Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 21501-18 nr. 146 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 21501-18 nr. 146 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 mei 2001
Mede namens Staatssecretaris Verstand zend ik u hierbij de geannoteerde agenda ten behoeve van de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 11 juni aanstaande. Deze agenda zal tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamer op 7 juni aanstaande worden besproken.
Het Nationaal Actieplan Werkgelegenheid en het verslag van de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid heb ik u reeds eerder toegezonden.
Tevens kan ik u melden dat u spoedig separaat een notitie over de werkzaamheden van het Comité Sociale Bescherming ontvangt. Om deze notitie is door uw Kamer in het Algemeen Overleg van 23 november jl. verzocht.
Geannoteerde agenda van de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 11 juni 2001 te Luxemburg
1. Gelijke behandeling van mannen en vrouwen
| Titel voorstel: | Wijziging van Richtlijn 76/207/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden |
| Document: | COM(2000)334 |
| Aard bespreking: | Politiek akkoord over een gemeenschappelijk standpunt/Voortgangsverslag |
De Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid zal zich buigen over de voortgang van de besprekingen met betrekking tot deze wijziging.
Op 7 juni 2000 heeft de Europese Commissie een voorstel tot herziening van de richtlijn gedaan. De voorgestelde wijziging wil een concrete invulling geven aan art. 141 (art. 119 oud) van het EG-Verdrag en houdt rekening met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op het terrein van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het werk. Over dit voorstel is op 18 oktober 2000 een fiche naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 22 112 nr. 170). De door de Commissie voorgestelde wijziging omvat onder meer de volgende aspecten:
• seksuele intimidatie wordt omschreven als een vorm van discriminatie gebaseerd op geslacht;
• er wordt een definitie van indirecte discriminatie opgenomen met dezelfde inhoud als de definitie van dit begrip in de bewijslastrichtlijn (richtlijn 97/80/EG; regelt, in geval een aanklager feiten aanvoert die discriminatie kunnen doen vermoeden, de verweerder dient te bewijzen dat het beginsel van gelijke behandeling niet werd geschonden);
• er wordt een recht van de vrouw opgenomen om na afloop van het zwangerschapsverlof terug te keren naar haar oude beroep of naar een vergelijkbare functie onder dezelfde arbeidsvoorwaarden;
• de lidstaten worden verplicht nationale organen voor de handhaving van gelijke kansen in het leven te roepen en ervoor te zorgen dat alle bij de richtlijn verleende rechten door de rechter worden getoetst, en dat adequate sancties worden ingesteld in gevallen van discriminatie;
• Artikel 141, lid 4, van het Verdrag (beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen) wordt uitgevoerd door te bepalen dat de lidstaten het recht hebben positieve acties te ondernemen om de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen en dat zij regelmatig verslag moeten uitbrengen over hun activiteiten.
Nederland staat positief tegenover het voorstel van de Commissie om de tweede richtlijn te herzien. Op onderdelen heeft Nederland opmerkingen. Deze betreffen met name de aansluiting bij de vorig jaar totstandgekomen richtlijnen op grond van artikel 13 van het EG-verdrag (Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming en Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep). Van belang wordt namelijk geacht dat het niveau van bescherming tegen discriminatie op grond van geslacht gelijkwaardig is aan de bescherming die wordt geboden in de beide artikel 13-richtlijnen. De Nederlandse inzet is dat in beginsel zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de tekst van de hiervoor genoemde richtlijnen. Van dit uitgangspunt wordt vanzelfsprekend afgeweken indien de huidige richtlijn en de daarop gebaseerde jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie meer bescherming bieden.
Over het wijzigingsvoorstel heeft een informatiebijeenkomst plaatsgevonden ten behoeve van ngo's en werkgevers- en werknemersorganisaties op 8 februari 2001. De Commissie gelijke behandeling heeft op 29 maart jl. advies uitgebracht over de voorgestelde wijziging.
Het Europees Parlement stemt op 31 mei over zijn amendementen in eerste aanleg. Daarna kan de Raad een gemeenschappelijk standpunt innemen. Binnen de Raad vindt nog discussie plaats over een aantal kwesties, waaronder de definities van discriminatie en intimidatie, over de vormgeving van het terugkeerrecht na het zwangerschapsverlof en over het opnemen van een bepaling over ontslagbescherming bij vaderschapsverlof. De verwachting bestaat dat de Raad op 11 juni overeensteming kan bereiken over een gemeenschappelijk standpunt en dat de wijziging van de richtlijn eind 2001 onder Belgisch voorzitterschap zal worden afgerond.
a) Perspectieven in andere Raadsformaties dan de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid
b) Vergadering van deskundigen op het gebied van «gender mainstreaming» op 15/16 mei te Sigtuna (Zweden)
Aard bespreking: Informatie van het Voorzitterschap
Op woensdag 16 mei jl. vond in Sigtuna op uitnodiging van de Europese Commissie een bijeenkomst op hoog niveau plaats van vertegenwoordigers emancipatiezaken van de EU-lidstaten met als doel, verder te spreken over het instellen van een werkgroep op hoog niveau die een effectieve structuur moet ontwerpen om coördinatie, evaluatie en monitoring van het gelijkekansenbeleid in alle Raadsformaties mogelijk te maken. De discussie is gebaseerd op een initiatief van Staatssecretaris Verstand. Sinds de informele Raad in Berlijn (1999) wordt er door bewindspersonen Emancipatiebeleid gevraagd om een dergelijke structuur. Aan Nederland en Duitsland was gevraagd de nationale ervaring met gendermainstreaming (integratie van emancipatieaspecten in het beleid) uiteen te zetten als input voor de discussie. Besloten is om in een ad-hoc-werkgroep op hoog niveau in te stellen die op basis van een door de Europese Commissie op te stellen voorstel verder zal werken aan een mandaat en een structuur voor gendermainsteaming in de Raad. De groep komt in september onder Belgisch voorzitterschap bijeen.
Gelijktijdig met de ontmoeting op hoog niveau vond in Sigtuna op uitnodiging van het Zweedse voorzitterschap een bijeenkomst plaats van experts op het gebied van gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Aan de bijeenkomst namen vertegenwoordigers deel van de EU-lidstaten alsmede Noorwegen en de kandidaat-lidstaten. Informatie werd uitgewisseld over het integreren van gelijkekansenbeleid in verschillende terreinen, zoals in het onderwijsbeleid en het werkgelegenheidsbeleid, waaronder ook het beleid met betrekking tot beloning valt. In een werkgroep over begrotingsbeleid werd verkend hoe de allocatie van middelen gebruikt kan worden als een instrument om gelijke kansen voor mannen en vrouwen te bevorderen. Tijdens de bijeenkomst van experts werd het belang benadrukt van een herkenbare structuur op EU-niveau om ook het beleid van de Europese instellingen te toetsen op het bevorderen van gelijke kansen tussen mannen en vrouwen.
3. Voorstel voor een richtlijn van het Parlement en de Raad over informatie en raadpleging van werknemers
| Titel voorstel: | Voorstel voor een richtlijn van het Parlement en de Raad over informatie en raadpleging van werknemers |
| Documenten: | COM (1998)612 def. |
| Aard bespreking: | Politiek akkoord over een gemeenschappelijk standpunt |
Het voorzitterschap hoopt een politiek akkoord over een gemeenschappelijk standpunt van de Raad op dit dossier te bereiken. Op de Raad WSB van 27 en 28 november 2000 is het voorstel voor een richtlijn terugverwezen naar de Raadswerkgroep voor afronding van de openstaande punten. Dit heeft nog niet geleid tot een gewijzigd voorstel.
De voorgestelde richtlijn is bedoeld om te voorzien in de lacunes en tekortkomingen van de regelgeving op nationaal en communautair niveau inzake de informatie en raadpleging van werknemers. Werknemers dienen geïnformeerd en geconsulteerd te worden met betrekking tot de economische en strategische ontwikkeling van de onderneming en de beslissingen die hen aangaan. Ook beoogt het voorstel de sociale dialoog en het wederzijds vertrouwen binnen de onderneming te versterken.
Het naar aanleiding van de besprekingen aangepaste voorstel laat aan lidstaten de keuze om vertegenwoordiging op ondernemingsniveau dan wel op vestigingsniveau te laten plaatsvinden. Ondernemingen met 50 of meer werknemers dan wel vestigingen met tenminste 20 werknemers, krijgen de verplichting om werknemers (vertegenwoordigers) te informeren en te raadplegen over:
• de recente en redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen van de activiteiten van de onderneming en van haar economische en financiële toestand;
• de toestand, de structuur en de redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling van de werkgelegenheid binnen de onderneming en indien de werkgelegenheid bedreigd wordt welke anticiperende maatregelen getroffen worden om de negatieve gevolgen voor de werknemers te beperken;
• beslissingen die zouden kunnen leiden tot ingrijpende veranderingen m.b.t. de organisatie van het werk of de arbeidsovereenkomst.
Nederland, dat vanuit de eigen overlegtraditie veel waarde hecht aan medezeggenschap van werknemers, steunt het streven van het voorzitterschap om te komen tot een spoedig politiek akkoord over het voorstel. Minimum harmonisatie op dit terrein zal leiden tot evenwichtigere concurrentieverhoudingen tussen ondernemingen binnen de Unie. Lidstaten die nog weinig geregeld hebben op dit terrein zullen ook moeten overgaan tot het institutionaliseren van de medezeggenschap op ondernemings- dan wel vestigingsniveau. Nederland heeft de voorkeur voor vertegenwoordiging op ondernemingsniveau maar heeft, nu de optie vestigingsniveau facultatief is, geen bezwaar tegen deze optie. Nu in het nieuwe voorstel van het Zweeds voorzitterschap de definitie van vestiging is gewijzigd, zal Nederland erop aandringen dat een duidelijk onderscheid in definities moet bestaan tussen de onderneming en de vestiging. Van belang daarbij is dat een onderneming een zelfstandige eenheid is, terwijl van vestiging sprake is bij een onzelfstandige eenheid.
Het voorstel schept een kader dat vooral van belang is voor de uitvoering van de richtlijn inzake de Europese ondernemingsraden, die als uitgangspunt heeft dat de medezeggenschap binnen ondernemingen op nationaal niveau geregeld is. In het algemeen geldt dat het als gevolg van de internationalisering van het bedrijfsleven en de arbeidsverhoudingen van toenemend belang is dat de momenteel zeer uiteenlopende nationale regelingen met betrekking tot informatie en raadpleging van werknemers meer op elkaar afgestemd worden. Ook in het licht van de totstandkoming van sociale grondrechten alsmede de komende uitbreiding van de EU is het gewenst om een kader met minimumnormen voor de informatie en raadpleging van werknemers vast te stellen.
4. Gewijzigd voorstel voor een richtlijn voor de bescherming van werknemers bij de blootstelling aan geluid
| Titel voorstel: | Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (lawaai) (n-de bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG). |
| Aard bespreking: | Politiek akkoord over een gemeenschappelijk standpunt. |
Sinds januari 2001 is in de Raadswerkgroep Sociale vraagstukken een voorstel van de Commissie voor een herziening van de Europese richtlijn «lawaai op het werk» in behandeling. Aan de Kamer is over dit voorstel door het ministerie van Buitenlandse Zaken een BNC-fiche gestuurd vergezeld van een nieuw voorstel van het Voorzitterschap.
In de ambtelijke werkgroep van de Raad is over een groot deel van de richtlijn overeenstemming bereikt. Het voorzitterschap probeert de bespreking nu af te ronden met een politiek akkoord over een gemeenschappelijk standpunt op de Raad van 11 juni. Het bereiken van dit akkoord is echter afhankelijk van het op tijd beschikbaar komen van het advies van het EP over dit dossier.
De richtlijn is een herziening van de Europese richtlijn 86/188/EEG, getiteld «Richtlijn van de Raad betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan lawaai op het werk». Beoogd wordt met dit voorstel een actualisering van een aantal formuleringen en een aanscherping van de grenswaarden (geluidsniveau) uit de bestaande richtlijn te bewerkstelligen.
In de richtlijn worden een grenswaarde (maximaal toegelaten niveau op het oor, rekening houdend met het gebruik van gehoorbeschermingsmiddelen) en twee actiewaarden (niveau van het omgevingslawaai (dagelijks of weekgemiddelde)) voor blootstelling aan schadelijk geluid voorgesteld. In principe zijn deze waarden gebaseerd op dagelijkse blootstelling; in gevallen waar het geluidsniveau van dag tot dag sterk fluctueert, is het toegestaan om onder voorwaarden het weekgemiddelde te gebruiken.
In het voorliggende voorstel is de grenswaarde 87 dB(A), voor de actiewaarden is dit respectievelijk 85 dB(A)(dagelijks) en 80 dB(A)(weekgemiddelde).
De richtlijn bevat verplichtingen voor de werkgever op de volgende onderwerpen:
• de bepaling en de beoordeling van de risico's; maatregelen ter voorkoming of vermindering van de blootstelling;
• verstrekking en gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen;
• voorlichting en opleiding van de werknemers; en raadpleging en deelneming van de werknemers.
• bepalingen voor een adequaat gezondheidstoezicht.
Het oorspronkelijke voorstel van de commissie spoort voor een groot deel met de bestaande Nederlandse wetgeving op dit terrein. De wijziging van de richtlijn zal naar verwachting niet of nauwelijks tot wijziging van bestaande nationale wetgeving leiden.
Nederland heeft zich compromisbereid opgesteld bij de pogingen om tot een afronding te komen. Desondanks zijn er voor Nederland nog enkele knelpunten over. Zo is de discussie over de grenswaarde nog niet afgerond: Nederland is bereid om als grenswaarde 87 dB(A) te accepteren, maar wijst het eventueel schrappen van de grenswaarde af. Daarnaast ligt er nog de vraag of gebruik van het weekgemiddelde voor de hele toepassingsgebied van de richtlijn toegestaan moet worden, of dat het weekgemiddelde niet kan worden toegestaan bij het algemeen artikel over maatregelen en het artikel over gehoorbescherming. Nederland is voorstander van het laatste. Vervolgens is het nog niet zeker of in de richtlijn bepaald zal worden dat gehoorbeschermingsmiddelen ten minste bescherming moeten bieden tot onder de grenswaarde. Nederland wil die bepaling nadrukkelijk opnemen. Tenslotte is de vraag nog open of er een afzonderlijk artikel voor uitzonderingen moet worden opgenomen. De meningen zijn daarover nog verdeeld. Nederland is voorstander van het weglaten van een dergelijk artikel, te meer omdat van een soortgelijk artikel in de bestaande richtlijn gedurende 15 jaar nooit gebruik is gemaakt.
5. Voorbereiding van de Europese Raad van Göteborg, strategie voor duurzame ontwikkeling
| Titel voorstel: | Commissiemededeling «A Sustainable Europe For a Better World; a European Union Strategy for Sustainable Development» |
| Document: | COM(2001)264 |
| Aard bespreking: | Debat met het oog op de Europese Raad van Göteborg |
Op initiatief van het Zweedse Voorzitterschap heeft de Europese Raad van Stockholm verzocht om een strategie te ontwikkelen voor duurzame ontwikkeling, met inbegrip van de milieudimensie. Deze strategie dient aan te sluiten en voort te bouwen op het politieke engagement van de strategie van Lissabon teneinde een geïntegreerde aanpak van sociaal, economisch en milieubeleid te bewerkstelligen. Deze drie dimensies van duurzame ontwikkeling moeten in de context van de jaarlijkse voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad worden getoetst. De Europese Raad is voornemens om tijdens de bijeenkomst in Göteborg (15 en 16 juni) een voorstel voor een dergelijke strategie aan te nemen. Ter voorbereiding hiervan heeft de Commissie een consultatiedocument opgesteld waarop door lidstaten en maatschappelijke organisaties gereageerd kon worden. Nederland heeft een bijdrage aan de discussie ingediend. Op 15 mei stelde de Commissie vervolgens haar mededeling «A Sustainable Europe for a Better World» vast. In deze mededeling wordt een zestal thema's genoemd, waarvan er thans vier in het document worden uitgewerkt. Dit zijn klimaat, gezondheid, natuurlijke hulpbronnen en transport en ruimtelijke ordening.De overige twee zijn bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en de vergrijzing van de bevolking. Deze laatste twee zijn reeds aan de orde in de Lissabon-strategie en worden daarom in het Commissievoorstel niet verder uitgewerkt.
Nederland steunt het initiatief van Zweden om tot een integrale duurzaamheidsstrategie te komen waarin economische, sociale en ecologische duurzaamheid gezamenlijk benaderd worden. Nederland onderstreept dat het hier niet gaat om een nieuw proces, maar om een completering van de Lissabonstrategie, waaraan door middel van de Europese Sociale Agenda al eerder de sociale doelstellingen waren toegevoegd. Het is van belang dat de ecologische doelstellingen op harmonische wijze worden ingepast in de Lissabonstrategie die economische en sociale doelstellingen met elkaar verbindt, zodat een drieluik ontstaat. De vier doelstellingen op milieuterrein kunnen worden onderschreven. Bij verzending van de geannoteerde agenda was nog niet bekend hoe het Voorzitterschap de discussie wenst vorm te geven.
6a: Aan de Europese Raad van Göteborg voor te leggen verslag over de houdbaarheid van de pensioenregelingen
| Titel voorstel: | «Adequate and Sustainable Pensions: a Report by the Social Protection Committee on the Future Evolution of Social Protection» |
| Aard van de bespreking: | Verslag van het Comité voor de Sociale Bescherming |
De Europese Raad van Lissabon d.d. maart 2000 heeft opdracht gegeven tot het verrichten van een studie naar de toekomst van de sociale bescherming, in het bijzonder pensioenstelsels, vanuit een lange termijn perspectief. Aan de Europese Raden van Feira, Nice en Stockholm zijn voortgangsverslagen voorgelegd.
De rapportage van het Comité voor de sociale bescherming is in belangrijke mate gebaseerd op de door de lidstaten in februari jongstleden ingediende rapportages over hun hervormingsstrategieën1. Kern van de problematiek waarvoor de lidstaten zich geplaatst zien vormt de zich het komende decennium drastisch wijzigende verhouding werkenden-gepensioneerden. Het Comité constateert dat het vergrijzingsbestendig maken van de pensioenstelsels het aangaan van een drieledige uitdaging betekent:
1. het veiligstellen van de aan pensioenstelsels ten grondslag liggende sociale doelstelling om gepensioneerden nu en in de toekomst een toereikend inkomen te garanderen alsmede fatsoenlijke levensomstandigheden.
2. het waarborgen van de financiële houdbaarheid van pensioenstelsels zodat de uit de vergrijzing voortvloeiende effecten voor de overheidsfinanciën de budgettaire stabiliteit niet in gevaar brengen of een onevenredige belasting leggen op toekomstige generaties.
3. het verbeteren van de capaciteit van pensioenstelsels om in te spelen op de veranderende behoeften van samenleving en individu zodat zij bijdragen aan flexibilisering van de arbeidsmarkt, gelijke kansen voor mannen en vrouwen op arbeidsmarkt en sociale bescherming garanderen en beter zijn toegesneden op individuele behoeften.
Het aangaan van deze drieledige uitdaging vereist een integrale sociaal economische strategie gericht op:
• verhoging van de arbeidsparticipatie graad, in het bijzonder van vrouwen en ouderen, in lijn met de doelstellingen van Lissabon en Stockholm; verbeteren van de kwalificaties en inzetbaarheid; verbeteren mogelijkheden om arbeid en zorg te combineren; het scheppen van de vereiste voorwaarden en omstandigheden opdat langer doorwerken gestimuleerd kan worden; flexibele pensioenregelingen; bestrijding leeftijd discriminatie.
Vergroting van de arbeidsparticipatie is echter in veel gevallen niet afdoende om een substantiele stijging in de publieke uitgaven aan pensioenen binnen draagbare proproties te houden. Daarvoor zijn tevens nodig:
• hervormingsmaatregelen. Afhankelijk van de structuur en inrichting van de pensioenstelsels kunnen maatregelen noodzakelijk zijn verband houdende met de hoogte en toekenningsvoorwaarden van pensioenen, de pensioengerechtigde leeftijd, de indexatie methode en de rol van de respectieve pijlers.
• beheersing overheidsfinanciën; verantwoord beheer; terugbrengen staatsschuld; het instellen van reserve fondsen.
Ook de veranderende behoeften van samenleving en individu vereisen modernisering van de stelsels:
• beleid dat inspeelt op de veranderende rol van vrouwen in de samenleving, flexibelere arbeidsmarkten, meer differentiatie in individuele behoeften (maatwerk) en in samenlevingsvormen.
De Commissie zal in een mededeling die in juli a.s. verschijnt conform de conclusies van Stockholm voorstellen doen met betrekking tot de wijze waarop de toepassing van de open coordinatie methode op pensioen terrein gestalte dient te krijgen.
Nederland verwelkomt de rapportage, zij bevat een uitgebreide inventarisatie van de aspecten die bepalend zijn voor de toekomstige houdbaarheid van pensioenstelsels en vormt daarmee een aanzet voor een evenwichtige, integrale benadering van de pensioen problematiek. Het bewerkstelligen van een effectieve mix van sociaal-, economisch- en werkgelegenheidsbeleid is nodig om de samenwerking tussen de lidstaten op pensioen terrein via de open coordinatie methode verder gestalte te geven. Daarvoor is ook nodig dat de betrokken raadsformaties – te weten Ecofin en Werkgelegenheid en Sociaal Beleid – nauw met elkaar samenwerken in de aanloop naar de Europese Raad van Barcelona en daarna. Nederland is van mening dat voortvarendheid betracht dient te worden met de door het Comite voor de sociale bescherming en het Comite voor economisch beleid conform Stockholm conclusie 33 te verrichten nadere, integrale analyse t.b.v. de Europese raad van Barcelona in maart 2002. Deze analyse dient heldere afwegingen mogelijk te maken tussen kwaliteit en houdbaarheid die in het licht van de demografische ontwikkelingen en als onderdeel van een actieve welvaartsstaat noodzakelijk zijn. Door de vaststelling van gemeenschappelijke globale kwaliteitscriteria voor pensioenstelsels zal een aanvang kunnen worden gemaakt met beleidsuitwisseling en identificatie van goede praktijken.
Separaat zal de Kamer een notitie ontvangen over de voortgang werkzaamheden van het Comité voor de sociale bescherming.
6b. Nationale actieplanen tegen armoede en sociale uitsluiting (Stand van de besprekingen)
| Aard bespreking: | Informatie van de Commissie |
De Europese Raad van Lissabon in maart 2000 heeft de lidstaten opgeroepen om uiterlijk 1 juni 2001 een actieplan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting op te stellen. Uitgangspunt voor deze nationale actieplannen vormen de door de Europese Raad van Nice in december 2000 goedgekeurde gemeenschappelijke doelstellingen te weten:
1. Bevordering van de deelname aan het arbeidsproces en van de toegang van eenieder tot alle hulpmiddelen, rechten, goederen en diensten
2. Voorkoming van uitsluitingsrisico's
3. Optreden ten behoeve van de meest kwetsbaren
4. Mobilisatie van alle actoren
In de nationale actieplannen worden deze doelstellingen door de lidstaten uitgewerkt in prioriteiten en worden tevens indicatoren vermeld aan de hand waarvan de voortgang van de uitvoering van deze prioriteiten kan worden gemeten. Vanaf 1 juni 2001 wordt, op basis van de indicatoren die de lidstaten in hun nationale actieplannen hebben gekozen, verder gewerkt aan de vaststelling van gezamenlijke indicatoren. Het doel is om het proces van het vaststellen van de indicatoren voor 1 januari 2002 af te ronden.Ter voorbereiding hiervan zal het Belgische voorzitterschap een wetenschappelijke conferentie organiseren op 14 en 15 september a.s.
Raad en Commissie stellen in het najaar gezamenlijk een verslag op over de nationale actieplannen waarin aanbevelingen en goede praktijken zullen worden opgenomen. Ter voorbereiding hiervan zal de Commissie eind augustus en begin september ontmoetingen hebben met de lidstaten.
Separaat ontvangt de Kamer het Nederlandse nationaal actieplan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting alsmede een notitie over de voortgang van de werkzaamheden van het Comité voor de Sociale Bescherming.
7. Coördinatie sociale zekerheid (hervorming 1408/71)
| Titel voorstel: | Voorstel voor een verordening (EG) van het Europees Parlement en de Raad voor de coördinatie van de sociale zekerheidssystemen (herziening van Verordening 1408/71) |
| Document: | COM (1998)779 def. |
| Aard van de bespreking: | Verslag over de stand van de besprekingen en debat |
Het voorstel beoogt de huidige Europese regelgeving inzake coördinatie van de sociale-zekerheidsstelsels te moderniseren en te vereenvoudigen. Het betreft hier Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. Het gaat hierbij om het waarborgen van de aanspraken die EU-ingezetenen kunnen maken op socialeverzekeringsrechten op het moment dat zij migreren binnen de Europese Unie.
Tijdens het Zweedse voorzitterschap zijn de hoofdstukken 5 en 6 en 7 uit Titel IV besproken. Deze hoofdstukken bevatten bepalingen met betrekking tot werkloosheid, vervroegde uittreding, en gezinsbijslagen en bijslagen voor kinderen die ten laste komen van pensioentrekkers en voor wezen. Het voorzitterschap is voornemens ook het laatste hoofdstuk, hoofdstuk 8 betreffende bijzondere bepalingen met betrekking tot de verschillende soorten prestaties nog tijdens haar voorzitterschap af te ronden, zodat de eerste lezing van het voorstel is voltooid. De besprekingen over dit hoofdstuk moeten echter nog plaatsvinden, zodat het resultaat ervan niet kan worden meegenomen in het nu voorliggende voortgangsverslag.
Aangezien de besprekingen het karakter hadden van een eerste inventariserende ronde, wordt in het voortgangsverslag volstaan met het in algemene zin vermelden van de standpunten van de lidstaten t.a.v. de verschillende wijzigingen.
De ten aanzien van de verschillende onderdelen door Nederland ingenomen standpunten zijn overeenkomstig hetgeen is vermeld in de op 8 juni 2000 aan de voorzitter van de Tweede Kamer gezonden brief m.b.t. EU-socialezekerheidscoördinatie. Met het voortgangsverslag kan worden ingestemd.
Het Zweedse voorzitterschap is van mening dat tijdens de besprekingen twee vragen zijn gerezen waarvan de oplossing het bepalen van een politiek standpunt vereist. Deze zullen derhalve worden voorgelegd aan de Raad.
Het betreft de volgende vragen:
1. Is het, met het oog op bevordering van de werkgelegenheid, wenselijk om de de periode waarin de werkloze met behoud van werkloosheidsuitkering werk kan zoeken in een andere lidstaat, te verlengen van drie tot zes maanden?
2. Is het wenselijk dat werknemers die werkloos zijn geworden terwijl zij in een andere lidstaat woonden, dan de lidstaat waarin zij werkzaam waren, een uitkering ontvangen van hun laatste werkland in plaats van hun woonland?
Het kabinetsstandpunt ten aanzien van de eerste vraag is in eerste instantie afhoudend. De mogelijkheid om gedurende zes maanden in het buitenland werk te zoeken met behoud van uitkering is niet in lijn met de Nederlandse opvattingen over handhaving over de grens en kan geen bijdrage leveren aan de vermindering van de Nederlandse uitkeringslasten. Het land dat uitkering verstrekt heeft gedurende deze termijn geen enkele mogelijkheid om de werknemer te controleren en te begeleiden bij het zoeken naar werk. Ook is het maar de vraag of de kansen in het land waar naar werk wordt gezocht groter zijn dan in het land dat de uitkering toekent. Tijdens het, naar aanleiding van bovenvermelde brief, op 4 oktober 2000 gevoerde Algemeen Overleg met de Kamer heeft Staatssecretaris Hoogervorst ten aanzien van dit onderdeel toegezegd dat aan het LISV zal worden gevraagd een aantal gegevens te gaan verzamelen, waaruit de effectiviteit zal blijken van deze maatregel. Dit onderzoek zal minimaal een jaar in beslag nemen. Inmiddels is op ambtelijk niveau besloten dat alle lidstaten bepaalde gegevens gaan bijhouden. Naar aanleiding van deze gegevens kan het kabinetsstandpunt eventueel worden aangepast.
Met het voorstel om een volledig werkloze grensarbeider aanspraak te geven op een werkloosheidsuitkering van zijn laatste werkland, in plaats van zijn woonland (zoals thans gebruikelijk), kan niet worden ingestemd. Het land wat in dit systeem de uitkering verstrekt, heeft geen enkele mogelijkheid om de werkloze te controleren en te begeleiden bij het zoeken naar werk, terwijl in het voorliggende voorstel van de Commissie controle en begeleiding door de bevoegde instantie in het woonland ook niet of nauwelijks mogelijk is omdat de betrokkene in dat land geen uitkering ontvangt. Daarnaast heeft ook het Hof van Justitie meermalen uitgesproken dat de achtergrond van de huidige regeling, waarbij het woonland uitkering verstrekt, gelegen is in het feit dat de werkloze in het woonland de beste kansen maakt op reïntegratie op de arbeidsmarkt. Tegen deze achtergrond is het het meest logisch dat dit land ook de uitkering verstrekt.
Verdere voortgang van dit dossier
De Europese Raad van Stockholm van 23–24 maart 2001 heeft in zijn conclusies de Raad verzocht om vóór eind 2001 overeenstemming te bereiken over parameters voor dit dossier, teneinde de Raad en het Europees Parlement in staat te stellen aanneming ervan te bespoedigen. Het komende Belgische voorzitterschap heeft inmiddels aangegeven een inventarisatie te willen maken van de politieke knelpunten en deze aan de Raad te willen voorleggen. Op basis van de uitkomst daarvan kunnen dan de parameters worden vastgesteld.
8. Voorstel voor een richtlijn van de Raad over de rol van werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap ECV
| Aard bespreking: | Verslag over de stand van de besprekingen |
Het voorzitterschap zal verslag doen van de stand van zaken bij de onderhandelingen over de ontwerprichtlijn over de rol van werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap (ECV).
Het Zweedse voorzitterschap heeft de behandeling van deze richtlijn voortgezet, nadat op de Europese Raad in Nice over de Europese vennootschap (SE) een politiek akkoord was bereikt. Ook dit dossier was lange tijd geblokkeerd als gevolg van het stagneren van de onderhandelingen over de SE. Net als bij de SE bestaat dit dossier uit een Verordening betreffende de oprichting van een ECV en een Richtlijn betreffende de rol van werknemers. De onderhavige bijdrage heeft betrekking op de richtlijn.
Het Zweedse voorzitterschap streeft ernaar zo dicht mogelijk bij de regeling van de SE te blijven. Uitgangspunt voor de richtlijn voor de ECV blijft dat de rol van werknemers bij een ECV het beste kan worden overgelaten aan vrije onderhandelingen tussen het management en een delegatie van werknemers. Het voorzitterschap heeft daartoe een richtlijnvoorstel gedaan, dat nu in behandeling is op het niveau van de raadswerkgroep. Het voorstel wijkt slechts af van de SE waar dat noodzakelijk is voor de rechtsvorm van de coöperatie. Die afwijking heeft met name betrekking op de oprichting van de coöperatie, die ook door of met natuurlijke personen kan plaatsvinden.
Nederland verwelkomt het initiatief van de voorzitter en steunt het uitgangspunt om, waar mogelijk, zo dicht mogelijk te blijven bij de regeling van de SE.
De Nederlandse regeling.
De rechtsvorm «coöperatie» is geregeld in Titel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De medezeggenschap van werknemers van de coöperatie is geregeld in de Wet op de ondernemingsraden (WOR), voor zover de coöperatie in kwestie onder het ondernemingsbegrip van de WOR valt. Op grote coöperaties is analoog aan de regeling bij grote vennootschappen het structuurregime van toepassing. Dit betekent dat de ondernemingsraad ook bevoegdheden heeft ten aanzien van de raad van commissarissen. Op dit moment bespreekt de SER een mogelijk advies over de structuurregeling bij grote coöperaties en grote onderlinge waarborgmaatschappijen (zoals aangekondigd in SER-advies 01/02 van 19 januari 2001).
Met de voorgestelde richtlijn wordt het in Nederland voorziene niveau van medezeggenschap in geval van totstandkoming van een ECV niet aangetast behoudens de mogelijkheid dat de werknemersdelegatie daarin toestemt (analoog aan de regelingen m.b.t. de Europese Vennootschap).
De Nederlandse rapportage zal als bijlage worden toegevoegd aan de door de Kamer gevraagde notitie over de voortgang van de werkzaamheden van het Comité voor de sociale bescherming.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-146.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.