21 501-18
Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid

nr. 139
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 12 januari 2001

Bijgaand bied ik u de geannoteerde agenda aan van de Informele Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid over Gelijke Kansen en Sociale Zekerheid die ik van 21–23 januari 2001 te Norrköping, Zweden zal bijwonen.

Op 22 en 23 januari 2001 vindt de eerste informele ontmoeting van bewindslieden voor emancipatiebeleid en voor sociale zekerheid onder Zweeds voorzitterschap plaats. De agenda van de Informele Raad betreft een vijftal discussiepunten. Uitgangspunt is het discussiepaper van de Europese voorzitter: «Gender Equality and Social Security – an engine for economic growth».

Ter bespreking tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamer op 18 januari a.s. ontvangt u van minister Vermeend separaat het verslag van de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 20 december 2000.

Het verslag van de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 27 en 28 november heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid u bij brief van 18 december 2000 gezonden.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. E. Verstand-Bogaert

Geannoteerde agenda van de Informele Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid over Gelijke Kansen en Sociale Zekerheid van 21–23 januari 2001 te Norrköping, Zweden

Op 22 en 23 januari 2001 vindt een informele ontmoeting van bewindslieden voor emancipatiebeleid en voor sociale zekerheid onder Zweeds voorzitterschap plaats. De agenda van deze Informele Raad betreft een vijftal discussiepunten. Uitgangspunt van bespreking is het discussiepaper van de Europese voorzitter: «Gender Equality and Social Security – an engine for economic growth». Aangezien het een Informele Raad betreft, is geen besluitvorming mogelijk.

Tijdens de Informele Raad in Norrköping zullen de bewindslieden zich buigen over de volgende vragen die door het Zweedse voorzitterschap zijn geformuleerd:

1. de vraag hoe het positieve klimaat in economische en werkgelegenheidstermen bij kan dragen aan het herzien van belastingsystemen en systemen van sociale voorzieningen om negatieve prikkels voor vrouwen op de arbeidsmarkt weg te nemen (ref. werkgelegenheidsstrategie, Lissabon en Nice);

2. de vraag hoe een betere sociale bescherming, een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen en meer kwalitatief goede banen kan bijdragen aan de economische zelfstandigheid van vrouwen, rekening houdend met bestaande prikkels en negatieve prikkels voor de arbeidsparticipatie van vrouwen;

3. de vraag welke acties belangrijk zijn om verschillen in de sociale zekerheid aan te pakken die veroorzaakt worden door verschillen in de beloning van vrouwen en mannen;

4. de vraag welke sociale zekerheidsmaatregelen nodig zijn (inclusief zorg voor kinderen en ouderen, toegang tot sociale voorzieningen etc.) om een hogere arbeidsparticipatie èn hogere geboortecijfers te stimuleren;

5. de vraag welke genderaspecten van belang zijn voor het nationale actieplan over sociale uitsluiting en de duurzaamheid van pensioenen, het werkprogramma van het Comité voor Sociale Bescherming en het werkprogramma van het Adviescomité Gelijkheid tussen vrouwen en mannen.

Nederland is verheugd over het feit dat het Zweedse voorzitterschap het onderwerp gelijke behandeling van mannen en vrouwen zo prominent op de Europese agenda plaatst. Met het Verdrag van Amsterdam is het opheffen van ongelijkheid en het bevorderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen een «horizontale» doelstelling van de Europese Unie geworden (artikel 2 en 3). Emancipatiebeleid is tweesporenbeleid. Enerzijds is sprake van vernieuwing, monitoring en evaluatie van het emancipatiebeleid, anderzijds van verankering van emancipatiedoelstellingen in alle geledingen van het reguliere beleid. Bovendien heeft de Raad naast de reeds bestaande regelgeving op het gebied van positieve actie en gelijke beloning (artikel 137 en 141) ook de bevoegdheid gekregen maatregelen te nemen tegen discriminatie (artikel 13). De integratie van gelijke kansen voor vrouwen en mannen in het Europese sociaal beleid (gendermainstreaming) is een vast punt geworden op de agenda van de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid. De Europese Raad van Lissabon en van Nice hebben de gelijke kansen agenda nog concreter gemaakt.

In het kader van de Sociale Beleidsagenda van de EU die in Nice door de Europese Raad is goedgekeurd hebben de lidstaten afgesproken dat het begrip van gelijkheid van vrouwen en mannen op alle relevante gebieden moet worden geïntegreerd, in het ontwerp, de follow-up en de evaluatie van het beleid door de vaststelling van passende mechanismen en instrumenten, zoals gendereffectevaluatie, toezichtsinstrumenten en benchmarking.

Nederland hecht eraan dat bij de uitwerking en implementatie van de sociale agenda, de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen één van de centrale uitgangspunten vormt.

Nederland is van mening dat de gunstige economische ontwikkeling in de EU gebruikt moet worden om de arbeidsparticipatie in ons land verder te verhogen. In aansluiting op de doelstelling zoals geformuleerd door de Europese Raad van Lissabon gaat daarbij bijzondere aandacht uit naar bevordering van de deelname van vrouwen aan het arbeidsproces. In Lissabon is de Europese Raad overeengekomen om te streven naar een verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen van nu gemiddeld 51% naar meer dan 60% in 2010.

In het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie voor de korte en middellange termijn dat op 15 november aan de Tweede Kamer is aangeboden en dat in een Notaoverleg op 29 januari met de Tweede Kamer besproken zal worden, heeft Nederland aansluitend op de doelstelling van Lissabon de eigen ambities t.a.v. de deelname van vrouwen aan het arbeidsproces geformuleerd.

Volgens dit plan is het kabinetsbeleid erop gericht dat in 2010:

• de netto arbeidsparticipatie van vrouwen 65% is;

• het percentage economisch zelfstandige vrouwen boven de 60% uitstijgt;

• het aandeel van vrouwen in het totale inkomen uit arbeid ruim 35% bedraagt;

• het aandeel van mannen in de zorg minimaal 40% is.

Deze doelen sluiten ook nauw aan op het Europese werkgelegenheidsbeleid (Nationale Actieprogramma's).

Het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie kan ook als leidraad voor de inbreng van Nederland bij de verdere vragen dienen.

De door het kabinet voorgenomen gekwantificeerde doelstellingen beogen vooral een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de samenleving en van het leven van individuele burgers en degenen voor wie zij zorgen. Daarom investeert het kabinet niet alleen in de bevordering van de arbeidsdeelname en economische zelfstandigheid, maar ook in de kwaliteit van het werk, in de combineerbaarheid van werk en privé en in de (sociale) zorg. De inzet van het kabinet is hierbij om de tijdsdruk als gevolg van intensieve zorgtaken omlaag te brengen door het scheppen van voorwaarden voor een betere balans tussen werk en privé bezien over de levensloop in zijn geheel. Het kabinet zal hiertoe het beleid in de komende jaren richten op arbeidsparticipatie, zorgverantwoordelijkheid en combineren van arbeid en zorg en investeren in maatregelen ten behoeve van:

• de arbeidsparticipatie van herintredende vrouwen en allochtone vrouwen, de kwaliteit van de arbeid, vrouwelijk ondernemerschap, fiscaal beleid, beloningsverschillen en segregatie, economische zelfstandigheid en partnerschap, huwelijksgoederenrecht;

• vernieuwing van de organisatie van arbeid en zorg, versterking van de sociale zorginfrastructuur en beeldvorming en herwaardering van zorg;

• de combinatie van arbeid en zorg van alleenstaande ouders in de bijstand, alimentatie en het combineren van arbeid en zorg, kinderopvang, verlofregelingen en het sociale stelsel in levensloopperspectief.

• betere afstemming van tijden, ruimtelijke ordening in een nieuwe samenleving, toegangelijk en bereikbaar maken van voorziening, persoonlijke dienstverlening en zorgondernermerschap en dagindeling.

• het recht van vrouwen en meisjes om zeggenschap te hebben over hun seksuele, reproductieve en gezondheidsrechten en over de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen.

Maatregelen om de arbeidsparticipatie van vrouwen te verhogen en de economische zelfstandigheid te bevorderen vormen in Nederlandse optiek ook een centraal instrument bij het bestrijden van mogelijke verschillen in de sociale zekerheid tussen mannen en vrouwen die voortkomen uit verschillen in inkomen tussen beide seksen (vraag 3). Bij de loongerelateerde sociale verzekeringen zijn aanspraken afhankelijk van de hoogte van het loon. Waar sprake is van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen vloeit die echter niet voort uit de sociale zekerheidswetgeving maar uit verschillen in inkomen gerelateerd aan de omvang van de dienstbetrekking en mogelijk uit ongelijke beloning. De verschillen dienen dan ook op de laatst genoemde terreinen bestreden te worden.

Met betrekking tot de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij pensioenen kan Nederland wijzen op het wetsvoorstel 2b PSW/gelijke uitkeringen (26 711) waar de Eerste Kamer op 19 december 2000 mee heeft ingestemd. Verschillen in uitkering ten gevolge van verschillen in levensverwachting tussen mannen en vrouwen zijn in de toekomst niet meer toegestaan. Met deze wet zet Nederland een grote – en binnen Europa unieke – stap voorwaarts op het terrein van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Nederland zal ook in de EU gelijke pensioenen voor mannen en vrouwen in alle gevallen bepleiten.

Ten aanzien van het onderwerp ongelijkheid van beloning van mannen en vrouwen zal Nederland afhankelijk van de loop van de discussie en uitgaand van het Plan van aanpak gelijke beloning, dat op 8 mei 2000 aan de Tweede Kamer is aangeboden, de volgende onderwerpen naar voren brengen:

Nederland acht het van groot belang dat het onderwerp gelijke beloning op de agenda van het Zweedse voorzitterschap is geplaatst;

Activiteiten op Europees niveau ter bevordering van gelijke beloning, die Nederland voorstelt, zijn:

* vergelijkend onderzoek binnen de lidstaten naar de bestaande mogelijkheden om gelijke beloning te realiseren vanuit het oogpunt van effectiviteit. Daarbij zouden eventueel ook buiten-Europese praktijken (Canada, VS) kunnen worden betrokken. Doel van het onderzoek is om aanknopingspunten te vinden om de effectiviteit van de actiemogelijkheden te verhogen;

* evaluatie en actualisering van de gedragscode voor de toepassing van gelijke beloning voor arbeid van gelijke waarde voor vrouwen en mannen op het werk in samenwerking met/via uitwisseling met de sociale partners;

* opbouw van expertise op het terrein van gelijke beloning/dan wel een infrastructuur ter bevordering van gelijke beloning.

Nederland is het eens met het pleidooi voor verbetering van de statistieken over gelijke beloning, zoals naar voren gebracht in een achtergrondpaper «Highlighting differentials between women and men». Het is belangrijk om de beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen en oorzaken daarvan zichtbaar te maken. De informatie moet betrekking hebben op alle sectoren en op zowel fulltimers als parttimers. Sommige overzichten van Eurostat zijn teveel gericht op voltijds werkzame mannen en vrouwen in een beperkt aantal economische sectoren. Dit geeft een vertekend beeld. Ook het belang dat door het Zweedse voorzitterschap wordt gehecht aan sekseneutrale functiewaardering wordt door Nederland onderschreven.

Tot slot zal kort worden weergegeven welke activiteiten Nederland op nationaal niveau pleegt. Onderwerpen die daarbij aan bod kunnen komen, zijn:

* niet alleen aandacht voor beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen, maar ook tussen allochtonen en autochtonen;

* ontwikkeling van een instrument voor sekseneutrale functiewaardering;

* onderzoek naar waarborging van gelijke beloning bij overgang naar flexibelere beloningsvormen;

* stimuleren van en samenwerken met sociale partners.

Ten aanzien van het nationale actieplan over sociale uitsluiting en het werkprogramma van het Comité voor Sociale Bescherming (SPC) zal Nederland aangeven verheugd te zijn over de aandacht die in het Voortgangsverslag en de doelstellingen zoals die door de Europese Raad van Nice zijn goedgekeurd uitgaat naar genderaspecten. De feminisering van armoede en sociale uitsluiting binnen de EU maakt een integrale aanpak noodzakelijk. Bij de omzetting van de doelstellingen dienen, conform de afspraken in Nice, genderaspecten in alle in Nationale Actieplannen op te nemen acties te worden geïntegreerd.

Ten aanzien van de verbetering van de houdbaarheid van de pensioenstelsels op de lange termijn is Nederland van mening dat de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen een essentiële bijdrage kan leveren.

Naar boven