Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 21501-18 nr. 153 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 21501-18 nr. 153 |
Vastgesteld 31 juli 2001
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 en de algemene commissie voor Europese Zaken2 hebben op 5 juli 2001 overleg gevoerd met minister Vermeend en staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:
– verslag van de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 11 juni 2001;
– agenda Informele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 6, 7 en 8 juli 2001;
– brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 1 juni 2001 ter aanbieding van het Nationaal Actieplan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting 2001 (21 501-18, nr. 147);
– brief van de minister, mede namens de staatssecretaris, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 5 juni 2001 inzake de notitie over de voortgang van de werkzaamheden van het Comité voor de sociale bescherming en de Nederlandse inzet daarbij (21 501-18, nr. 148);
– brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de minister van Financiën, d.d. 21 juni 2001 inzake pensioenen in de Europese context (SOZA-2001-578).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Örgü (VVD) is tegen versnippering en bureaucratie als het gaat om de kwaliteit van de arbeid. Het Nationaal actieplan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting is echter wel versnipperd. De overlap die is ontstaan omdat verschillende onderwerpen in verschillende kaders meerdere malen worden genoemd, moet verdwijnen. Er wordt voorgesteld om een nieuwe richtsnoer inzake kwaliteit van de arbeid te creëren, maar wat is de meerwaarde daarvan? Door het onderling vergelijken van de prestaties van de lidstaten aan de hand van indicatoren kunnen al meer en betere banen worden gecreëerd.
De onderwerpen van het Nationaal actieplan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting zijn erg gevarieerd en worden vrij oppervlakkig beschreven. Kunnen er geen prioriteiten worden aangegeven? Er wordt voor het eerst gewerkt met streefdoelen, maar die worden niet in alle gevallen gekwantificeerd. Hoe kan men zonder kwantificering een vergelijking maken met andere landen?
Mevrouw Örgü vindt de aandacht voor de armoedeval positief. Is premie bij werkaanvaarding echter wel een voldoende structurele oplossing? Met gemeenten zullen afspraken worden gemaakt over het reduceren van het bijstandsvolume. Waarom zijn er op dit punt geen streefdoelen gesteld? Iedere werkloze oudkomer zal een passend traject voor voorzieningen aangeboden worden. Hoe zal dat gebeuren en op welke termijn?
Als het gaat om de voortgang van de werkzaamheden van het Comité voor de sociale bescherming, vraagt mevrouw Örgü op welke terreinen de regering ten aanzien van de sociale uitsluiting nieuwe kwantitatieve streefdoelen zal bepleiten tijdens de Europese Raad. Zij vindt het overigens positief dat er aandacht is voor moeilijkheden met betrekking tot pensioenregelingen ten gevolge van de geografische mobiliteit en voor de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
Mevrouw Verburg (CDA) merkt op dat een groot deel van de Raad voor werkgelegenheid en sociaal beleid (Sociale raad) in het teken staat van de houdbaarheid van de pensioenstelsels in de toekomst. Enkele landen scoren slecht op drie belangrijke punten: een houdbare financiering, aflossing van de staatsschuld en arbeidsparticipatie van ouderen. Dat zal consequenties hebben voor de Nederlandse pensioenen. Er is een samenhang tussen de onderdelen van het stabiliteitspact en de wijze van financiering van toekomstige pensioenen. Zij pleit dan ook voor een aanscherping van dat stabiliteitspact, in die zin dat als de kapitaaldekking onvoldoende is de staatsschuld eerder afgelost dient te worden. Daarvoor is een goede samenwerking tussen de Ecofin-raad en de Sociale raad noodzakelijk.
Uit het verslag van het Comité voor de sociale bescherming over de toekomstige ontwikkeling van de sociale zekerheid blijkt dat de meeste landen redelijk tevreden zijn. Wordt de noodzaak van hervormingen wel voldoende gevoeld? Zullen er wel heldere en ambitieuze doelstellingen geformuleerd kunnen worden op het punt van de hervorming van de pensioenstelsels? Zal het Belgische voorzitterschap de houdbaarheid van de pensioenen hoog op de agenda blijven zetten?
De richtlijn voor de werkzaamheden van instellingen voor bedrijfspensioenfondsen, de «Bolkestein-richtlijn», lijkt voor Nederland niet al te veel problemen op te leveren. Nederland zit echter niet te wachten op een richtlijn die de positie van de pensioenfondsen aantast, bijvoorbeeld via beleggingsrestricties. Zal de conglomeratenrichtlijn, die in april jl. is vastgesteld, gevolgen hebben voor pensioenfondsen?
Nederland kent een pensioenstelsel met drie pijlers. In de onderhandelingen lijkt het accent echter sterk op de eerste pijler te liggen. Is de inzet van Nederland voldoende gericht op de tweede en de derde pijler?
Mevrouw Verburg vindt het Nationaal actieplan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting vooral een opsomming van bestaand beleid. Op sommige onderdelen wordt gesproken over streefdoelen, terwijl in de VBTB-discussie meer wordt gesproken over te halen en meetbare doelstellingen. Vanwaar deze voorzichtigheid in dit plan? Een aantal doelen zijn overgenomen uit begrotingen en daardoor min of meer concreet, maar andere zijn dat bepaald niet en kunnen de VBTB-toets niet doorstaan. Kunnen de doelstellingen niet scherper worden geformuleerd? Het is verder opvallend dat in het actieplan nauwelijks voorstellen worden gedaan om de armoedeval aan te pakken, terwijl de systematiek van de huidige inkomensondersteuning nodig aanpak behoeft. Doorstroom- en uitstroompremies zijn niet veel meer dan symptoombestrijding en pakken het echte probleem niet aan.
De inzet van de regering om het aantal toetsingscriteria terug te brengen van tien tot vier kan op de steun van mevrouw Verburg rekenen. Daarbij ziet zij graag dat er nadrukkelijk aandacht is voor arbeidsverhoudingen en arbeidspatronen. Zij gaat ervan uit dat er aandacht is voor de combinatie van arbeid en zorg, zowel voor mannen als voor vrouwen, voor deeltijdarbeid als volwaardige arbeid en de combinatie van flexibel werk en zekerheid.
Bij een vorige overleg heeft mevrouw Verburg de minister gevraagd om met collega-ministers ervoor te zorgen dat de handel in jonge voetballers binnen Europa wordt beëindigd. Welke resultaten heeft hij in dat opzicht geboekt?
Mevrouw Bussemaker (PvdA) vindt het te gek voor woorden dat de Sociale raad zich door een verkeerde planning van vergaderingen niet uit heeft kunnen laten over de globale economische richtsnoeren. Er is nu een richtsnoer over consultaties van werknemers, maar helaas wel met nieuwe compromissen en overgangstermijnen en zonder aanscherping van sanctiebepalingen. Betekent dat dat een bedrijf dat veel werknemers ontslaat zonder informatie vooraf, met de huidige afspraken niet gestraft kan worden?
België heeft nu het voorzitterschap van Zweden overgenomen. Mevrouw Bussemaker verwacht daar veel van. Zij hebben een ambitieuze agenda, in het bijzonder op sociaal terrein, waar zij onder andere veel aandacht willen besteden aan pensioenen, kwaliteit van de arbeid en armoede. Zij verwacht dat Nederland zijn zuiderburen bij deze initiatieven zal ondersteunen. Verder juicht zij het toe dat de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting nu definitief op de Europese agenda staat.
België wil veel werk maken van het ontwikkelen van indicatoren. Dat is een belangrijk voornemen. In het Nederlandse actieplan worden echter geen concrete voorstellen gedaan over hoe in Europees verband indicatoren ontwikkeld zouden kunnen worden. De minister denkt toch wel mee over meer vergelijkbare metingen en concrete indicatoren? Mevrouw Bussemaker hoopt dat de NGO's, zoals organisaties die zich bezighouden met armoedebestrijding, en de sociale partners daar ook meer bij betrokken worden.
Mevrouw Bussemaker steunt in grote lijnen de voorstellen van de Europese Commissie op het punt van de pensioenen. De financiële houdbaarheid is daarbij van groot belang. Daarom moet voorkomen worden dat nalatig gedrag van een lidstaat leidt tot hoge inflatie, die afgewenteld wordt op de pensioenvoorziening van andere lidstaten. Zij hoopt dat Nederland daaraan vast zal houden.
De discussie moet volgens mevrouw Bussemaker niet alleen gaan over de begrotingen, maar ook over het vergroten van het financiële draagvlak. Zij steunt de aanpak van de regering op dat punt. Behalve de financiële houdbaarheid dient echter ook de kwaliteit van het pensioenstelsel voorop te staan. Daarbij past een goede samenwerking tussen de Ecofin-raad en de Sociale raad.
In het stuk van de Commissie ontbreekt ten onrechte het thema van arbeidsmobiliteit. Is Nederland voornemens te proberen daar toch nog een belangrijke plaats voor in te ruimen? In het Nederlandse stuk ontbreekt het compatible maken van pensioensystemen aan niet-standaard werkvormen. Hoe gaat Nederland daar alsnog invulling aan geven?
De regering heeft gezegd dat zij positief staat tegenover de Bolkestein-richtlijn, maar op een aantal punten zorgen heeft over de invulling daarvan. Waar ligt de grens voor de regering? Kan de staatssecretaris aangeven wat het Nederlandse standpunt is in dezen?
Het verbaast mevrouw Bussemaker dat de belangen van werkgevers zo nadrukkelijk worden genoemd in de brief van de minister, aangezien kwaliteit van de arbeid in eerste instantie voor werknemers van groot belang is.
Mevrouw Bussemaker steunt de regering van harte in de krachtige taal die zij spreekt over het erkennen dat flexwerk en deeltijdarbeid volwaardige arbeid zijn. Nederland staat daarin nog te vaak alleen in Europa. Wat haar betreft, moet in elk kwaliteitsbegrip dat wordt ontwikkeld, de mate van bescherming van dergelijke arbeid meegenomen worden. Zal de minister nog pogingen op dat punt doen? Wat is de stand van zaken in Europa als het gaat om dit thema?
De heer Harrewijn (GroenLinks) merkt op dat de pensioenen in Nederland over het geheel genomen niet slecht zijn in vergelijking met andere landen. Dat komt met name door de AOW. Hij maakt zich echter wel zorgen over de positie van vooral vrouwen in de pensionering. Dat heeft te maken met het in deeltijd werken, het onderbroken werken, verminderde jaren opbouw en de afkalving van de pensioenregelingen voor nabestaanden. Is er niet een regeling te maken, waardoor de pensioenopbouw beter doorloopt als iemand korter gaat werken om voor de kinderen te zorgen? Verder zijn er mensen die een onvolledig recht opbouwen in de AOW.
Het verbaast de heer Harrewijn dat in de stukken over kwaliteit van de arbeid staat dat er bij de ontwikkeling van indicatoren rekening mee moet worden gehouden dat de lidstaten en met name de kandidaat-lidstaten geen bijkomende administratieve of financiële lasten mogen worden opgelegd. Wordt het denken over de kwaliteit van arbeid niet te veel ingesnoerd door dit soort randvoorwaarden?
De heer Harrewijn vindt het Nationaal actieplan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting een boeiend stuk. Het is echter vooral een opsomming van Nederlands beleid. Er wordt in het plan bijvoorbeeld gesproken over de koopkrachtontwikkeling. Men komt uit op een verbetering van 21%. Het wordt echter niet duidelijk welke groepen wat krijgen. In Europa weet men echter niet wie in aanmerking komt voor een gemeentelijk bijdrage of voor specifiek beleid. Kunnen de cijfers daarom niet wat meer uitgesplitst worden? Dan wordt duidelijker waar de problemen zitten.
De ambities aan de activeringskant worden goed gekwantificeerd en uitgewerkt. De heer Harrewijn is blij dat er veel aandacht is voor sociale activering. In Europa mag best op de agenda komen dat het niet alleen om betaald werk gaat, maar ook om vrijwilligerswerk. Met de ambities rond de armoede ligt het echter anders. Er wordt alleen gezegd dat de koppeling wordt gevolgd en dat men probeert de bijzondere regelingen bekender te maken. Er zijn dus amper gekwantificeerde doelstellingen.
De heer Harrewijn is er voorstander van dat op Europees niveau armoedenormen worden vastgesteld. Het is echter te simpel om alleen een percentage te noemen. Dan kan er namelijk geen vergelijking plaatsvinden. De indicatoren die zullen worden opgesteld, moeten dan ook niet dermate ruim zijn dat ze niets meer zeggen, maar moeten streefdoelen bevatten, aan de hand waarvan landen met elkaar vergeleken kunnen worden.
De minister merkt op dat de regering de afgelopen jaren erin is geslaagd om een groot aantal onderwerpen die het beleidsterrein van SZW betreffen, geïntegreerd op de agenda van de Sociale raad en de Ecofin-raad te krijgen. Het is de bedoeling dat Nederland een voorstel zal doen om de pensioenen ook geïntegreerd te benaderen, waarbij de Ecofin-raad en de Sociale raad zullen samenwerken om een geïntegreerde rapportage op te stellen, die vervolgens verwerkt kan worden in de richtsnoeren.
Het gaat bij armoede en sociale uitsluiting om een inhoudelijke beoordeling van het beleid en de mogelijkheid om het beleid van de verschillende landen te vergelijken. Er zijn echter talloze indicatoren. Die zijn ook belangrijk, maar het mogen geen vage papieren termen blijven. Er wordt geprobeerd om voor het eind van het jaar zo veel mogelijk overeenstemming te bereiken over een set van indicatoren. Vervolgens kunnen die dan worden uitgewerkt, zodat er een min of meer objectief beeld ontstaat en landen kunnen worden vergeleken. De minister zal in zijn sociale nota aangeven waar Nederland op dat punt staat. Nederland is overigens niet het enige land dat worstelt met het probleem van het bepalen wat een goede maatstaf is voor alles wat te maken heeft met armoede en de kwaliteit van arbeid. Andere Europese landen worstelen daar ook mee.
De werkervaringspremie is effectiever om de armoedeval te verkleinen dan is gesuggereerd. Het argument dat iemand kan gebruiken, namelijk dat hij er niet op vooruit gaat, is dan weg, want men gaat er daadwerkelijk op vooruit. In de miljoenennota zal nog een verruimend voorstel op dit punt worden gedaan. In een stuk dat naar Europa wordt gestuurd kan echter niet tot in die details worden getreden.
Het is moeilijk om als het gaat om armoede, te bepalen welk streefdoel moet worden gehanteerd. Er kan een inkomensgrens worden gehanteerd, maar een studie van het SCP heeft uitgewezen dat de groep van mensen die tien jaar geleden onder de grens zaten bijna helemaal is verdwenen en is vervangen door een nieuwe groep. Mensen zijn vaak tijdelijk aangewezen op een laag inkomen. Er zijn echter mensen die er blijvend op aangewezen zijn. Daar doet die armoede zich echt voor.
De Nederlandse regering is niet voor nieuwe regelgeving als het gaat om de kwaliteit van arbeid. Haar inzet is dan ook om hetgeen nu al op de agenda staat zo veel mogelijk in te kaderen in bestaande regels, dan wel te verbijzonderen. Dat is ook de lijn van de meerderheid van de landen. De minister probeert de aspecten die daarbij een rol spelen zo veel mogelijk onder te brengen in een set van indicatoren. In Europa wordt echter verschillend gedacht over een aantal zaken, zoals deeltijdwerk en flexwerk. Er zijn nu werkgroepen bezig met het opstellen van een set van indicatoren. Die doen een voorstel. Vervolgens gaat ieder land zelf nog een keer kijken naar die indicatoren. Dat levert een rijk geschakeerd beeld op. In de opstartfase kan sprake zijn van bureaucratie, maar als die sets van indicatoren eenmaal zijn ontwikkeld, zal het wel meevallen met de bureaucratie, omdat de discussie zich dan vooral zal toespitsen op het interpreteren van de cijfers.
De minister heeft eerder al met de Kamer van gedachten gewisseld over de rol van NGO's en sociale partners. Hij spreekt tegenwoordig met iedereen en weet dan ook niet met wie hij nog meer zou moeten spreken. Werkgevers- en werknemersorganisaties worden sowieso altijd uitgenodigd.
Het is niet Europees geregeld dat er straffen of sancties worden uitgedeeld aan bedrijven die werknemers ontslaan zonder ze vooraf voldoende in te lichten. Dat moet op nationaal niveau gebeuren.
Over de jonge voetballers gaat vandaag een brief naar de Kamer.
De staatssecretaris heeft begrepen dat er brede instemming is met de beleidsinzet van de Nederlandse regering op het gebied van pensioenen. De regering is van mening dat het verschaffen van een goede en houdbare pensioenvoorziening een verantwoordelijkheid is en blijft van de nationale lidstaten. Er is echter wel een Europees belang als het gaat om de houdbaarheid van zowel de kwaliteit als de kwantiteit van de pensioenvoorzieningen. Mocht als gevolg van de vergrijzing blijken dat in een bepaald land de pensioenvoorziening niet of nauwelijks meer financierbaar is, kan dat een effect hebben op bijvoorbeeld Nederland, hetzij als gevolg van een economische verstoring, hetzij als gevolg van een te hoge inflatie. Hij is dan ook verheugd dat in de afgelopen jaren de pensioenproblematiek vrij hoog op de agenda van Europa is gekomen.
Het stabiliteitspact hoeft niet te worden aangepast, aangezien dat pact algemene voorwaarden geeft voor een gezond macro-economisch en budgettair beleid. De pensioenproblematiek zou echter expliciet moeten worden meegenomen bij de jaarlijkse beoordeling van de economische richtlijnen en de prestatie op het gebied van budgettair beleid. Daardoor zou dan namelijk meer druk kunnen worden uitgeoefend op landen die zwoegen onder een hoge staatsschuld en een ongefinancierd pensioensysteem, dan op een land dat wellicht een wat te hoge staatsschuld heeft, maar wel een goede kapitaaldekking kent. Dat kan overigens pittige discussies opleveren, want er zijn maar vier landen in Europa die een behoorlijke reserve in de vorm van kapitaalvoorzieningen hebben. Van die vier zit er maar één in de EMU en dat is Nederland.
Wat de staatssecretaris zo goed bevalt aan de mededeling van de Europese Commissie is dat men, naast de eerste pijler, ook veel aandacht wil besteden aan de tweede en derde pijler. Die achten zij van evenveel belang als de publieke pensioenvoorzieningen in de eerste pijler. De tweede pijler is dankzij het pensioenconvenant sterk gemoderniseerd, zonder dat het tot kostenverhogingen heeft geleid. Nederland is dus al een eind op weg, maar er zijn nog witte vlekken. Die zullen in het kader van de nieuwe pensioenwet worden besproken. Dat wetsvoorstel zal in het najaar van volgend jaar bij de Kamer kunnen liggen.
De conglomeratenrichtlijn heeft geen gevolgen voor het toezicht op pensioenfondsen, maar wel voor de Bolkestein-richtlijn. Het gaat overigens niet goed met die richtlijn. In de Ecofin-raad en andere raden is daarover nog geen begin van overeenstemming. De grootste bedreiging voor Nederland zou zijn als de richtlijn volgestopt zou worden met kwantitatieve restricties op beleggingen. Dat is op dit moment echter niet aan de orde. De richtlijn heeft als belangrijkste doelmerk het liberaliseren van de kapitaalstromen. Er moet echter eerst voor worden gezorgd dat er iets te liberaliseren valt.
In het stuk van de Commissie is wellicht sprake van een gebrek aan belangstelling voor de arbeidsmobiliteit, maar dat is zeker niet het geval bij de richtlijn van commissaris Bolkestein. Er is dus geen sprake van een doelbewuste veronachtzaming. De Commissie heeft verder wel aandacht voor het aanpassen van pensioenstelsels aan veranderende samenlevingsvormen. De regeling die Nederland kent op het punt van de AOW is van een zeer hoog niveau. Voor de AOW hoeft niet te worden bijgedragen als voorwaarde om ervoor in aanmerking te komen. Om ervoor in aanmerking te komen, hoeft men alleen maar in Nederland te wonen. Er is inderdaad sprake van steeds meer mobiliteit in Europa en dat is ook een reden om er voorzichtig mee te zijn de opbouwperiode te gaan verkorten, want dan wordt er wel erg hard getrokken aan de solidariteit die in het stelsel zit.
Van iemand die in Nederland arbeidsongeschikt raakt, wordt de pensioenopbouw in het algemeen premievrij voortgezet op basis van zijn laatst genoten loon. Dit heeft tot gevolg dat als men naderhand terugkeert op de arbeidsmarkt in een baan die lager is ingeschat dan de eerste baan, men een zeer grote kans heeft dat men er in de pensioenvoorziening enigszins op achteruit gaat. Dat is het gevolg van een politiek van goede bedoelingen, die zich tegen zichzelf keert. De staatssecretaris hoopt dan ook dat de sociale partners daar eindelijk eens verstandig mee om zullen gaan. Het is namelijk tegenstrijdig aan het beleid van reïntegratie.
Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Van Lente (VVD), Van Dijke (ChristenUnie), Bakker (D66), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Van der Knaap (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Balkenende (CDA), Van Gent (GroenLinks), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Örgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA), Wilders (VVD), Snijder-Hazelhoff (VVD), Depla (PvdA), Bolhuis (PvdA).
Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Van Middelkoop (ChristenUnie), Van Vliet (D66), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Ten Hoopen (CDA), Vendrik (GroenLinks), Mosterd (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Schoenmakers (PvdA), Dankers (CDA), Wagenaar (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA), De Vries (VVD), Van Splunter (VVD), Van der Hoek (PvdA), Hamer (PvdA).
Samenstelling: Leden: Te Veldhuis (VVD), voorzitter, Weisglas (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (ChristenUnie), Van Oven (PvdA), ondervoorzitter, Voûte-Droste (VVD), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Verhagen (CDA), Rouvoet (ChristenUnie), De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Van den Akker (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Weekers (VVD), Albayrak (PvdA), Eurlings (CDA), Van Baalen (VVD), Molenaar (PvdA).
Plv. leden: Verbugt (VVD), Blaauw (VVD), Dittrich (D66), Van den Berg (SGP), Valk (PvdA), Wilders (VVD), Remak (VVD), Ter Veer (D66), Van Bommel (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), De Graaf (D66), Van der Hoeven (CDA), Waalkens (PvdA), Balkenende (CDA), Cörüz (CDA), M.B. Vos (GroenLinks), Feenstra (PvdA), Zijlstra (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Örgü (VVD), Gortzak (PvdA), Crone (PvdA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-153.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.