Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 21501-18 nr. 136 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 21501-18 nr. 136 |
Vastgesteld 14 december 2000
De algemene commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben op 23 november 2000 overleg gevoerd met minister Vermeend van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:
– het verslag van de Raad werkgelegenheid en sociaal beleid van 16 en 17 oktober 2000 (21 501-18, nr. 133);
– de agenda van de Raad werkgelegenheid en sociaal beleid van 27 en 28 november 2000 (SZW-00-1020/EU-00-261);
– de brief van de minister d.d. 17 november 2000 inzake het kabinetsstandpunt Europese sociale agenda (SZW-00-1019/EU-00-260).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Van den Burg (lid van het Europees Parlement namens de PvdA) juicht het toe dat de Europese regeringsleiders op de top van Nice over de sociale agenda spreken; zij hoopt in het bijzonder dat de wens van het Europees Parlement om een scorebord aan het sociaal beleid te verbinden, wordt gehonoreerd. Hierdoor wordt het mogelijk om de effecten van maatregelen in de verschillende lidstaten te vergelijken en te monitoren. Zij verzoekt de minister hieraan in de Sociale Raad aandacht te besteden.
Mevrouw Bussemaker (PvdA) meent dat de Sociale Raad bij een aantal onderwerpen op de geannoteerde agenda weinig voortgang boekt; zij doelt hier met name op de informatie en consultatie van werknemers en de Europese vennootschap.
Zij constateert verheugd dat er niettemin sprake is van een revolutionaire ontwikkeling op het gebied van Europees overleg over afstemming van sociale zekerheid, armoedebeleid, pensioenen, gezondheidszorg enzo voort. Het kabinet mag echter nog wel meer inzetten op deze sociale agenda en moet zich niet alleen laten leiden door de vraag wat deze coördinatie gaat kosten. Zeker in de Europese coördinatie van sociale zekerheid bestaan nog knelpunten – arbeidsmobiliteit, tekorten op de arbeidsmarkt – die het kabinet voortvarend moet aanpakken. Ook VNO-NCW heeft hiervoor gepleit. Is de minister bereid om de SER te vragen om een advies over de sociale agenda en over de sociale insluiting? Dit advies kan dienen als aanzet tot een breder debat.
Naast coördinatie moet er in Europees verband ook aandacht zijn voor een zekere harmonisatie van wetgeving. Hoe denkt de minister in dit verband over voorstellen om via open coördinatie tot indicatoren voor armoede te komen? Is het kabinet bereid om hiertoe initiatieven te ontplooien? Het Franse voorzitterschap wil dat er waarborgen komen voor gegarandeerde minimuminkomens. Wat vindt de minister hiervan? Mevrouw Bussemaker benadrukt dat zij niet pleit voor integratie van het Europese socialezekerheidsstelsel, maar concurrentie tussen de lidstaten mag er niet toe leiden dat de minimumstandaarden van het sociaal beleid verlaagd worden.
Zweden en België, als de volgende voorzitters van de EU, hebben voor 2001 ambitieuze plannen op het gebied van sociale insluiting en pensioenen. Kan de minister informatie verschaffen over de voortgang van de high level working group? Mevrouw Bussemaker wil ook graag begin volgend jaar een notitie over de sociale agenda en de sociale bescherming, met een eerste kabinetsreactie op de voorstellen van het Zweedse en Belgische voorzitterschap.
Over de ramenstrategie gelijke behandeling bestaat veel onvrede. Is het kabinet bereid een duidelijker onderscheid maken tussen het actieprogramma en de strategie van de Europese Commissie? Een eerder voorstel inzake gelijke behandeling liet onduidelijkheid bestaan over de ambities van de Europese Commissie in verband met bestaande subsidies op dit gebied. Tot slot vraagt mevrouw Bussemaker hoe het kabinet zich zal inzetten om de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in het kader van artikel 13 van het EG-verdrag waar te maken.
Mevrouw Verburg (CDA) steunt in grote lijnen de inzet van het kabinet voor de Europese sociale agenda. Met name de keuze voor het open coördinatiesysteem en de afwijzing van een teveel aan regelgeving en controle door Brussel vallen goed bij haar. Welke afspraken zullen er gemaakt worden over de integratie van allochtonen? In verband met de bestrijding van knelpunten op de arbeidsmarkt vraagt zij wanneer de diplomavergelijking en de eerder verworven competentieregeling van kracht worden. Het kabinet mag zich hierbij wel iets actiever opstellen. In het kabinetsstandpunt wordt niet veel geschreven over de positie van derdelanders in verband met de krapte op de arbeidsmarkt. Betekent dit dat het kabinet zich op dit vraagstuk terughoudend blijft opstellen? Hoe coherent kan de aanpak zijn op het gebied van ICT? Na de top van Lissabon houden veel ministers zich met dit vraagstuk bezig, maar welke concrete afspraken denkt de minister hierover te maken in de Sociale Raad?
Voor het werkgelegenheidspakket is een aantal kernelementen bepaald, waaronder de financiering van monitoring. Mevrouw Verburg zou graag een nulmeting in dit verband zien, zodat de ontwikkelingen van actief beleid gemeten kunnen worden. Wil de minister toezeggen dat er een nulmeting komt? Zij juicht het toe dat er een politiek akkoord lijkt te komen over de informatie en consultatie van werknemers, maar over de institutionalisering op vestigingsniveau in plaats van op ondernemingsniveau heeft zij twijfels. Kan dit leiden tot verschillen binnen een onderneming met verschillende vestigingen? Hoe verhoudt dit zich tot de consultatie van werknemers bij fusies en tot de positie van de ondernemings-raad in de structuurvennootschap?
Het is goed dat er in december een comité voor de sociale bescherming wordt ingesteld, dat zich onder andere bezig zal houden met de tweede en derde pijler van de pensioenvoorzieningen. Zou de minister bij de onderhandelingen niet moeten inzetten op een stappenplan voor de realisatie van gelijkwaardige pensioenstelsels? Uiteraard bepleit mevrouw Verburg hier geen volledige integratie van de Europese pensioenstelsels, maar een goede harmonisatie op basis van open coördinatie en peer pressure.
De financiering met 50 mln. euro van een actieplan voor de gelijke behandeling van mannen en vrouwen is een goede zaak, als sociale partners hier maar bij betrokken worden. De Stichting van de arbeid heeft immers besloten van de gelijke beloning een speerpunt te maken en wellicht kan dit tot voorbeeld dienen in andere lidstaten. Ook voor dit actieplan zou mevrouw Verburg graag een nulmeting en een effectief meetinstrumentarium zien.
Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD) heeft met goedkeuring in het verslag van de Raad van 17 oktober gelezen dat Nederland kanttekeningen heeft geplaatst bij de gedetailleerdheid van de ontwerprichtsnoeren. Toch blijkt dat de voorstellen voor de werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 2001 tweemaal zoveel woorden bevatten als vorig jaar. Heeft het wel zin dat Nederland hier steeds kanttekeningen bij plaatst? Er lijkt immers weinig mee te gebeuren.
In de sociale agenda zijn ambitieuze doelen gesteld voor de arbeidsparticipatie. De gemiddelde participatie van 61% moet binnen tien jaar verhoogd worden naar 70%. Nederland zit met 54% arbeidsparticipatie onder het Europees gemiddelde en zou dus een enorme slag moeten maken. Wat denkt de minister hiervan? Kan hij meer toelichting geven over de coördinatie van de sociale zekerheid? Wat zijn de verschillen in Europa en welke mogelijkheden voor coördinatie zijn er? Inzake de follow-up van Peking en New York vraagt mevrouw Snijder aandacht voor een brede Europese inzet op arbeid en zorg.
De arbeidsparticipatie vormt ook een belangrijk onderdeel van het kabinetsstandpunt over de sociale agenda. Hoe pakt het kabinet in dit verband de integratie van allochtonen aan? Uiteraard spreken de door het kabinet genoemde prikkels tot werken mevrouw Snijder zeer aan. Hoe staat het met de armoedeval in andere Europese lidstaten?
De heer Van der Staaij (SGP) vraagt wanneer de formele besluitvorming over artikel 13 plaatsvindt, aangezien er reeds een politiek akkoord is gesloten. Volgens dit akkoord komt er een verruiming van artikel 4.2, waarin onder andere de bijzondere positie van kerken besloten ligt. Nederland heeft zich kritisch opgesteld tegenover deze verruiming. Betekent dit dat de verruiming verder gaat dan de uitzonderingsbepalingen in de Algemene wet gelijke behandeling? Wanneer wordt de brief over dit onderwerp naar de Kamer gestuurd? Komen de gevolgen voor de regelgeving van de tekstveranderingen in de richtlijn in die brief ook aan de orde? Meer duidelijkheid wenst de heer Van der Staaij over de clausule betreffende «seksuele geaardheid» in de definitieve tekst. In de Engelse versie wordt gesproken over «sexual orientation», waar in de Nederlandse versie het begrip «seksuele intimidatie» staat.
Met goedkeuring heeft hij gelezen dat het kabinet zich terughoudend wil opstellen in het realiseren van communautaire regelgeving inzake de sociale agenda. Als het primaat van de individuele lidstaten op dit terrein maar vaststaat, stemt de heer Van der Staaij in met pogingen om tot verbeteringen in de samenwerking te komen. Welk verband bestaat er tussen de uitbreiding van de Europese Unie en de sociale agenda? Hoe wordt agendapunt 11, de bestrijding van sociale uitsluiting, afgestemd op de werkzaamheden van de high level working group?
Mevrouw Schimmel (D66) kan zich vinden in het kabinetsstandpunt inzake de sociale agenda. In het verslag van de Raad van 17 oktober wordt melding gemaakt van twee aanbevelingen voor Nederland in het kader van het beter benutten van een stille arbeidsreserve, namelijk het voortzetten van de samenwerking met sociale partners en het verbeteren van het monitoringsysteem voor de sluitende aanpak. Uit een stuk van de Europese Commissie heeft mevrouw Schimmel echter begrepen dat Nederland nog een aanbeveling heeft gekregen, namelijk dat er meer gedaan moet worden aan de modernisering van arbeidsorganisatie. Welke aanbevelingen zijn er nu precies gedaan? Zijn deze aanbevelingen vorig jaar ook al niet gedaan? En wat betekent het dat de Nederlandse regering schrijft deze aanbevelingen als ondersteuning van het gevoerde beleid te zien? Wordt dit door de andere lidstaten geaccepteerd of wordt er nog gecontroleerd of deze aanbevelingen ook opgevolgd worden? Hoe moet Nederlandse instemming met het politiek akkoord in dit verband gezien worden?
De minister toont zich een voorstander van een scorebord om de prestaties van de Europese lidstaten op het terrein van sociaal beleid te vergelijken. Deze vergelijking moet worden mogelijk gemaakt door benchmarking. Er zijn werkgroepen ingesteld om de indicatoren hiervoor vast te stellen. Er bestaat onenigheid in Europa over wat er precies gemeten moet worden en op welke manier dit moet gebeuren. De minister is eveneens voor indicatoren om armoede te meten, mits deze indicatoren zinvol zijn, objectief vergelijkingsmateriaal opleveren en toegepast kunnen worden op basis van de open coördinatiemethode. Hij is positief gestemd en ervan overtuigd dat Nederland goed zal scoren in deze vergelijking.
Er is reeds een advies aan de SER gevraagd over arbeidsmobiliteit. Daarnaast heeft de minister reeds vooroverleg gevoerd met sociale partners over de sociale agenda. Verder zal de Europese sociale agenda worden besproken in het najaarsoverleg. Hij meent dan ook dat een apart SER-advies over de sociale zekerheid geen toegevoegde waarde zal hebben, maar als werkgevers of werknemers hier specifiek op aandringen, heeft hij er ook geen problemen mee.
Hij kan zich niet vinden in de kritiek dat de Nederlandse regering niet zwaar genoeg inzet op de sociale agenda. Met de persoonlijk gezant van de Franse minister van Sociale Zaken heeft hij reeds uitvoerig overleg gevoerd over het voorstel van Frankrijk, waarbij de Nederlandse amendementen op basis van het kabinetsstandpunt ruime aandacht hebben gekregen en vele zijn overgenomen in het uiteindelijke document.
In het kader van artikel 13 is er nog geen officiële vertaling van het politieke akkoord; de formele besluitvorming is afhankelijk van het tijdstip waarop de officiële vertalingen gerealiseerd zijn. Voor de Kerst zal de minister met een notitie komen, die meer duidelijkheid moet bieden over de clausule betreffende «seksuele geaardheid» en de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De raamstrategie gelijke behandeling komt overeen met de Nederlandse beleidsprioriteiten. Daarbij bestaat geen verschil tussen de ambities en het actieprogramma met betrekking tot de subsidies. De minister zegt toe te zullen onderzoeken hoe de effectiviteit van het actieplan voor een gelijke behandeling van mannen en vrouwen gemeten kan worden.
De minister heeft uitgebreid overleg gevoerd met Frankrijk over de allochtonen. Het woord «allochtonen» wordt in Frankrijk eigenlijk niet gebruikt; men spreekt daar van «minderheden» in de ruimste zin van het woord. Zo is het ook opgenomen in het programma voor werkgelegenheidsbeleid, namelijk als geïntegreerd onderdeel van het minderhedenbeleid. De diplomavergelijking en de competentieregeling zijn opgenomen in de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Hetzelfde geldt voor ICT in het kader van kennis, dat bovendien hoog op de agenda voor de top in Stockholm staat. Het beleid ten aanzien van derdelanders moet volgens de minister niet verruimd worden, omdat er nog zo'n vijftien miljoen inactieven in Europa zijn, waarin eerst geïnvesteerd moet worden. Hij meent dat een meerderheid van de Sociale Raad deze overtuiging huldigt.
Er wordt inderdaad weinig voortgang geboekt met betrekking tot de richtlijnen voor de informatie en consultatie van werknemers en de Europese vennootschap. Er zijn enkele landen die er groot bezwaar tegen maken deze onderwerpen op de agenda te zetten. Ook het opzetten van een stappenplan voor de realisatie van gelijkwaardige pensioenstelsels ligt buitengewoon gevoelig in Europa. Deels valt dit probleem ook op het terrein van de Ecofin-raad. Er wordt nu een eerste inventarisatie van de verschillende stelsels gemaakt. Ondanks de gevoeligheid van dit onderwerp zal het beoogde comité voor de pensioenproblematiek echter wel verdere stappen zetten in het kader van het open coördinatiesysteem.
De Nederlandse ambitie met betrekking tot de arbeidsparticipatie van vrouwen is 65%. Op de top van Lissabon is een doelstelling van 60% afgesproken, dus Nederland heeft een hoge ambitie. Vergeleken met andere Europese landen, neemt Nederland een positie iets onder de middenmoot in op het punt van de armoedeval. De benchmarking in het kader van de vergelijking tussen de lidstaten zal een belangrijk hulpmiddel zijn in de aanpak van de armoedeval. Overigens speelt dit probleem in veel lidstaten. Activeringsprogramma's en prikkels voor mensen om weer te gaan werken worden ook in veel lidstaten gehanteerd. Over enkele jaren zal er waarschijnlijk goed vergelijkingsmateriaal op dit terrein bestaan. De minister meent dat deze Europese vergelijking effectiever zal zijn dan allerlei regelgeving vanuit Brussel, omdat iedere lidstaat nu eenmaal graag goed scoort binnen de EU en daar het eigen beleid op zal afstemmen.
De minister kent slechts twee specifieke aanbevelingen voor Nederland in verband met de benutting van een stille arbeidsreserve. Vorig jaar zijn inderdaad dezelfde aanbevelingen aan Nederland gedaan, maar omdat het enige tijd duurt voor de reeds genomen, concrete maatregelen effect hebben, heeft Europa nogmaals op deze problematiek gewezen. De aanbeveling die mevrouw Schimmel in het stuk van de Europese Commissie meende te lezen, is meer algemeen geformuleerd en niet speciaal bedoeld voor Nederland. Volgend jaar zal Nederland moeten rapporteren over de onderwerpen die in de aanbevelingen genoemd zijn en duidelijk moeten maken welke maatregelen genomen zijn. De aanbevelingen kennen weliswaar geen sancties, maar zijn toch ook niet geheel vrijblijvend.
Nederland zal binnen de Raad pleiten voor coherentie in de bestrijding van de sociale uitsluiting op basis van agendapunt 11 en de activiteiten van het comité voor de sociale bescherming. In het begin van volgend voorjaar zal de minister rapporteren over de activiteiten en de vorderingen van de high level working group.
De minister merkt op dat landen die in de toekomst tot de EU zullen toetreden, zich nu al informeel op de hoogte kunnen stellen van de sociale agenda en de eisen die daaromtrent gesteld zullen worden. Hij stemt in met het verzoek om een notitie te schrijven over de voorstellen van het Zweedse en Belgische voorzitterschap inzake de sociale agenda, voorzover die voorstellen beschikbaar zijn.
Samenstelling: Leden: Weisglas (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (RPF/GPV), Van Oven (PvdA), ondervoorzitter, Voûte-Droste (VVD), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Verhagen (CDA), Rouvoet (RPF/GPV), De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Patijn (VVD), voorzitter, Van den Akker (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Weekers (VVD), Albayrak (PvdA), Eurlings (CDA), Van Baalen (VVD), Molenaar (PvdA).
Plv. leden: Blaauw (VVD), Dittrich (D66), Van den Berg (SGP), Valk (PvdA), Wilders (VVD), Remak (VVD), Ter Veer (D66), Van Bommel (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), De Graaf (D66), Van der Knaap (CDA), Waalkens (PvdA), Verbugt (VVD), Balkenende (CDA), Mosterd (CDA), M. B. Vos (GroenLinks), Feenstra (PvdA), Zijlstra (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Örgü (VVD), Gortzak (PvdA), Crone (PvdA).
Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Kalsbeek (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF/GPV), Bakker (D66), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Harrewijn (GroenLinks), Balkenende (CDA), Van Gent (GroenLinks), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Örgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA), Wilders (VVD), Snijder-Hazelhoff (VVD), Depla (PvdA).
Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Hamer (PvdA), Dankers (CDA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Van Middelkoop (RPF/GPV), Van Vliet (D66), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Vendrik (GroenLinks), Mosterd (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA), Wagenaar (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA), De Vries (VVD), Klein Molekamp (VVD), Van der Hoek (PvdA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-136.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.