21 501-18
Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid

nr. 152
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 juli 2001

Hierbij stuur ik u – mede namens staatssecretaris Hoogervorst – het verslag van de Informele bijeenkomst van ministers van Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, die staatssecretaris Hoogervorst en ik op 7 juli in Luik hebben bijgewoond.

Op de Informele Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid is over twee onderwerpen gesproken:

• De formulering van doelstellingen in het kader van de hervorming van de pensioenstelsels in de lidstaten van de EU en de uitwerking van de methode van open coördinatie inzake pensioenen.

• Het – uit de «sociale agenda van de EU» voortvloeiende – thema «kwaliteit van de arbeid». Meer in het bijzonder richtte de discussie zich op de ontwikkeling van indicatoren met betrekking tot de «kwaliteit van de arbeid».

Over beide onderwerpen is recent een Commissiemededeling verschenen. De Commissiemededeling inzake pensioenen d.d. 3 juli 2001 is bijgevoegd.1 De Commissiemededeling inzake de kwaliteit van de arbeid d.d. 20 juni 2001 heeft de Kamer reeds ontvangen op 28 juni jl. (bijgevoegd bij de geannoteerde agenda).

Voorts heeft het voorzitterschap op deze informele Raad mededelingen gedaan over sociale bemiddeling en over de stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van indicatoren inzake sociale uitsluiting.

Met betrekking tot het thema pensioenen kwam in de Raad naar voren dat er bij een aantal lidstaten duidelijke aarzelingen bestonden bij met name het voorgestelde tijdschema voor de aanpak van de pensioenproblematiek. Voorts benadrukten verschillende lidstaten dat de doelstellingen uit de Commissiemededeling een ruimere formulering behoeven, zodat beter rekening kan worden gehouden met de diversiteit van de pensioenstelsels.

Bij de discussie over de kwaliteit van de arbeid bleek dat een aantal lidstaten vraagtekens zette bij met name het aantal door de Commissie voorgestelde indicatoren, alsmede ook bij de inhoud van een aantal indicatoren.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. A. F. G. Vermeend

Verslag Informele Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid

Luik, 7 juli 2001

Sociale Bemiddelaars

Voorafgaand aan de informele Raad heeft de «troika» met sociale partners gesproken over het Europees Sociaal Beleid. Het voorzitterschap heeft bij die gelegenheid aangekondigd ernaar te streven om, naar Belgisch voorbeeld, de komende maanden op Europees niveau een systeem van sociale bemiddeling bij grensoverschrijdende arbeidsconflicten op te zetten. Dit voorstel is ook besproken tijdens de lunch van deze informele Raad. Dit najaar zullen vertegenwoordigers van het voorzitterschap de hoofdsteden bezoeken om het idee verder uit te werken en te bezien of er overeenstemming over kan worden bereikt.

Het voorzitterschap kondigde ook aan dat het voornemens is om, voorafgaand aan de Europese Raad van Laken, op 13 december 2001 een «sociale top» te organiseren. Hieraan werd overigens geen nadere specificatie gegeven.

Indicatoren inzake sociale uitsluiting

Het voorzitterschap zette uiteen dat het wenst om aan het eind van het voorzitterschap op de Europese Raad van Laken een gemeenschappelijke set van indicatoren («toolbox») inzake de strijd tegen sociale uitsluiting op Europees niveau vast te stellen. Het voorzitterschap zette het tijdpad daarvoor gedurende de komende maanden uiteen, alsmede de principes waaraan de indicatoren moeten voldoen en de verschillende typen van indicatoren. De lidstaten werden opgeroepen om de werkzaamheden in het kader van de subgroep indicatoren van het Comité Sociale Bescherming nauwkeurig te volgen. Die werkzaamheden zijn weliswaar van technische aard, maar de uitkomsten zijn van groot politiek belang. Een informatieve nota van het voorzitterschap («Indicatoren voor sociale uitsluiting; waar staan we nu en waar we naar toe willen»; bijgevoegd)1 is uitgedeeld.

Pensioenen

Het voorzitterschap gaf een korte uiteenzetting van de recente geschiedenis van de discussie inzake pensioenen op EU-niveau en verwees naar de brede aanpak waartoe de Europese Raad van Gothenburg had besloten. Op de Top van Laken moet een gemeenschappelijk verslag inzake werkmethoden en doelstellingen worden opgesteld, ter voorbereiding van de «voorjaarsraad» van 2002 (EU-top Barcelona). Het resultaat van de voorbereidende werkzaamheden van het Comité Sociale Bescherming en het Economisch Comité – dat vervolgens moet worden goedgekeurd door de Raad Werkgelegenheid & Sociaal Beleid (RWSB) en de EcoFin – dient naar het oordeel van het voorzitterschap integraal («cut/paste») te worden opgenomen in de macro-economische richtsnoeren.

Commissaris Diamantopoulou zette vervolgens de recente Commissie-mededeling (bijgevoegd bij dit verslag) uiteen. Zij stelde dat de methode van open coördinatie op een flexibele wijze dient te worden toegepast en dat het nodig noch wenselijk is om de procedure van de EU-werkgelegenheidsstrategie voor de pensioenen te kopiëren. Zij benadrukte dat lidstaten verantwoordelijk blijven voor de wijze waarop zij hun pensioenstelsels hervormen. De Commissie stelt alleen een procedure en een tijdschema voor om de lidstaten bij hun inspanningen terzake behulpzaam te zijn. Het is echter wel zaak dat in het eerste semester van 2002 met de procedure kan worden gestart, zodat tijdens de Voorjaarsraad in 2003 een eerste evaluatie kan plaatsvinden. Uitgangspunt hierbij is dat de lidstaten nationale strategieën opstellen inzake de hervorming van de pensioenstelsels.

De vertegenwoordiger van het Europees Parlement – de heer Rocard – benadrukte dat bij de herziening van pensioenstelsels de solidariteit tussen de generaties bewaard dient te blijven. Dat geldt zijns inziens met name indien de tweede en derde pijler in pensioenstelsels verder worden ontwikkeld. Gelijke behandeling voor a-typische werknemers en grensarbeiders dient hoog in het vaandel te staan bij de pensioenhervormingen. Ook andere doelen van de EU, zoals met name bevordering van de mobiliteit, dienen in acht te worden genomen. De EU-pensioendoelstellingen dienen zoveel mogelijk kwantitatief van aard te zijn. In dit verband vroeg hij aandacht voor de ontwikkeling van betere statistieken. Hij verklaarde zich akkoord met de toepassing van de methode van open coördinatie en met de samenwerking tussen RWSB en de EcoFin, maar vond dat de uiteindelijke besluitvorming via de Europese Raad dient te verlopen. Rocard gaf aan dat het Europees Parlement in alle fasen van het proces van open coördinatie betrokken dient te worden.

Nederland – dat als eerste het woord voerde – verklaarde zich op hoofdlijnen akkoord met de Commissiemededeling. Onder Belgisch voorzitterschap zullen de contouren van de pensioenstrategie moeten worden vastgelegd, waarna die verder moeten worden uitgewerkt tijdens de Voorjaarstop in Barcelona. De beleidsbevoegdheid bij de hervorming van pensioenstelsels is en blijft echter een zaak van de lidstaten (subsidiariteit). Als inhoudelijke speerpunten benadrukte Nederland dat de stelsels houdbaar en betaalbaar zijn, dat bevordering van arbeidsparticipatie (met name van ouderen) noodzakelijk is voor de houdbaarheid van de pensioenstelsels, dat vrouwen en mannen gelijk worden behandeld, dat een toereikend inkomen voor de oude dag is gewaarborgd, dat er goed toezicht wordt uitgeoefend op de wettelijke pensioenwaarborgen en op de pensioenfondsen en dat de arbeidsmobiliteit binnen de EU niet wordt belemmerd. De methode van open coördinatie heeft vooral tot doel om te voorkomen dat lidstaten worden geconfronteerd met negatieve financiële effecten («spill-over») van lidstaten die hun pensioenstelsel niet op orde hebben.

Met betrekking tot de procedure stelde Nederland dat er een integrale strategie dient te worden opgesteld waarbij de Raad Werkgelegenheid & Sociaal Beleid en de EcoFin nauw samenwerken en een gezamenlijk rapport opstellen, dat wordt voorbereid door het Comité Sociale Bescherming en het Economisch Comité. Dat rapport moet worden ingebracht bij de Voorjaarstop van Barcelona. Aan de Top van Laken dient een voortgangsverslag te worden voorgelegd dat regeringsleiders de mogelijkheid biedt om richting te geven aan het eindrapport voor Barcelona. De kernpunten van de in Barcelona overeen te komen pensioenstrategie dienen hun weerslag te krijgen in de macro-economische richtsnoeren. Met betrekking tot de procedure nà Barcelona stelde Nederland dat lidstaten jaarlijks een verslag opstellen inzake hun pensioenstrategie, op basis waarvan de Commissie een rapport opstelt dat via de Raden WSB en Ecofin (en de daaronder ressorterende comités) aan de Voorjaarstop wordt aangeboden, zodat jaarlijks een update plaatsvindt. Om de drie jaar zou een meer diepgravende analyse en evaluatie van de ontwikkelingen gemaakt moeten worden.

Uit de daaropvolgende interventies kwam naar voren dat er bij een aantal lidstaten toch aarzelingen bestaan, met name ten aanzien van het door de Commissie en het voorzitterschap voorgestelde strakke tijdschema (zie appendix 5 van de pensioenmededeling van de Commissie). Alom werd benadrukt dat de lidstaten zelf verantwoordelijk zijn voor de hervorming van pensioenstelsels (subsidiariteit) en dat de diversiteit van de stelsels zeer groot is. De meeste lidstaten benadrukten dan ook dat pensioen-doelstellingen met de nodige voorzichtigheid moeten worden vastgesteld. Kwaliteit en gedegenheid dienden de voorkeur te krijgen boven snelheid, was de rode draad in veel interventies. Een aantal delegaties was ook van mening dat de voorgestelde doelstellingen te gedetailleerd van karakter waren en dat er met meer algemeen geformuleerde doelstellingen gewerkt zou moeten worden, teneinde voldoende flexibiliteit bij de uitvoering van de pensioenstrategie te behouden. Eén lidstaat stelde dat, alvorens besluiten te nemen over doelstellingen en werkmethode, eerst indicatoren dienden te worden uitgewerkt, alvorens het zou kunnen instemmen met de voorgestelde doelstellingen en werkmethode.

De voorzitter van het Comité Sociale Bescherming (dhr Briet) achtte het voorgestelde tijdschema wel degelijk haalbaar. Hij wees erop dat het voor de Europese Raad van Nice ook was gelukt om in enkele maanden doelstellingen inzake sociale uitsluiting overeen te komen.

Afsluitend concludeerde het voorzitterschap het volgende:

• Alle delegaties zijn het eens dat de pensioenkwestie een belangrijk en politiek gevoelig thema is in de EU, waarbij subsidiariteit uitgangspunt is.

• De lidstaten hebben meer tijd nodig om de – slechts drie dagen voor de Raad verschenen – Commissiemededeling te analyseren en een standpunt daarover te bepalen.

• De methode van open coördinatie is, met inachtneming van het beginsel van subsidiariteit, uitgangspunt. Dit komt er op neer dat 1) op basis van gemeenschappelijke doelstellingen, 2) geïntegreerde rapporten worden opgesteld over de voortgang van de doelstellingen, mede aan de hand van indicatoren, op basis waarvan 3) conclusies worden getrokken, die er vooral op gericht zijn om lidstaten in staat te stellen van elkaar te leren.

• De te kiezen doelstellingen moeten een algemeen – en niet te gedetailleerd – karakter hebben.

• Alle lidstaten steunen de ontwikkeling van indicatoren op pensioen-terrein, maar vinden dat de ontwikkeling van indicatoren nog de nodige tijd en energie vergt.

• Het voorzitterschap zal zich beraden over het tijdschema, op basis van de gemaakte opmerkingen. Hoewel het voorzitterschap op grond van de discussie een qua organisatie en tijdschema lichter proces denkbaar acht, wees het erop dat de aanwezige kansen om deze moeilijke problematiek nu eindelijk aan te pakken niet mogen worden gemist en dat het voorgestelde tijdschema juist belangrijk is om op de Voorjaarsraad van Barcelona adequate besluiten te kunnen nemen. In dit verband onderstreepte het voorzitterschap het belang van de Commissie-mededeling.

Kwaliteit van de arbeid

Commissaris Diamantopoulou leidde de discussie in aan de hand van de recente Commissiemededeling over de kwaliteit van de arbeid (bijgevoegd bij de geannoteerde agenda, die op 20 juni 2001 aan de Kamer is toegestuurd). Zij noemde kwaliteit van de arbeid de ontbrekende schakel tussen verbetering van het concurrentievermogen enerzijds en sociale cohesie anderzijds. Kwaliteit dient een integraal en meetbaar onderdeel te worden van de werkgelegenheidsstrategie, maar ook van andere activiteiten, zoals de sociale dialoog en de uitbreiding van de EU. Betere banen en meer investeringen zullen het sociale klimaat verbeteren en zo leiden tot een hogere produktiviteit, hetgeen het realiseren van de Lissabondoelstellingen bevordert. Daarvoor zijn indicatoren nodig, zodat een kwantitatief en kwalitatief meetinstrument kan worden ontwikkeld voor de diverse aspecten van het kwaliteitsbeleid. Die indicatoren moeten een breed karakter hebben en niet alleen betrekking hebben op de werkplek.

EP-vertegenwoordiger Rocard liep de verschillende dossiers langs die op het ogenblik op Raads- en/of EP-niveau spelen (Europese Vennootschap, richtlijn informatie en consultatie van werknemers, diverse arbo-richtlijnen), alsmede de onderwerpen die in de sociale dialoog aan de orde zijn of waren (zoals uitzendarbeid en telewerk). Hij riep de Commissie op om met wetgevende initiatieven te komen als de sociale dialoog niet tot resultaat komt. Kwaliteit dient zijn inziens niet alleen te worden gemeten op sociaal terrein, maar ook bij duurzame ontwikkeling, in de sfeer van fiscaliteit, bij openbare aanbestedingen en bij de diensten van algemeen belang. Aangezien het thema sociale kwaliteit een politiek novum is in EU-verband, riep hij de ministers op om commissaris Diamantopoulou te steunen in haar strijd voor kwaliteit. Er dient een degelijke set kwaliteitsindicatoren te komen.

Het voorzitterschap legde vervolgens twee vragen voor aan de lidstaten:

• hoe kunnen we kwaliteitsindicatoren inpassen in de bestaande processen en instrumenten?

• hoe kunnen we deze indicatoren definiëren?

In de discussie bleek dat de lidstaten zich in algemene zin konden vinden in de noodzaak om kwaliteit bij de arbeid na te streven, maar dat bij de uitwerking die de Commissie in haar mededeling heeft gegeven er kritische kanttekeningen worden geplaatst. Enkele lidstaten waren van mening dat de Commissie te veel indicatoren voorstelt. Van verschillende kanten werd gepleit om de indicatorenexercitie te beperken tot de werkgelegenheidsstrategie. Hierbij vonden sommige lidstaten dat de Commissiemededeling verder ging dan de conclusies van de Europese Raad van Stockholm. Niet bij alle indicatoren werd een verband tussen de voorgestelde indicator en de kwaliteit van de arbeid gezien. Vrijwel alle lidstaten benadrukten dat er geen sprake kan zijn van een nieuw proces. Slechts één lidstaat sprak zich expliciet uit vòòr de Commissiebenadering om indicatoren over de volle breedte van de sociale agenda te ontwikkelen, alsmede vòòr de – door een aantal lidstaten ter discussie – gestelde indicator inzake beloning (60% mediaan inkomen).

Nederland had veel waardering voor de Commissiemededeling, maar vond een nadere prioritering van onderwerpen wenselijk. Het noemde vier onderwerpen in dit verband: arbeidspatronen; arbeidsvoorwaarden; arbeidsomstandigheden en medezeggenschap. Nederland wees erop dat in de Commissiemededeling soms onduidelijk is hoe bepaalde ontwikkelingen moeten worden geduid. Nederland illustreerde dat aan de hand van de indicator voor deeltijd en voltijd werken. Naar Nederlands oordeel is niet het gegeven of iemand voltijd dan wel deeltijd werkt indicatief voor de kwaliteit van de arbeid, doch de vraag of deeltijders dezelfde rechtsbescherming hebben als voltijders en de vraag of ze – naar gelang de gezinssituatie – zelf voor voltijd of deeltijd kunnen kiezen. Nederland gaf aan dat – gezien het streven om met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt meer banen te scheppen – moet worden opgepast dat het ongewenste en onjuiste beeld ontstaat dat alleen hooggeschoolde banen kwalitatief goede banen zijn. Ook Nederland benadrukte de inbedding in de EU-werkgelegenheidsstrategie en het voorkómen van nieuwe processen. Met betrekking tot de voorgestelde indicator voor de beloning (60% mediaan inkomen) stelde Nederland dat die zeer arbitrair is en dat beter gekeken kan worden naar de vraag of het loon een stimulans vormt om uit de uitkeringssituatie te geraken. Ten slotte riep Nederland op om vooral praktisch te werk te gaan, gericht op het ontwikkelen van praktische handvatten om tot benchmarks te komen over de diverse kwaliteitsaspecten van de arbeid.

Commissaris Diamantopoulou bestreed dat er nieuwe processen in de maak zijn. Zij stelde dat er snel keuzes gemaakt moeten worden, met name over de vraag welke indicatoren zullen worden opgenomen in de werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 2002. Verder herhaalde zij dat naar het oordeel van de Commissie niet alleen in de werkgelegenheidsstrategie met indicatoren gewerkt zal moeten worden, maar in alle beleidsonderdelen van het Europees sociaal model.

Het voorzitterschap constateerde dat de Commissiemededeling een goede basis voor de verdere werkzaamheden vormde. Het benadrukte eveneens dat er geen sprake van is dat er nieuwe processen worden ontwikkeld. Er wordt gewerkt binnen het kader van bestaande processen. Gehoord de discussie moet aan een aantal indicatoren nog verder worden gesleuteld en zullen hierover nadere compromissen moeten worden gesloten. Het voorzitterschap benadrukte – mede in aansluiting op de inbreng van Nederland – dat veel belangrijker is dat er duidelijkheid is wat onder de (bij te stellen) indicatoren wordt verstaan, dan op voorhand het aantal indicatoren terug te dringen. Het tijdschema is echter krap, gezien de opdracht die door de Europese Raad is verstrekt met betrekking tot de ontwikkeling van indicatoren ten behoeve van de Europese Raad van Laken. Het voorzitterschap riep de lidstaten daarom op om mee te werken, zodat op tijd het gewenste resultaat kan worden geleverd.


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven