde agenda was deze notitie nog niet beschikbaar.
In het verleden is aan de Kamer een tweetal keren een nieuwe notitie met betrekking tot het voorstel van de Commissie toegezegd. Zoals is meegedeeld in een brief aan de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Algemene Commissie voor Europese Zaken moeten deze toezeggingen, in het licht van boven geschetste ontwikkelingen als achterhaald worden beschouwd. Aan de Kamer zal nu te zijner tijd een notitie met betrekking tot de parameters worden gestuurd.
Door het Belgische voorzitterschap wordt vooropgesteld dat het hoofddoel van modernisering van Verordening (EEG) nr. 1408/71 is vereenvoudiging voor de burger zonder onevenredige complicaties voor de uitvoeringsinstellingen. Hiermee kan Nederland van harte instemmen. De huidige voorschriften van Verordening (EEG) nr. 1408/71 zijn namelijk zeer ingewikkeld en daardoor voor de Europese burger niet gemakkelijk te begrijpen. De vereenvoudiging ten behoeve van de burger mag er echter niet toe leiden dat de uitvoeringsinstellingen voor onmogelijke opgaven worden gesteld. Er zal een evenwicht moeten worden gevonden om de vereenvoudiging voor de burger administratief uitvoerbaar te maken.
De belangrijkste parameters hebben betrekking op de personele en materiële werkingssfeer van de Verordening en op het hoofdstuk werkloosheid van de Verordening. Hierna zal op deze parameters kort worden ingegaan. Hierbij dient bedacht te worden dat de besprekingen over de parameters nog volop gaande zijn.
De huidige Verordening is van toepassing op werknemers, zelfstandigen, studenten, gezinsleden, vluchtelingen en staatlozen. Het Belgische voorzitterschap stelt voor, evenals de Commissie in haar voorstel deed, deze personele werkingssfeer uit te breiden tot alle personen die onder de socialezekerheidswetgeving van een lidstaat vallen. Dat betekent dat het coördinatiesysteem ook van toepassing wordt op personen die niet tot de «actieve» bevolking behoren, maar niettemin voor bepaalde aspecten zijn aangesloten bij een sociaalzekerheidsstelsel en gebruik kunnen maken van hun recht op vrij verkeer. Bovendien houdt deze formulering in dat de communautaire bepalingen van toepassing zijn op onderdanen van derde landen die bij een socialezekerheidsstelsel in één van de lidstaten zijn aangesloten.
Zoals reeds diverse keren is aangegeven staat het kabinet positief tegenover uitbreiding van de personele werkingssfeer tot niet-actieven. Hetzelfde geldt voor de uitbreiding tot onderdanen van derde landen. Ook deze categorie moet zijn sociale verzekeringsrechten grensoverschrijdend kunnen opeisen. Tijdens besprekingen op ambtelijk niveau is gebleken dat één lidstaat negatief staat tegenover de uitbreiding van de Verordening tot onderdanen van derde landen. Ook dient nog een oplossing te worden gevonden voor de rechtsgrondslag van het voorstel in het EG-verdrag. Over deze problematiek is de Kamer in de notitie «EU-socialezekerheidscoördinatie» van 8 juni 2000 geïnformeerd. Aangezien het kabinet er waarde aan hecht dat de wettelijke status van derdelanders meer in overeenstemming wordt gebracht met die van onderdanen van de lidstaten, wordt intussen via bilaterale verdragen geprobeerd de socialezekerheidspositie van deze categorie te verbeteren. Thans komen in de (ontwerp) verdragen die Nederland met Duitsland, Oostenrijk en VK heeft gesloten bepalingen voor op grond waarvan Verordening (EEG) nr. 1408/71 van toepassing wordt verklaard op derde landers die zich vanuit deze landen naar Nederland begeven en vice versa.
In de huidige Verordening is een limitatieve opsomming opgenomen van de typen regelingen die onder de werkingssfeer van de Verordening vallen. Voor Nederland betekent dit dat de Verordening betrekking heeft op alle wettelijke sociale verzekeringsregelingen. De Commissie had voorgesteld geen limitatieve opsomming meer op te nemen. Daarnaast had de Commissie voorgesteld VUT en CAO regelingen onder de materiële werkingssfeer van de Verordening te brengen.
Het voorzitterschap stelt voor dat ook in de nieuwe Verordening een limitatieve opsomming wordt opgenomen van de typen regelingen die onder de werkingssfeer van de Verordening vallen. Nederland is het hiermee eens. Een niet-limitatieve lijst creëert immers onzekerheid voor zowel burgers als voor overheden en zal aanleiding geven tot veel jurisprudentie.
Verder stelt het voorzitterschap voor om alleen wettelijke VUT-regelingen onder de werkingssfeer van de Verordening te brengen en om CAO regelingen enkel onder de werkingssfeer van de Verordening te laten vallen indien lidstaten daartoe een verklaring afleggen.
Zoals is aangegeven in de notitie «EU-socialezekerheidscoördinatie» van 8 juni 2000 acht het kabinet het, mede gelet op de adviezen van de STAR, het Lisv en de SVB terzake, niet wenselijk dat VUT-en CAO-regelingen onder de materiële werkingssfeer van de Verordening worden gebracht. Uitbreiding met VUT- en CAO-regelingen zou bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat buitenlandse tijdvakken mede in aanmerking moeten worden genomen bij het vaststellen of iemand voldoende jaren heeft gewerkt om in aanmerking te komen voor een vut-uitkering, terwijl over die perioden geen bijdragen zijn betaald. Het voorstel van het voorzitterschap is dan ook een positieve ontwikkeling.
Het voorzitterschap stelt voor dat werklozen het recht moet worden gegarandeerd om in de Unie actief naar werk te kunnen zoeken met behoud van werkloosheidsuitkering gedurende een periode van tenminste drie maanden. In het voorstel van de Commissie werd gesproken van een termijn van zes maanden.
Zoals reeds eerder is aangegeven is op ambtelijk niveau besloten dat alle lidstaten gegevens gaan bijhouden met betrekking tot het huidige artikel 69 van Verordening (EEG) nr. 1408/71, op grond waarvan een werkloze met behoud van werkloosheidsuitkering in een andere lidstaat werk kan gaan zoeken. Tijdens de Sociale Raad van 11 juni jl. is namens Nederland aangegeven dat de uitkomsten van dit onderzoek worden afgewacht, alvorens een nader standpunt over de lengte van de termijn wordt ingenomen.
Het voorzitterschap stelt verder voor, evenals de Commissie in haar voorstel deed, om volledig werkloze grensarbeiders aanspraak te geven op een werkloosheidsuitkering van zijn laatste werkland, in plaats van zijn woonland (zoals thans gebruikelijk).
Met dit voorstel kan het kabinet niet instemmen. Het land dat in dit systeem de uitkering verstrekt, heeft geen enkele mogelijkheid om de werkloze te begeleiden bij het zoeken naar werk en te controleren, terwijl begeleiding en controle door de bevoegde instantie in het woonland ook niet of nauwelijks mogelijk is omdat de betrokkene in dat land geen uitkering ontvangt. Daarnaast heeft ook het Hof van Justitie meermalen uitgesproken dat de achtergrond van de huidige regeling, waarbij het woonland uitkering verstrekt, gelegen is in het feit dat de werkloze in het woonland de beste kansen maakt op reïntegratie op die arbeidsmarkt. Tegen deze achtergrond is het het meest logisch dat dit land ook de uitkering verstrekt. Daarenboven zou dit voorstel, zoals ook door de Commissie Linschoten inzake grensarbeid in zijn rapport is opgemerkt, vanwege de aanzienlijke verschillen in uitkeringsniveaus een verslechtering in inkomenspositie kunnen betekenen voor Nederlandse grensarbeiders die in België werkzaam zijn. Thans ontvangen zij ingeval van volledige werkloosheid een Nederlandse ww-uitkering, het voorstel zou ertoe leiden dat zij voortaan aanspraak dienen te maken op een Belgische werkloosheidsuitkering.
8. Besluit van de Raad voor het Europese Jaar voor mensen met een handicap 2003
| Documenten: | COM (2001) 271 |
| Aard van het debat: | oriënterend debat |
De Commissie stelt voor, het jaar 2003 uit te roepen tot het Europees Jaar voor personen met een handicap. In het kader hiervan kunnen activiteiten op Europees en nationaal niveau worden ondernomen. De belangrijkste activiteiten binnen dit initiatief zijn het organiseren van bijeenkomsten en manifestaties, voorlichtings- en promotiecampagnes op communautair niveau en het bieden van ondersteuning (financieel en moreel) op nationaal niveau. Ongeveer 10% van de EU-bevolking heeft een handicap. Speerpunt van het EU-beleid is om ook voor deze burgers gelijke kansen en mogelijkheden te waarborgen. Sinds het Verdrag van Amsterdam wordt discriminatie op grond van handicap op één lijn gesteld met discriminatie op grond van sekse, geloof etc.. Daarnaast is er een beleid nodig om te waarborgen dat, waar nodig, ondersteuning kan worden geboden en voorzieningen beschikbaar zijn. In dat kader is het van belang dat de beeldvorming rond mensen met een handicap wordt verbeterd. Dat betekent: bewustmaking van de samenleving van het feit dat mensen met een handicap – zo nodig met een aanpassing – kunnen participeren, mits er geen nieuwe barrières worden opgeworpen. Om dat te bereiken ligt er nu dit voorstel voor een Europees Jaar van personen met een handicap 2003.
Nederland kan instemmen met het voorstel. Ten aanzien van de uitvoering op nationaal niveau zullen de activiteiten die voortvloeien uit een Europees Jaar van gehandicapten worden gecoördineerd door een nog in te stellen orgaan waarin overheid en representatieve organisaties van gehandicapten zijn vertegenwoordigd. Dit orgaan zal zich beraden over de aanvragen en selectie van evenementen, manifestaties en campagnes. De activiteiten in het kader van het Europees Jaar van gehandicapten 2003 zullen door hun grensoverschrijdend karakter een extra impuls geven aan het noodzakelijke bewustwordingsproces in Nederland bij de toekomstige invoering van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Vooral de uit andere lidstaten verkregen expertise en praktijkvoorbeelden zullen een beduidende meerwaarde opleveren.
9. Ontwerp resolutie inzake de deelname van een ieder aan de informatiemaatschappij (e-insluiting)
| Document: | nog niet beschikbaar |
| Aard bespreking: | Aanneming |
De Europese Raad van Lissabon (maart 2000) riep op tot een informatiemaatschappij voor allen. De Europese strategieën voor de werkgelegenheid en tegen de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting besteden uitgebreid aandacht aan het voor iedereen toegankelijk maken van een economie en samenleving die steeds meer op kennis is gebaseerd. Toegankelijkheid dient zowel in technische en fysieke zin, als bij het verwerven van vaardigheden en kennis (digitaal alfabetisme) voor iedereen gewaarborgd te worden. Bijzondere aandacht dient daarbij besteed te worden aan kwetsbare groepen zoals gehandicapten.
De ontwerp resolutie roept de lidstaten op tot het
• aanwenden van de kansen die de informatiemaatschappij biedt voor kwetsbare groepen door middel van het faciliteren van online content en diensten; het faciliteren van lokale gemeenschappen middels financiële en technische ondersteuning ten behoeve van de ontwikkeling van online diensten en netwerken, in het bijzonder in achtergestelde stedelijke gebieden, minder begunstigde landelijke en perifere gebieden; het realiseren, in het kader van de Europese Werkgelegenheidsstrategie en in samenspraak met sociale partners, van arbeidsplaatsen in de ICT sector waarbij bijzondere aandacht dient uit te gaan naar het beschikbaar stellen van ICT training aan werklozen en inactieven en andere leermogelijkheden die aansluiten bij zowel hun individuele behoeften als de eisen van de arbeidsmarkt.
• beslechten van barrières in de informatiemaatschappij
• door het zichtbaar maken, in het bijzonder voor kwetsbare groepen zoals ouderen, van de mogelijkheden en kansen die de informatiemaatschappij biedt op individuele ontplooiing en actieve deelname aan de samenleving;
• door middel van het realiseren van de toegankelijkheid zowel in technische als financiële zin (gratis toegang Internet in publieke ruimten; laagdrempelige cursussen)
• door het treffen van voorzieningen die aanschaf van ICT middelen stimuleren; door het beslechten van technische barrières voor mensen met een handicap en het bevorderen van de ontwikkeling van software die speciaal is toegerust op de noden en behoeften van kwetsbare groepen.
• het bevorderen van partnerschappen tussen alle betrokken actoren, met nadruk op het lokale en regionale niveau.
De ontwerp-resolutie roept de Commissie op:
• om de kansen en mogelijkheden van de informatiemaatschappij optimaal aan de orde te laten komen in de Europese strategieën voor de werkgelegenheid en tegen de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting;
• om het monitoren en analyseren van de voortgang op het terrein van e-insluiting te laten plaatsvinden in de gezamenlijke verslagen van Raad en Commissie die zij in het kader van deze strategieën opstellen;
• om maatregelen ter bevordering van e-insluiting in het kader van de Europese structuurfondsen en andere relevante communautaire actieprogramma's te ondersteunen.
Nederland ondersteunt de inhoud van deze ontwerp-resolutie van harte. De informatie maatschappij biedt nieuwe mogelijkheden en uitdagende kansen ter bevordering van de maatschappelijke participatie en de arbeidsdeelname van kwetsbare groepen welke optimaal dienen te worden benut. Dat vereist het creëren van noodzakelijke randvoorwaarden zoals bijvoorbeeld laagdrempelige toegang tot het Internet en trainingen ter verwerving van de vereiste (basis)vaardigheden die zijn toegespitst op de mogelijkheden en behoeften van de meest kwetsbaren. Nederland onderschrijft de notie dat de uitwerking van deze acties vooral op regionaal en lokaal niveau dient plaats te vinden (zo dicht mogelijk bij de mensen waarvoor de acties bedoeld zijn) terwijl de rol van de nationale overheid veeleer een faciliterende en ondersteunende is. Nederland acht het met het oog op een efficiënte uitvoering van de resolutie nodig de voorgestelde maatregelen te integreren in de Europese werkgelegenheidsstrategie en de strategie ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting.
10. Strijd tegen armoede en sociale uitsluiting
| Documenten: | geen |
| Aard bespreking: | Stand van zaken m.b.t. de vaststelling van indicatoren |
De Europese Raad van Stockholm (maart 2001) heeft de Raad verzocht om voor het einde van het jaar indicatoren inzake bestrijding sociale uitsluiting vast te stellen. Deze moeten de voortgang bij de toepassing van de open coördinatie methode op dit terrein meetbaar maken. Tijdens de Raad op 8 oktober a.s. zal het Voorzitterschap verslag doen van de stand van zaken.
Het Comité voor Sociale Bescherming (SPC) werkt momenteel voorstellen uit over gemeenschappelijk overeen te komen indicatoren. De Raad (Werkgelegenheid en Sociaal beleid) zal naar verwachting op 3 december a.s. conclusies trekken over deze voorstellen.
Het SPC bestudeert de door de Europese Commissie voorgestelde structurele indicatoren (reeds gebruikt in het synthese verslag van de Commissie t.b.v. de Voorjaars Europese Raad te Stockholm over sociaal en economisch beleid) met het oog op van mogelijke aanvullingen en verbeteringen. Daarnaast is een start gemaakt met de inventarisatie van indicatoren op het terrein van onder meer huisvesting, gezondheidszorg en onderwijs. De nadruk ligt daarbij op prestatie indicatoren (output). Genoemde beleidsterreinen worden bestreken door de gemeenschappelijke doelstellingen ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting die door de Europese Raad van Nice in december 2000 zijn vastgesteld. Deze vormen uitgangspunt voor de dit jaar voor het eerst opgestelde nationale actieplannen (zie voor het Nederlandse actieplan Kamerstuk 21 501-18, nr. 147).
Op 14 en 15 september jl. vond voorts een conferentie van het Voorzitterschap plaats over sociale indicatoren. Uitgangspunt vormde een op verzoek van het Voorzitterschap opgesteld wetenschappelijk rapport waarin een analyse van mogelijke indicatoren wordt gemaakt en concrete voorstellen worden gedaan voor een systeem van indicatoren.
De ambitie van de Europese Raad van Lissabon (maart 2000) om de sociale samenhang in Europa te versterken kan alleen worden waargemaakt als de komende tijd belangrijke progressie wordt geboekt. Nederland vindt het dan ook van groot belang dat voor het eind van het jaar indicatoren worden vastgesteld die het mogelijk maken om de beleidsprestaties van de lidstaten tegen een kritisch gezamenlijk afgesproken licht te houden. Nederland verwelkomt derhalve de inspanningen van het Voorzitterschap terzake. De lijn om vooral te koersen op het meten van resultaat (meten output in plaats van input) wordt door Nederland gesteund.
Een samenloop van sociale, culturele, demografische en economische factoren bepaalt de mate waarin mensen het risico lopen om (inkomensgedefinieerde) armoede te lijden en sociaal uitgesloten te raken. Dit noodzaakt tot het ontwikkelen van indicatoren die al deze factoren afzonderlijk inzichtelijk maken, maar ook de onderlinge verbanden hiertussen. De Nederlandse inzet is er dan ook op gericht om een zo breed mogelijk set van indicatoren te ontwikkelen die de multidimensionale problematiek rond armoede en sociale uitsluiting op genuanceerde, zo volledig mogelijke wijze in kaart kan brengen. Ten aanzien van indicatoren ter meting van de financiële aspecten van armoede is de inzet om indicatoren te kiezen die gevoelig zijn voor het gevoerde activerings- en inkomensbeleid. Voorts vraagt Nederland aandacht voor het duuraspect. Dat iemand op een bepaald moment is aangewezen op een laag inkomen geeft een indicatie van iemands sociaal economische positie. Het betekent niet per definitie dat iemand daarmee arm is en daar de negatieve gevolgen van ondervindt zoals bijvoorbeeld het niet kunnen leven onder menswaardige omstandigheden en het verkeren in sociaal isolement. Naarmate deze inkomenssituatie zich langer voordoet wordt echter de kans dat hier negatieve gevolgen uit voortvloeien steeds groter.
Voor aanvullende informatie over de Nederlandse prioriteiten bij de ontwikkeling van gemeenschappelijk overeen te komen sociale indicatoren zij verwezen naar de brief van de Minister en staatssecretaris Hoogervorst van 5 juni jl. over het Comité voor de sociale bescherming (Kamerstuk 21 001-18 nr. 148).
Het op verzoek van het Voorzitterschap opgestelde wetenschappelijk rapport zal de Kamer, mede gelet op haar verzoek om tijdig over de voortgang op dit dossier te worden geïnformeerd, na publicatie vergezeld van een begeleidende nota worden toegezonden.
11. Kwaliteit en houdbaarheid van pensioenen
| Document: | Geen |
| Aard van de bespreking: | Mondelinge informatie van het Voorzitterschap |
Het Voorzitterschap zal de Raad mondeling verslag doen van de stand van zaken met betrekking tot de uitwerking van de door de Europese Raden van Stockholm (maart 2001) en Goteborg (juni 2001) verleende opdrachten.
Deze opdrachten bestaan uit:
• het vormgeven van de open coördinatie methode middels het formuleren van gemeenschappelijke doelstellingen
• het ontwerpen van een werkmethode die een geïntegreerde aanpak waarborgt van de Europese uitdagingen op pensioen terrein.
Uitgangspunt voor de uitwerking van deze opdrachten vormt de Commissie mededeling «Ondersteuning van de nationale strategieën ten behoeve van veilige en houdbare pensioenen door middel van een geïntegreerde benadering» d.d. 3 juli 2001 (COM (2001) 362 def).
De Comités voor de sociale bescherming (een ambtelijk voorportaal van de Raad Werkgelegenheid en Sociaal beleid) en voor het economisch beleid (een ambtelijk voorportaal van de Raad Ecofin) vormen de vehikels voor de voorbereiding van deze opdrachten (Goteborg conclusie 43).
Nederland verwelkomt de ambities om het pensioenbeleid van de lidstaten nauwer op elkaar af te stemmen en met elkaar te vergelijken van harte en is zeer tevreden over de voortvarendheid waarmee de praktische uitwerking onder Belgisch Voorzitterschap in gang wordt gezet. Deze sluit nauw aan bij de Nederlandse prioriteiten te weten:
• Het formuleren van ambitieuze, evenwichtige doelstellingen aan de hand van drie kern beginselen:
1. het waarborgen van de capaciteit van de Europese pensioenstelsels om aan hun sociale doelstellingen te voldoen
2. de handhaving van de betaalbaarheid van de stelsels
3. het behoud van hun vermogen om in te spelen op de veranderende behoeften in de samenleving.
• Het realiseren van herkenbaarheid: er moet een samenhangend en transparant pensioenproces totstandkomen dat lidstaten daadwerkelijk aanspoort tot hervormingen die noodzakelijk zijn om ook in het licht van de vergrijzing kwalitatief goede en betaalbare pensioenstelsels te kunnen garanderen. Financiële houdbaarheid is een basisvoorwaarde voor een stelsel dat nu en in de toekomst een toereikend pensioen biedt. Voor de geloofwaardigheid van het proces is het van groot belang dat de doelstellingen met elkaar in balans zijn en in nauwe onderlinge samenhang worden getoetst.
• Nauwe samenwerking tussen de betrokken Raden te weten Ecofin en Werkgelegenheid en Sociaal beleid middels gezamenlijke rapportage aan de Europese Raden van Laken (december 2001) en Barcelona (maart 2002).
• Het integreren van de resultaten van de open coördinatie op pensioen terrein in de globale richtsnoeren voor het economisch beleid. Dit biedt de beste garantie voor een effectieve aanpak en voorkomt vrijblijvendheid en onzichtbaarheid. De resultaten van de Europese samenwerking op pensioen terrein dienen derhalve vast agendapunt te vormen op de jaarlijkse Voorjaars Europese Raad over sociaal en economisch beleid.
• De eerste resultaten van de open coördinatie op pensioen terrein dienen beschikbaar te zijn voor de Voorjaars Europese Raad in 2003.
• Een strategische, slagvaardige en praktische aanpak. Pensioen hervormingen lenen zich niet voor zeer frequente nationale strategie rapportages. Papieren exercities die de burgers niets zeggen laat staan dat zij er iets van merken dienen te worden vermeden. De set met doelstellingen moet kort en krachtig de Europese ambities weerspiegelen en een adequaat vehikel vormen voor een verantwoorde modernisering van de nationale pensioenstelsels. Afspraken over eenduidige, uniforme indicatoren voor het meten van de voortgang zijn hierbij onmisbaar.
Voor aanvullende informatie over de Nederlandse inzet bij de toepassing van de open coördinatie methode op pensioen terrein zij verwezen naar de brief van de Minister en staatssecretaris Hoogervorst van 5 juni jl. over het Comité voor de sociale bescherming (Kamerstuk 21 001-18 nr. 148).
12. Resultaten van conferenties en seminaars
Het Belgische voorzitterschap zal verslag doen van verschillende conferenties en seminaars gehouden onder haar verantwoordelijkheid.
Onder dit agendapunt zal de Europese Commissie haar voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 83/477/EEG van de Raad betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk presenteren. Binnenkort zullende onderhandelingen tussen de lidstaten over dit richtlijnvoorstel van start gaan. Over het voorstel heeft de Kamer onlangs een fiche ontvangen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-154.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.