21 501-18
Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid

nr. 145
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 maart 2001

Bijgaand zend ik u het verslag van de vergadering van de Raad voor de Werkgelegenheid en het Sociaal Beleid die op 6 maart 2001 te Brussel plaatsvond.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. A. F. G. Vermeend

Verslag van de vergadering van de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, gehouden op 6 maart 2001 te Brussel

Het Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad inzake communautaire stimuleringsmaatregelen op het gebied van de werkgelegenheid, dat vermeld werd in de geannoteerde agenda (punt 5), is door het voorzitterschap van de agenda van de Raad gehaald omdat nog geen gemeenschappelijk standpunt is bereikt tussen Europees Parlement en Raad.

Veilige en houdbare pensioenen en pensioenstelsels: een nieuw terrein van Europese samenwerking? (openbaar debat)

Het Zweedse voorzitterschap leidde het openbare debat in en stelde voor om dit debat langs een tweetal vragen te laten verlopen:

– welke basisbeginselen dienen ten grondslag te liggen aan veilige en houdbare pensioenstelsels?

– hoe kan de Europese samenwerking op dit terrein worden vormgegeven en welke rol kan de open coördinatiemethode hierbij spelen?

De Commissie wees erop dat de houdbaarheid van pensioenstelsels niet alleen uit financieel oogpunt maar tevens uit sociaal oogpunt zou moeten worden besproken. Daaruit volgt dat een geïntegreerde aanpak nodig is. Met name wees zij verder op de arbeidsparticipatie van vrouwen en ouderen, als een mogelijkheid om het draagvlak te vergroten. De Commissie stelde zich positief op tegenover de toepassing van de open methode van coördinatie waarbij het SPC een centrale rol zou moeten vervullen.

Nederland verwelkomde de discussie in de Raad over de basisbeginselen van de pensioenstelsels en verklaarde zich ingenomen met de voorgestelde integrale benadering waarin houdbaarheid en kwaliteit van pensioenstelsels in onderling verband worden besproken. Nederland stelde v.w.b. de eerste vraag dat het gaat om een drietal speerpunten:

– waarborgen van financiële houdbaarheid, zoals afgesproken in het kader van het groei- en stabiliteitspact,

– waarborgen van de kwaliteit van pensioenstelsels via de formulering van een aantal gemeenschappelijke doelstellingen,

– waarborgen van de houdbaarheid van pensioenstelsels via een vergroting van de arbeidsparticipatie.

Kwaliteit en houdbaarheid zijn in de Nederlandse visie onlosmakelijk met elkaar verbonden en dienen elkaar in balans te houden en wederzijds te versterken. Nederland heeft goede ervaringen met een pensioenstelsel gebaseerd op een driepijlersysteem waarbij overheid, sociale partners en individu elk hun verantwoordelijkheid hebben. Onder verwijzing naar de gezamenlijke Spaans-Nederlandse verklaring over pensioenhervorming en sociale bescherming van ouderen (verzonden aan uw Kamer op 7 maart 2001) stelde Nederland dat een aantal gemeenschappelijke doelstellingen noodzakelijk is. Een goed uitgangspunt daarbij is de Commissiemededeling over veilige en houdbare pensioenen van 11 oktober 2000 (COM (2000) 622 def).

M.b.t. de tweede vraag verklaarde Nederland zich akkoord met de toepassing van de methode van open coördinatie. Het is in eerste instantie aan de Lid-Staten zelf om oplossingen voor het probleem van de vergrijzing te zoeken, maar gezien de wederzijdse samenhang en afhankelijkheid is het van groot belang dat informatie wordt uitgewisseld en de Lid-Staten van elkaar leren. De eerder genoemde drie speerpunten dienen te worden vormgegeven in resp. het Stabiliteits- en Groeipact, in de uitwerking van de afspraken gemaakt in Lissabon en Nice ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en in de Europese Werkgelegenheidsstrategie. Dit impliceert een betrokkenheid van zowel de Raad EcoFin als de Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid. De Europese Raad dient hierop toezicht te houden.

Deze aanpak vond veel bijval. Eveneens bevestigden vele sprekers dat een verhoging van de arbeidsparticipatie van m.n. vrouwen en ouderen een belangrijk element zal zijn bij de houdbaarheid van pensioenstelsels op langere termijn. Van verschillende zijde werd verder melding gedaan van de uitbouw van pensioenstelsels naar een tweede en soms ook derde pijler.

Meerdere delegaties meldden dat men tevens doende was om reservefondsen in de eerste pijler op te zetten teneinde die pijler, gebaseerd op het omslagstelsel, ook op termijn houdbaar te laten blijven.

M.b.t. de tweede vraag naar de rol van de methode van open coördinatie wees een aantal Lid-Staten op de nationale verantwoordelijkheid voor de inrichting van pensioenstelsels en op de grote diversiteit van regelingen in de Lid-Staten. Dit zal het formuleren van gemeenschappelijke doelstellingen bemoeilijken.

Het Zweedse voorzitterschap trok de conclusie dat alle delegaties konden instemmen met een geïntegreerde aanpak waarin de sociale en de financieel-economische dimensie op een evenwichtige wijze met elkaar verbonden worden. Dat impliceert samenwerking tussen Sociale Raad en de Raad EcoFin. Met inachtneming van het beginsel van subsidiariteit en de diversiteit van regelingen in de Lid-Staten zal op een flexibele wijze de methode van open coördinatie moeten worden toegepast. Hervormingen zullen nodig zijn op het terrein van de pensioenen met inachtneming van het principe van financiële stabiliteit. Houdbaarheid en duurzaamheid zijn vooral gekoppeld aan het werkgelegenheidsbeleid. Daarnaast zal de kwaliteit van pensioenstelsels nadrukkelijk moeten worden betrokken in de afwegingen. Ondanks het feit dat pensioenen vooral nationaal bepaald worden is de methode van open coördinatie een nuttig instrument. Het voorzitterschap riep het Comité voor de Sociale Bescherming op om door te gaan met de ontwikkeling van gemeenschappelijke doelstellingen. De vergaderingen van de Europese Raad in Stockholm en Göteborg zullen de samenwerking op Europees terrein verder moeten uitwerken.

Voorbereiding van de Europese Raad van Stockholm op 23/24 maart 2001

De Europese Raad van Stockholm is de eerste gelegenheid waarop de stand van zaken wordt opgemaakt van de afspraken die in maart 2000 werden gemaakt te Lissabon. De bespreking in de Raad WSB diende om deze inventarisatie voor te bereiden. De discussie vond plaats aan de hand van drie documenten van de Europese Commissie, te weten de mededeling «Het verwezenlijken van het potentieel van de Europese Unie: het consolideren en uitbreiden van de strategie van Lissabon» (COM (2001) 0079 02; het zgn. Syntheseverslag), het «Scorebord voor de uitvoering van de agenda voor het sociale beleid» (COM (2001) 104 def) en de «Mededeling Nieuwe Europese Arbeidsmarkten, open voor allen, met toegang voor allen» (COM (2001) 116 def).

De voorzitter noemde een aantal vraagstukken waarvoor de Lid-Staten van de Unie de komende jaren geplaatst zullen worden, zoals de demografische uitdaging, de ondervertegenwoordiging van vrouwen op de arbeidsmarkt, het bevorderen van mobiliteit, levenslang leren, de noodzaak van het doorvoeren van structurele veranderingen, de kloof tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden op de arbeidsmarkt (skills gap) en het evenwicht tussen sociaal en werkgelegenheidsbeleid. De Commissie wees op haar voorstel om intermediaire doelstellingen op te nemen op het terrein van de arbeidsparticipatie, ter nadere invulling van de doelstellingen die in Lissabon zijn vastgesteld (streven naar een arbeidsparticipatie van 70% in de EU als geheel en een arbeidsparticipatie van 60% voor vrouwen) en legde verder de nadruk op de kwaliteit van de arbeid (Commissiemededeling voorzien in juni). Met betrekking tot sociale cohesie meldde de Commissie dat voor het einde van het jaar indicatoren ontwikkeld zullen moeten worden.

Tenslotte zette zij kort de inhoud van de recente Commissiemededeling inzake nieuwe arbeidsmarkten uiteen en het eraan verbonden actieplan 2002 dat onder Spaans voorzitterschap aan de orde zal komen.

In de daaropvolgende interventies kwam naar voren dat een aantal delegaties toch enigszins teleurgesteld waren over de inhoud van het syntheserapport. Te weinig aandacht voor de sociale aspecten van de afspraken in Lissabon en te weinig aandacht voor hetgeen in de sociale agenda van Nice naar voren was gekomen. Het thema kwaliteit en het noodzakelijke evenwicht tussen financieel-economische aspecten aan de ene kant en sociale aspecten aan de andere kant (alsmede de rol van Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid en Ecofin) kwam in vele interventies terug. Veel sprekers legden de nadruk op de vergroting van de employability van werknemers en het investeren in human resources (met name via scholing, levenslang leren) teneinde de arbeidsparticipatie te verhogen. De vorming van een zgn. «Skills and Mobility Task Force» werd algemeen met instemming begroet. Niet alle delegaties waren enthousiast over het voorstel voor intermediaire doelstelling voor de arbeidsparticipatie. Sommige delegaties gaven er de voorkeur aan om met nationale in plaats van Europese doelstellingen te werken.

Nederland stelde dat in Stockholm twee vragen centraal moeten staan, namelijk:

– welke voortgang is geboekt sinds Lissabon?

– welke extra inspanningen zijn nog nodig om de doelstellingen van Lissabon te halen?

Nederland wees erop dat in Lissabon was gekozen voor een integrale aanpak. Een passende macro-economische beleidsmix, economische structuurhervormingen, werkgelegenheidsbeleid en sociaal beleid moeten gelijk opgaan. Met het Syntheserapport en de uitvoering van de Sociale Agenda is in korte tijd belangrijk werk verricht maar het benchmarken dient in de komende jaren toch beter uit de verf te komen. Evenals een aantal andere delegaties was Nederland van mening dat het Syntheserapport onvoldoende het evenwicht weerspiegelde zoals in Lissabon afgesproken tussen sociale, werkgelegenheids- en economische doelstellingen. In het Syntheserapport ligt een te sterke nadruk op economisch structuurbeleid.

Ter verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon bepleitte Nederland:

– bevordering van arbeidsparticipatie door het stellen van nationale streefcijfers ter invulling van de EU-brede doelstelling die in Lissabon werd vastgesteld.

– intensivering van acties om de arbeidsparticipatie van ouderen te vergroten.

– uitvoering van de afspraken die gemaakt zijn over kwaliteit van de arbeid door de opstelling van indicatoren.

– voorkomen dat er een kloof ontstaat in de kenniseconomie waarbij vrouwen, ouderen en specifieke groepen de aansluiting dreigen te verliezen. Nederland steunt de oprichting van een speciale Task Force die zich richt op vaardigheden en mobiliteit (Skills and Mobility Task Force), mits deze taakgroep een nauwkeurig omschreven mandaat krijgt.

– speciale aandacht voor modernisering van de sociale bescherming en bevordering van de sociale integratie, o.m. door het opstellen van indicatoren aan de hand waarvan de prestaties van de lidstaten gemeten kunnen worden.

Het voorzitterschap presenteerde vervolgens de conclusies die het voorzitterschap trekt uit de discussie (bijlage).

Werkprogramma van het Comité voor de werkgelegenheid 2001

De Raad nam zonder discussie kennis van dit werkprogramma. Bij deze gelegenheid wordt de heer Seamus O'Morain, vertrekkend voorzitter van het Comité, bedankt voor zijn inspanningen en de nieuwe voorzitter, de heer Clive Tucker, succes gewenst met zijn taak.

Werkprogramma van het Comité voor sociale bescherming voor 2001

De Raad nam zonder discussie kennis van dit werkprogramma.

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Diverse wijzigingen 1999/2000)

De voorzitter concludeerde dat er een akkoord bestaat van Raad, Europese Commissie en Europees Parlement. De tekst zal tijdens de eerstvolgende bijeenkomst van de Raad als zgn. A-punt worden afgedaan.

Informatie van het voorzitterschap betreffende:

– de informele ministeriële bijeenkomst betreffende gendergelijkwaardigheid en sociale zekerheid, in Norrkoping, 21–23 januari 2001.

– de informele ministeriële bijeenkomst betreffende werkgelegenheid en telecommunicatie, in Lulea, 15–17 februari 2001.

– de conferentie over «beroepsleven 2000 – Kwaliteit van het werk, in Malmö, 22–24 januari 2001.

Voorzitter informeerde de Raad kort over deze bijeenkomsten, waarbij overigens geen nieuwe aspecten naar voren kwamen. Zie verder de verslagen van met name de beide Informele Raden (aan uw Kamer verzonden op 13 februari resp 20 februari 2001).

Diversen

a) IAO-maatregelen tegen Birma/Myanmar betreffende dwangarbeid.

b) Stand van de ratificatie door de lidstaten van de IAO-Conventie nr. 182 inzake de ergste vormen van kinderarbeid.

De Commissie wees op de sancties die de IAO, overigens voor het eerst in de geschiedenis, heeft genomen tegen Birma/Myanmar in verband met de voortdurende schending van de IAO-conventie inzake dwangarbeid en roept de lidstaten op om gevolg te geven aan de brief terzake van de directeur-generaal van de IAO, de heer Somavia. De Commissie steunt de IAO volledig in zijn acties en zij is van mening dat de EU de ontwikkelingen nauwkeurig zal moeten blijven volgen.

Met betrekking tot IAO-conventie 182 inzake de strijd tegen de ergste vormen van kinderarbeid meldde de Commissie dat inmiddels 6 Lid-Staten deze conventie hebben geratificeerd en dat alle Lid-Staten dit voorbeeld zouden moeten volgen.

Van Nederlandse zijde werd dit laatste pleidooi ondersteund en werd gemeld dat eind vorig jaar deze conventie is geratificeerd en werd het belang van implementatie van de conventie benadrukt.

In dat kader werd melding gemaakt van een conferentie inzake kinderarbeid die eind februari 2002 in Nederland zal worden gehouden. Nederland dankte ook Portugal voor de organisatie van een conferentie over kinderarbeid in februari j.l.

Naar boven