21 501-18
Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid

nr. 140
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 12 januari 2001

Hierbij stuur ik u het verslag van de extra Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 20 december 2000. Deze Raad had uitsluitend de Europese Vennootschap tot onderwerp. In een korte zitting van ongeveer anderhalf uur formaliseerde de Raad het in Nice door de Europese regeringsleiders bereikte akkoord over de – al 31 jaar slepende – kwestie van de Europese Vennootschap.

Deze Raad was niet vooraf gepland door het Franse voorzitterschap en is op zeer korte termijn bijeengeroepen, naar aanleiding van de besluiten in Nice. Ik heb uw Kamer daarom geen geannoteerde agenda kunnen toesturen. De Kamer is bij gelegenheid van diverse Raden de afgelopen jaren uitvoerig geïnformeerd over dit dossier. Bovendien is uw Kamer reeds door de minister van Buitenlandse Zaken uitvoerig geïnformeerd over de uitkomsten van de Europese top in Nice.

Vanwege het ontbreken van een geannoteerde agenda is in het verslag enige achtergrondinformatie gevoegd.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. A. F. G. Vermeend

Verslag van de extra Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, 20 december 2000 (Brussel)

Achtergrond: van Oostenrijks compromis tot doorbraak impasse op Europese Raad Nice

Het dossier Europese Vennootschap (EV) bestaat uit twee elementen:

• Een richtlijn over de rol van de werknemers in de Europese Vennootschap.

• Een verordening die de statutaire grondslag van een Europese Vennootschap regelt.

Het dossier van de Europese Vennootschap sleept al zeer lang, met name als gevolg van het ontbreken van politieke overeenstemming over de wijze waarop de medezeggenschap in een Europese Vennootschap moet worden geregeld.

Onder Oostenrijks voorzitterschap is m.b.t. de hoofdlijnen van de medezeggenschapsregeling de volgende overeenstemming bereikt:

• Bij de vormgeving van de EV-medezeggenschap geldt het primaat van zelfregulering door werkgevers en werknemers, via onderhandelingen tussen een werknemersdelegatie (Bijzondere Onderhandelings Groep; BOG) en het management.

• Als partijen een akkoord bereiken, is de medezeggenschap daarmee geregeld. Uitgangspunt is dat een akkoord voor zo min mogelijk EV-werknemers een achteruitgang in medezeggenschapsrechten betekent.

• Als partijen geen akkoord bereiken of als de werkgever niet wil onderhandelen, treedt krachtens de richtlijn, een wettelijk vangnet (zgn referentiebepalingen) in werking m.b.t. de medezeggenschap.

Onder Oostenrijks voorzitterschap bleef evenwel gebrek aan overeenstemming bestaan over twee hangpunten:

• Welk participatieregime moet gelden als er geen overeenstemming tussen werkgevers en werknemers wordt bereikt.

• Boven welk drempelpercentage van werknemers die medezeggenschapsrechten verliezen de BOG met gekwalificeerde meerderheid een onderhandelingsakkoord moet goedkeuren.

Weliswaar bereikten 14 lidstaten politieke overeenstemming over deze hangpunten, maar één lidstaat heeft een akkoord hierover geblokkeerd, omdat het tegen verplichte participatieregelingen is.

Op de Europese Raad van Nice is een geslaagde poging gedaan om tot overeenstemming te komen over de medezeggenschapskwestie. De regeringsleiders bereikten in Nice een akkoord, dat ingeval van een fusie de lidstaten zelf mogen bepalen of zij de participatiebepalingen van het vangnet omzetten in nationaal recht. Zijn die bepalingen niet omgezet in nationaal recht, dan kan een EV alleen in die lidstaat worden ingeschreven als met de werknemers een overeenkomst over medezeggenschap is afgesloten of als géén van de deelnemende vennootschappen vòòr de oprichting van een EV al was onderworpen aan medezeggenschap (Conclusie 22 van de Europese Raad van Nice).

Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de rol van de werknemers in de Europese Vennootschap

Na een korte introductie over de langdurige voorgeschiedenis van dit voorstel, verwees het voorzitterschap naar de op de Europese Top van Nice door de regeringsleiders overeengekomen conclusies over de Europese Vennootschap.

Diverse lidstaten spraken dank uit richting de ene lidstaat die op dit dossier de afgelopen jaren dermate problemen had gehad, waardoor tot voor Nice een akkoord niet mogelijk was gebleken. Betreffende lidstaat toonde zich tevreden met het bereikte resultaat en sprak zijn waardering uit voor het feit dat het uiteindelijk mogelijk was gebleken om een voor 15 lidstaten bevredigende oplossing te vinden.

Daarna stemde de Raad in met een politiek akkoord over de richtlijn, volgens de lijnen zoals die in Nice waren overeengekomen.

Met het bereikte akkoord over de medezeggenschapskwestie werd op deze Raad ook de weg vrijgemaakt om de verordening over het statuut van de Europese Vennootschap – die steeds via de Interne Marktraad is gelopen – eveneens op deze Raad af te ronden.

Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het statuut van de Europese Vennootschap

Met betrekking tot de verordening werden – na een korte introductie door het voorzitterschap – op de Raad de laatste nog resterende reserves opgeheven.

De belangrijkste reserves betroffen de zogenoemde zetelkwestie. Eén van de twee lidstaten met een voorbehoud over de zetelkwestie was Nederland.

Nederland gaf aan dat het betreurde dat het niet mogelijk was gebleken om overeenstemming te bereiken over een model dat de leer van de statutaire zetel incorporeert. Het internationaal opererende bedrijfsleven heeft hier naar het oordeel van Nederland behoefte aan. De voorliggende tekst van de verordening – die uitsluitend de reële zetel van een Vennootschap betreft en eventuele statutaire zetels niet toestaat – betekent naar het oordeel van Nederland dat de Europese Vennootschap minder aantrekkelijk wordt voor internationaal opererende ondernemingen, omdat die nu wordt opgezet volgens het model van de reële zetel. Nederland gaf aan de nu binnen handbereik liggende besluitvorming desalniettemin te steunen. Ten eerste omdat Nederland aan de wieg heeft gestaan van het idee van een Europese Vennootschap. Ten tweede omdat de verordening een regeling bevat voor de internationale juridische fusie, een nieuw instrument waarvoor NL lang heeft gepleit. Voorts gaf Nederland aan tevreden te zijn dat in de overwegingen bij de verordening is neergelegd, dat de keuze voor een reële-zetelleer is ingegeven door het specifieke karakter van de Europese Vennootschap en dat die keuze geen precedent kan inhouden voor het regime dat de lidstaten maken in andere communautaire regelingen die gelden voor nationale vennootschappen. Alle lidstaten stemden ten slotte in met de tekst van de verordening.

Op grond van dit akkoord over de tekst van de verordening, zal na verwerking door juristen/linguïsten – de tekst van de verordening opnieuw aan het Europees Parlement worden toegezonden. Dit omdat er gedurende de onderhandelingen de laatste jaren substantiële wijzigingen zijn opgetreden.

Informatie en consultatie op nationaal niveau

Op het slot van de bijeenkomst werd er door enkele delegaties op gewezen dat het werk nog niet af is. Diverse lidstaten wezen erop dat ook de richtlijn inzake informatie en consultatie van werknemers op nationaal niveau nog op tafel ligt. Er was sprake van voorzichtig optimisme dat deze richtlijn onder het Zweedse voorzitterschap zou kunnen worden afgerond, zeker nu de Europese Vennootschap tot een goed einde was gebracht.

Het voorzitterschap constateerde dat de benodigde gekwalificeerde meerderheid voor deze richtlijn reeds aanwezig was, maar gaf aan dat het niet mogelijk was reeds de richtlijn in deze Raad te behandelen, omdat de procedures dat niet toestonden (de voorgeschreven periode tussen de vaststelling van de agenda voor de Raad en het daadwerkelijk plaatsvinden van de Raad was niet in acht genomen, zodat agendapunten alleen met unanimiteit op de agenda kunnen worden geplaatst). Het voorzitterschap was van mening dat onder het Zweeds voorzitterschap snel een besluit genomen zou kunnen worden. Zij riep het Zweeds voorzitterschap op om ook onder meer de statuten van de coöperatieve vennootschappen en de onderlinge maatschappijen met voorrang te behandelen, hetgeen door het inkomend voorzitterschap positief werd beantwoord.

Naar boven