21 501-18
Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid

nr. 144
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 8 maart 2001

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 heeft over de brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 11 december 2000 inzake de implementatie van de Richtlijn van de Raad tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep op grond van artikel 13 van het EG-verdrag (21 501-18, nr. 137) de navolgende vragen ter beantwoording aan de regering voorgelegd.

Deze vragen, alsmede de daarop op 8 maart 2001 gegeven antwoorden, zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Terpstra

De griffier voor dit verslag,

Post

Vragen PvdA-fractie

1

Op welke manier wordt een relatie gelegd tussen het voorkomen van sociale uitsluiting en de uitbreiding van de Europese Unie? Kan de regering aangeven hoe een en ander vertaald wordt in concrete beleidsvoornemens, zowel door de Nederlandse regering als door de Europese Unie?

Nederland erkent het belang om de kandidaat-lidstaten waar mogelijk te betrekken bij de open beleidscoördinatie op onder meer het terrein van de bestrijding van de armoede en sociale uitsluiting. Bij de voorbereiding van de Europese Raad van Nice heeft Nederland dit belang alsmede de noodzaak tot een permanente dialoog tussen de huidige en toetredende lidstaten actief onder de aandacht gebracht van de Commissie en de andere lidstaten.

In het kabinetsstandpunt over de Sociale agenda stelt Nederland dat Nice een oproep moet zijn aan de landen die toetreden tot de EU. Voor de toetredingslanden biedt de sociale agenda een kader voor het ontwikkelen van sociaal-economisch beleid, zodat de weg naar een volwaardig EU-lidmaatschap en de sprong naar de kenniseconomie zo goed mogelijk verlopen. Dat vergt een permanente dialoog van de huidige lidstaten met de toetreders en hun sociale partners. De EU moet de uitbreidingslanden uitnodigen om mee te draaien in de lopende processen van open coördinatie op werkgelegenheids- en sociaal terrein. Zodat ze nu reeds onderwerp kunnen zijn van benchmarking en peer review. Dat is een investering in de toekomst.

In de daaropvolgend door de Europese Raad van Nice vastgestelde sociale agenda (bijlage I bij de conclusies van Nice) wordt de noodzaak benadrukt te bevorderen dat de kandidaat-lidstaten zich instellen op de verwezenlijking van de doelstellingen gericht op de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting.

Het Comité sociale bescherming (SPC) zal komend voorjaar bezien op welke wijze de betrokkenheid van de kandidaat-lidstaten bij de werkzaamheden uitwerking kan krijgen.

2

Vóór het zomerreces zal de Tweede Kamer een notitie krijgen over de gemeenschappelijke bepalingen. Kan de regering een compleet tijdschema met fasering geven van de noodzakelijke en voorgenomen aanpassingen in de Nederlandse wetgeving, zowel ten aanzien van gemeenschappelijke als afzonderlijke bepalingen, ook met oog op de gestelde implementatietermijn?

Zoals het kabinet bij brief van 11 december 2000 (TK 1999/2000, 21 501-18, nr. 137) heeft aangegeven, zal de Tweede Kamer nog voor het zomerreces een notitie ontvangen inzake de implementatie van de zogenoemde gemeenschappelijke bepalingen. Het kabinet zal in deze notitie ook een tijdpad voor de implementatie opnemen en aangeven welke aanpassingen in de Nederlandse wetgeving noodzakelijk zijn. Daarbij zal niet alleen worden ingegaan op de implementatie van de kaderrichtlijn, maar ook op de implementatie van de richtlijn houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming. Zowel de laatstgenoemde richtlijn als de kaderrichtlijn zullen namelijk voor een groot gedeelte worden geïmplementeerd in de Algemene wet gelijke behandeling, zodat het kabinet hiervoor één implementatievoorstel zal voorbereiden. Het implementatievoorstel met betrekking tot het wetsvoorstel Verbod op leeftijdsdiscriminatie bij de arbeid zal naar verwachting in juni 2001 voor advisering naar de Raad van State worden gezonden. De implementatie van de kaderrichtlijn vergt ingrijpende wijzigingen ten opzichte van het huidige wetsvoorstel. Zo dient onder meer de materiële werkingssfeer te worden uitgebreid met ontslag en arbeidsvoorwaarden. Verder is het wenselijk dat de resultaten van de interdepartementale werkgroep met betrekking tot de gemeenschappelijke bepalingen worden meegenomen in het implementatievoorstel. Gezien de complexiteit van de onderwerpen die behandeld dienen te worden is een versnelling van de planning van deze werkgroep niet mogelijk. Aan het verzoek van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 januari jl. om deze planning te versnellen kan derhalve niet worden tegemoet gekomen. Er wordt naar gestreefd om, na de advisering door de Raad van State, het implementatievoorstel met betrekking tot het wetsvoorstel Verbod op leeftijdsdiscriminatie bij de arbeid, in september 2001 aan te bieden aan de Tweede Kamer. Het is de bedoeling om het wetsvoorstel Gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte, in beginsel in het voorjaar van 2001 aan de Raad van State aan te bieden (TK 1999–2000, 24 170 nr. 55). Voor zover mogelijk zal de kaderrichtlijn in dit wetsvoorstel geïmplementeerd worden. Op verzoek van uw kamer zal niet met dit wetsvoorstel gewacht worden tot algehele implementatie mogelijk is (TK 2000–2001, 24 170 nr. 63). Waar het gaat om de zogenoemde gemeenschappelijke bepalingen zullen deze in het wetsvoorstel verwerkt worden, zodra daarover overeenstemming bestaat, zo nodig via nota van wijziging.

3

Wat is de uitkomst van de expertmeeting van januari 2001 over de wijze waarop de terreinen arbeidsvoorwaarden en ontslag kunnen worden geregeld in het wetsvoorstel (blz. 4)?

Op 23 januari 2001 heeft een deskundigenbijeenkomst plaatsgevonden over het onderbrengen van de terreinen arbeidsvoorwaarden en ontslag in het wetsvoorstel Verbod op leeftijdsdiscriminatie bij de arbeid. De bijeenkomst heeft een vruchtbare bijdrage geleverd aan de verdere gedachtevorming over deze onderwerpen.

Vragen CDA-fractie

4

Hoe verhoudt de uitvoering van artikel 13 zich tot de verdere invulling van het Handvest waarin bescherming van een groot aantal fundamentele rechten door de instellingen van de Europese Unie is opgenomen?

Tijdens de Europese Raad van Nice hebben de regeringsleiders het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie ondertekend. Het Handvest is een politieke verklaring, waardoor het een geheel ander karakter heeft dan de ter uitwerking van artikel 13 EG-Verdrag vastgestelde richtlijnen. Een richtlijn is gericht tot de lidstaten en lidstaten moeten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen nemen om de in de richtlijn voorgeschreven resultat(en) te kunnen waarborgen.

5

Waarom is hier voor het instrument van een kaderrichtlijn gekozen? Kan de regering een overzicht geven van welke Nederlandse wetgeving nu feitelijk allemaal onder de werking van deze richtlijn komt te vallen en hoe daar bij toekomstige wijzigingen mee om wordt gegaan?

Er is gekozen voor het instrument van een kaderrichtlijn om de lidstaten flexibiliteit te bieden bij de tenuitvoerlegging. Zoals de Europese Commissie in het voorstel voor de kaderrichtlijn aangeeft is in de tekst voldoende ruimte gehouden om rekening te kunnen houden met de uiteenlopende omstandigheden in de lidstaten, in het bijzonder de uiteenlopende beleidskeuzes en prioriteiten. Door bijvoorbeeld geen definities op te nemen van de non-discriminatiegronden, kunnen de lidstaten bij de implementatie aansluiten bij de eigen wetgevingstraditie.

De kaderrichtlijn dient te worden geïmplementeerd in de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB), het wetsvoorstel Verbod op leeftijdsdiscriminatie bij de arbeid en het in voor-bereiding zijnde wetsvoorstel Gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Toekomstige wijzigingen van deze (voorgenomen) wetgeving zal in overeenstemming met de bepalingen van de kaderrichtlijn dienen te zijn.

6 en 7

Wat is precies het juridische verschil tussen het gestelde in artikel 4 van de kaderrichtlijn en de bepalingen uit de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) artikel 3, tweede lid, en artikel 5, tweede en derde lid?

Komt het gestelde in artikel 6 van de AWGB overeen met het gestelde in artikel 2, tweede lid onder b, van de kaderrichtlijn?

Voor de beantwoording van deze vragen wordt verwezen naar de notitie die de Tweede Kamer voor het zomerreces zal ontvangen inzake de implementatie van de gemeenschappelijke bepalingen.

Vragen SGP-fractie

8

In de vertaling van de toelichting op de kaderrichtlijn van de Europese Commissie (COM (1999) 565 definitief) lijkt een fout te zijn geslopen. Op pagina 8 staat bij de toelichting op artikel 1 de zin: «Wat seksuele geaardheid betreft, moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen seksuele intimidatie, ...». In de Engelse (oorspronkelijke) tekst staat: «With regard to sexual orientation, a clear dividing line should be drawn between sexual orientation, ...». Hoe is dit verschil in vertaling te verklaren?

In de Nederlandse vertaling van de kaderrichtlijn wordt op pagina 8 in de derde regel bij de toelichting op artikel 1 abusievelijk het woord «intimidatie» gebruikt waar het woord «geaardheid» had moeten staan. Deze vertaalfout heeft echter geen gevolgen gehad voor de inhoud van de kaderrichtlijn.

9

Wat betekent het verschil tussen «sexual orientation» en «sexual behavior» concreet voor het toepassingsbereik van de kaderrichtlijn?

Zoals in antwoord op een vraag van het CDA reeds is aangegeven, biedt de kaderrichtlijn de lidstaten enige interpretatieruimte bij de definiëring van begrippen. Dit biedt het kabinet de ruimte om het begrip «hetero- of homoseksuele gerichtheid», dat ziet op zowel het hebben van gevoelens en voorkeuren als op concrete uitingen en gedrag, te blijven hanteren. De rechtsbescherming die de AWGB biedt ten aanzien van de concrete uitingen van hetero- en homoseksuele gerichtheid, zal derhalve niet worden ingeperkt door de kaderrichtlijn.

10, 11, 12 en 16

Op welke punten dient de AWGB als gevolg van de kaderrichtlijn te worden gewijzigd? Hoe verhouden deze wijzigingen zich tot het evaluatietraject van de AWGB?

Biedt artikel 4, tweede lid, van de kaderrichtlijn grondslag voor onverkorte handhaving van artikel 3 AWGB, en de uitzonderingsbepaling gegeven in artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, van deze wet?

Heeft de kaderrichtlijn, gelet op artikel 16, onder a, gevolgen voor artikel 4, onder c, van de AWGB? Vloeit hieruit voort dat omvangrijke inventarisaties nodig zijn om een duidelijk beeld te verkrijgen van regelgeving die moeten worden aangepast?

In artikel 10 wordt een verschuiving van de bewijslast bewerkstelligd. In sommige andere landen is hiermee al ervaring opgedaan. Worden deze ervaringen ook betrokken bij de implementatie van de kaderrichtlijn in de voorstellen voor onze nationale wetgeving?

In de notitie inzake de implementatie die de Tweede Kamer nog voor het zomerreces zal ontvangen, zal worden aangegeven op welke punten de Awgb ten gevolge van de kaderrichtlijn en de richtlijn houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming moet worden gewijzigd. Voor een gedeelte gaat het bij de implementatie om onderwerpen waar ook in het kader van de evaluatie van de Awgb aandacht voor is gevraagd. Op andere punten zal de evaluatie ook los van de implementatie, leiden tot aanpassing van de Awgb. Hier zal nader op worden ingegaan in het kabinetsstandpunt over de evaluatie van de Awgb, dat het kabinet in het voorjaar aan de Tweede Kamer zal aanbieden. Wat betreft artikel 4, onder c, van de Awgb vloeit zowel uit de evaluatie als uit beide richtlijnen voort dat deze bepaling niet onverkort gehandhaafd kan blijven. Aan de verschillende ministeries zal daarom worden gevraagd of wetgeving op hun beleidsterrein aangepast moet worden.

13

Zal de notitie die vóór het zomerreces 2001 is aangekondigd, een overzicht moeten bieden van de hoofdlijnen van alle wijzigingen die op grond van de kaderrichtlijn noodzakelijk zijn? Zo neen, is de gegeven tijd voor implementatie wel toereikend te achten?

Voor de beantwoording van deze vraag verwijst het kabinet naar het antwoord op een eerdere vraag van de PvdA-fractie over dit onderwerp. Overigens hebben de beide richtlijnen een verschillende implementatietermijn. De richtlijn houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming dient op 19 juli 2003 te zijn geïmplementeerd. De kaderrichtlijn dient te zijn geïmplementeerd op 2 december 2003, terwijl voor de non-discriminatie- gronden handicap en leeftijd indien nodig en gemotiveerd een implementatietermijn kan worden aangehouden tot uiterlijk 2 december 2006. De regering acht de implementatietermijn van beide richtlijnen toereikend.

14

Bij vergelijking van het definitieve voorstel van de kaderrichtlijn, zoals die naar de Tweede Kamer is gestuurd (COM (1999) 565 definitief), en de definitieve tekst van de kaderrichtlijn, blijken de artikelen 5, 14 en 15 te zijn toegevoegd. Wat is de reden van het opnemen van deze artikelen?

Artikel 2, vierde lid van het voorstel van de Europese Commissie voor een kaderrichtlijn is in de loop van het onderhandelingstraject verduidelijkt en opgenomen in een apart artikel, te weten artikel 5 van de definitieve tekst van de kaderrichtlijn. Met het oog op het streven naar zoveel mogelijk uniformiteit tussen de kaderrichtlijn en de richtlijn houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming, is artikel 12 uit de laatstgenoemde richtlijn overgenomen in artikel 14 van de kaderrichtlijn. Artikel 15 is op verzoek van het Verenigd Koninkrijk en Noord-Ierland opgenomen in de kaderrichtlijn om het vredesproces in Noord-Ierland te bevorderen.

15

In artikel 15 is een bijzondere bepaling opgenomen voor Noord-Ierland. Welke ruimte biedt artikel 15, tweede lid, die niet reeds door artikel 4, tweede lid, wordt geboden?

Met het oog op vrede en verzoening in Noord-Ierland, is in artikel 15 een bijzondere voorziening opgenomen. Anders dan op basis van artikel 4 van de kaderrichtlijn, gaat het in artikel 15, tweede lid, niet om een wezenlijk beroepsvereiste dat een verschil in behandeling kan rechtvaardigen, maar om de mogelijkheid de bepalingen van de richtlijn betreffende godsdienst of levensovertuiging buiten toepassing te laten bij de werving van onderwijzend personeel.


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Verburg (CDA), Smits (PvdA), Spoelman (PvdA), Van der Staaij (SGP), Örgü (VVD), Harrewijn (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Balkenende (CDA), Wilders (VVD), Santi (PvdA) en Snijder-Hazelhoff (VVD).

Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Hamer (PvdA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Eisses-Timmerman (CDA), Schoenmakers (PvdA), Middel (PvdA), Van Walsem (D66), Weekers (VVD), Vendrik (GroenLinks), Rosenmöller (GroenLinks), Wagenaar (PvdA), Mosterd (CDA), De Vries (VVD), Oudkerk (PvdA) en Klein Molekamp (VVD).

Naar boven