21 501-18
Raad Werkgelegenheid en Sociale Zaken

nr. 135
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 november 2000

Op de aanstaande Europese Raad van Nice zullen de Europese regeringsleiders de sociale agenda van de Europese Unie vaststellen.

Bijgevoegd vindt u het standpunt van het kabinet over de Europese sociale agenda.

Inmiddels is ook een synthesedocument van het Franse voorzitterschap verschenen. Dit document is eveneens bijgevoegd.1 Over het synthesedocument wordt thans onderhandeld tussen de 15 lidstaten. Op grond van die onderhandelingen zal dit document – op weg naar Nice – naar verwachting nog wijzigingen ondergaan.

Het kabinetsstandpunt zal de leidraad zijn bij de onderhandelingen over het synthesedocument.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. A. F. G. Vermeend

Naar een activerende Sociale Agenda van de EU: de Nederlandse visie

1. Inleiding

Op de Europese Raad van Lissabon hebben de EU-lidstaten zich gecommitteerd aan een nieuwe strategische doelstelling voor het komende decennium: de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang. De arbeidsparticipatie moet daartoe stijgen van 60 naar 70%; de armoede in de EU moet worden uitgeroeid. Dat vergt een gecoördineerde Europese aanpak, waarin het investeren in mensen centraal staat. De Europese Raad van Lissabon riep daarom op de gedachtewisseling over het sociale beleid in de toekomst voort te zetten met als doel overeenstemming te bereiken over een Europese sociale agenda. Op de Europese Raad in Nice zullen de regeringsleiders deze nieuwe Europese sociale agenda vaststellen.

Nederland wil in Nice een ambitieuze sociale agenda overeenkomen, die het volgende uitstraalt:

• Het bevorderen van de arbeidsdeelname en de sociale participatie van alle Europese burgers is het centrale uitgangspunt.

• Economisch beleid, werkgelegenheidsbeleid en sociaal beleid zijn nauw met elkaar verbonden. Alle drie zijn noodzakelijk om het strategische doel van Lissabon te verwezenlijken. Economische vernieuwing is niet mogelijk zonder een modern sociaal beleid («social policy as a productive factor»).

• De afspraken over de sociale agenda monden uit in concrete acties, aanvullend op reeds bestaande afspraken in EU-verband betreffende acties die primair op nationaal niveau gestalte krijgen, maar permanent onderwerp zijn van politieke sturing door de Raad van de Europese Unie. Daarbij speelt de methode van open coördinatie een centrale rol.

De sociale agenda is naar het oordeel van Nederland een geïntegreerd onderdeel van de in Lissabon overeengekomen strategie om de participatie in de EU te verhogen en de (toegang tot en deelname aan de) kenniseconomie te versterken. Voor de Nederland houdt dat in:

• de afspraken over de sociale agenda worden uitgewerkt binnen de bestaande procedures en instrumenten van de EU (richtsnoeren voor werkgelegenheid en economische beleid, «Cardiff», en Lissabon-strategie).

• de voortgang en de implementatie van de sociale agenda komt jaarlijks aan de orde in de voorjaarsvergadering van de Europese Raad.

• aan nieuwe processen is geen behoefte.

Op grond van deze uitgangspunten, op grond van consultatie van sociale partners en NGO's in Nederland en gehoord het standpunt van het Europees parlement, komt Nederland tot de volgende kernpunten die centraal staan in een actief sociaal beleid:

1. Activering tot arbeidsparticipatie.

2. De kwaliteit van de arbeid.

3. Sociale insluiting bevorderen.

2. Activering tot arbeidsparticipatie

Het bevorderen van arbeidsdeelname en maatschappelijke participatie zijn het uitgangspunt van de sociale agenda. Werk dient daarbij gezien te worden als de beste weg om sociale uitsluiting en armoede te voorkómen. Onderwijs en scholing worden in een steeds meer op kennis gebaseerde economie een steeds belangrijker voorwaarde voor participatie.

Activering: Kernpunten van de sociale agenda

In vervolg op de afspraken in Lissabon zal de komende jaren de nadruk moeten liggen op de modernisering van sociaal beleid, waarin de activerende werking van sociale zekerheids- en arbeidsmarktregelgeving centraal staat en het investeren in onderwijs en scholing van het arbeidspotentieel de volle aandacht krijgt. Aldus is het mogelijk de noodzakelijk toename van het arbeidsaanbod te realiseren en ambitieuze doelstellingen (70% in 2010) te verwezenlijken. Voor het beter benutten van onbenut arbeidspotentieel moet de EU nog aanzienlijke inspanningen leveren. Concreet wil Nederland in Nice daartoe het volgende bereiken:

Verbreding van de sluitende aanpak tot àlle werklozen

In Nice wordt afgesproken dat de sluitende aanpak zich op àlle werklozen richt: dus òòk op het zittende bestand van langdurig werklozen. Dat wil zeggen: de lidstaten verplichten zich ook voor langdurig werklozen en mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt afspraken te maken, gericht op vergroting van hun inzet, zoals over scholing, training en werkervaring. Die afspraken worden schriftelijk vastgelegd door werkloze én uitvoerder (wederzijds commitment); de voortgang van de afspraken wordt permanent door de uitvoerders bewaakt.

Integratie van allochtonen

De onevenredig lage arbeidsdeelname en de geringe maatschappelijke participatie en integratie van allochtonen en immigranten in de EU is een permanente zorg. Europese afspraken over een samenhangend beleid ter verbetering van de arbeidsmarktpositie van allochtonen zijn dringend nodig. Nederland vindt dat binnen de Europese werkgelegenheidsstrategie de lidstaten acties overeen moeten komen, gericht op de arbeidsmarktintegratie van allochtonen en migranten.

Prikkels tot werk; werk lonend maken

Een modern sociaal beleid dient burgers te activeren tot deelname in arbeidsmarkt en samenleving. Moderne sociale stelsels zullen bij een aanvaardbaar niveau van bescherming voldoende prikkels moeten bevatten gericht op het aanvaarden van werk bevorderen. Nice moet het startsein geven vanuit een meer gestructureerd kader te komen tot een grondige modernisering van de sociale stelsels. Doel hiervan moet zijn tot een activerend stelsel te komen, waarin de belemmeringen tot arbeidsdeelname zijn weggenomen, waaronder het aanpakken van de armoedeval («making work pay»).

Permanent investeren in mensen

Een activerend sociaal beleid in een concurrerende kenniseconomie vergt dat scholing een permanent en geïntegreerd onderdeel uitmaakt van het arbeidsbestel, gedurende het gehele arbeidzame leven. Via onderwijs, scholing en werkervaring moeten mensen toegerust worden met de noodzakelijke startkwalificaties voor arbeidsdeelname. Zonder permanente scholing en bijscholing ontstaan nieuwe vormen van uitsluiting. De institutionele vormgeving van onderwijsarrangementen zal burgers en bedrijven (en de overheid) moeten uitnodigen om kennis op te bouwen en te vernieuwen. De Europese onderwijsstelsels zullen worden toegerust voor de rol die hen is toebedacht bij de verwezenlijking van de Lissabon-doelstellingen. Daartoe is een significante toename van de investeringen in menselijk kapitaal voorzien, die met name beoogd de kwaliteit van het initiërend onderwijs en van het hoger onderwijs te versterken.

Arbeidsmobiliteit bevorderen

Nu er op nationaal niveau geen monetair beleid meer kan worden gevoerd, zal een goede en flexibele werking van de Europese arbeidsmarkt nog urgenter worden. Belangrijk is in de komende jaren bestaande knelpunten met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers binnen de EU op dit terrein weg te nemen. Dit geldt onder meer voor ongewenste (institutionele) belemmeringen in de sfeer van de sociale zekerheid en pensioenen bij migratie van werknemers binnen Europa. Tevens is van belang de mobiliteit te bevorderen door op Europees niveau met grote voortvarendheid te werken aan de erkenning van competenties en vaardigheden, opgedaan in de nationale lidstaten. Voorstellen hiertoe zijn inmiddels gedaan in het kader van het project «Erkenning van Verworven Competenties en Vaardigheden» (EVC).

• Het Nederlandse grote-stedenbeleid beoogt activering langs twee lijnen te bevorderen 1) ontwikkelen van economisch potentieel en benutten van kansen; 2) bestrijden van achterstanden. Beide lijnen werken onder meer aan het stimuleren van vooral betaald werk voor mensen in achterstandsposities. Stimuleren van ondernemerschap is één van de instrumenten die wordt ingezet in verschillende vormen. De Nederlandse steden geven een hoge prioriteit aan stimulering van de economie, door onder meer het voeren van een startersbeleid. De Europese regelgeving die van belang is voor kleinschalige werkgelegenheid in steden (MKB en achterstandsgebieden) moet meer mogelijkheden bieden. In Nice zou kunnen worden afgesproken dat als onderdeel van de werkgelegenheidstrategie het beleid terzake onder de loep wordt genomen, tegen de achtergrond van de verschillende aanpakken die lidstaten hanteren, onder verwijzing naar de bestaande samenwerking van ministers voor stedelijk beleid in de Unie.

3. De kwaliteit van de arbeid

Voor het realiseren van een concurrerende kenniseconomie zal het arbeidsproces de komende jaren een vernieuwing moeten ondergaan. Het arbeidsproces is steeds minder gericht op productie en fysieke arbeid en steeds meer gericht op de omgang met kennistechnologie en communicatie. Het is nodig om de werkplek in te richten volgens de eisen die de nieuwe communicatietechnologie stelt, zoals de toegang tot ICT. Inspelen op de nieuwe risico's van arbeidsuitval en uitsluiting die de kenniseconomie met zich meebrengt is noodzakelijk. De moderne werkplek is steeds minder een «van 9 tot 5»-productieplek. Een moderne werkomgeving verzoent de vaak tegengestelde belangen van werkgever en werknemer, inclusief zijn gezin. Dat vraagt om een andere werkomgeving, waarin «human capital» en de kwaliteit van de werkplek centraal staan. Het leidt tot een ander type werknemer: goed opgeleid, flexibel, mondig en mobiel op de arbeidsmarkt.

Kwaliteit van de arbeid: Kernpunten van de sociale agenda

De afspraken in Nice zullen reeds in gang gezette afspraken over de aanpassingen van het werkproces aan de eisen van de kenniseconomie moeten ondersteunen. Concreet gaat het om:

Arbeidsomstandigheden onderwerp van open coördinatie

Goede arbeidsomstandigheden zijn noodzakelijk voor het functioneren van de kenniseconomie. De arbeidsomstandigheden moeten aangepast worden aan de veranderende kenmerken van het werk die de kenniseconomie met zich mee brengt. Werk wordt steeds minder gekenmerkt door fysieke ongemakken (eentonigheid, lawaai, stank, gevaar), maar steeds meer door een hoge tijdsdruk en vooral door psychische inspanningen. Vooral de psychische klachten op de werkplek worden groter. Stress manifesteert zich steeds sterker als een belangrijke risicofactor voor uitval uit het arbeidsproces. De kenniseconomie brengt nieuwe sociale (uitsluitings)risico's en arbeidshandicaps met zich mee, zoals werkdruk, psychische klachten en aandoeningen aan de spier- en peesstelsels, zoals Repetitive Strain Injury (RSI; «muisarm»).

Het bevorderen van de veiligheid en gezondheid op het werk vergt meer dan alleen regelgeving via minimumnormen. Arbeidsomstandigheden moeten onderwerp worden van open coördinatie tussen de lidstaten.

Modernisering van de arbeidsverhoudingen

Het centraal stellen van «human capital» en «kwaliteit van de arbeid» vraagt om moderne arbeidsverhoudingen. Arbeidsverhoudingen die recht doen aan de eisen van de «moderne werknemer» (combineren van arbeid en zorgtaken; maatwerk in de arbeidsvoorwaarden; voldoende zekerheid in arbeidscontracten), de «moderne werkgever» (flexibiliteit in arbeidstijd en arbeidscontract) en de gelijkheid van mannen en vrouwen. In de sociale agenda van Nice worden de grondslagen van de modernisering van de arbeidsverhoudingen verankerd door lidstaten op te roepen beleid te voeren op dit terrein. Daarbij gaat het om:

Een nieuwe balans tussen werk en privé

In Nice moeten de lidstaten acties overeenkomen die het beter combineren van arbeid met zorgtaken mogelijk maken. Een goede balans tussen werk en privé is een gezamenlijk belang van werkgevers en werknemers. De afspraken hierover gemaakt in het kader van de werkgelegenheidsrichtsnoeren moeten (een uitbreiding van) de noodzakelijke voorwaarden – zoals kinderopvang, ouderschapsverlof en calamiteitenverlof – mogelijk maken. Er moet ruimte worden geschapen voor meer maatwerk en flexibiliteit in de arbeidspatronen, arbeidsduur en werktijden van de individuele werknemer. Afspraken tussen sociale partners hierover zijn van groot belang: op nationaal niveau, in de sectoren en op Europees niveau in het kader van de Europese sociale dialoog.

Deeltijdwerk: volwaardig werk

Het bevorderen van onder meer deeltijdwerk, tijdelijk werk en andere nieuwe vormen van arbeid, zoals thuiswerk en telewerk, draagt bij aan die moderne arbeidsverhoudingen. Deeltijdwerk is geen tweederangs arbeid. In Nice moeten de lidstaten overeenkomen deeltijdwerk een gelijkwaardige status te geven als voltijdwerk, zowel qua belonings- en beschermingsniveau als qua kwaliteit van het werk.

Modernisering medezeggenschapsverhoudingen

De moderne werknemer is actief betrokken bij de inrichting van het werk en de onderneming. Een moderne werkgever heeft oog voor de situatie van zijn werknemers. De toenemende internationalisering van het bedrijfsleven en de stijging van het aantal grensoverschrijdende fusies en bedrijfsovernames, noodzaken tot inspraak van werknemers. Medezeggenschap is een wezenlijk element van de moderne arbeidsplaats. De Europese sociale agenda moet impulsen geven voor het realiseren van moderne medezeggenschapskaders. De besluitvorming over bestaande richtlijnen – de «rol van de werknemers in de Europese Vennootschap» en de «richtlijn informatie & consultatie werknemers» – dient spoedig te worden afgerond.

Een nieuwe balans tussen flexibiliteit en zekerheid in arbeidsrelaties

Bedrijven dienen meer mogelijkheden te krijgen om de inzet van menskracht beter af te stemmen op de actuele behoeften van het bedrijf. Het gaat hierbij niet alleen om flexibiliteit van de werktijden, maar ook flexibiliteit in de aard van de arbeidscontracten. Flexibiliteit voor de werkgever dient gelijktijdig gepaard te gaan met het waarborgen van zekerheid voor de werknemer.

Employability en scholing

Scholing en onderwijs staan niet naast het arbeidsbestel, maar moeten integraal onderdeel uitmaken van het arbeidsbestel. In de kenniseconomie hoort iedereen permanent te kunnen bijleren om inzetbaar te blijven, zeker naarmate men ouder wordt. Kennis is steeds sneller verouderd. Permanente scholing is de sleutel tot kenniseconomie. Het personeelsbeleid van ondernemingen is de sleutel tot vergroting van de inzetbaarheid van werknemers. Hier is sprake van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers, waarbij de employability van werknemers zeker gediend zal zijn bij het feit dat van werknemers een eigen verantwoordelijkheid en initiatief worden verwacht. De huidige afspraken in de werkgelegenheidsrichtsnoeren om meer aandacht te besteden aan het verwerven van startkwalificaties door werkenden en werkzoekenden, de verruiming van scholingsmogelijkheden met behoud van uitkering, betere benutting van ICT bij scholing en extra scholingsinspanningen voor het bestrijden van achterstanden van etnische minderheden op de arbeidsmarkt moeten de komende jaren daadkrachtig ter hand worden genomen. Ten aanzien van ICT mag veel worden verwacht van de activiteiten in het kader van E-Europe; zo zal E-Learning leiden tot een sterkere rol van het internet bij de bevordering van de kenniseconomie alsmede tot een sensibilisering van docenten voor de mogelijkheden van ICT in onderwijs en training. In dit verband beoogt de ontwikkeling van nieuwe software, ook in relatie tot E-Content, een virtuele omgeving te stimuleren waarbinnen onderwijs en training optimaal kunnen bijdragen aan de kenniseconomie door hun effect op de kwaliteit van de arbeid en van human resource.

4. Sociale insluiting bevorderen; sociale bescherming waarborgen

Het is van belang dat de Sociale Agenda aandacht heeft voor de positie van mensen voor wie werk vooralsnog geen reële optie is. Activering tot deelname in de samenleving moet zich ook richten op hen. Bevordering van de maatschappelijke participatie dient een centrale plaats in de sociale agenda in te nemen. De omslag naar een kenniseconomie biedt nieuwe kansen en mogelijkheden om te voorkomen dat mensen die niet of niet meer kunnen werken afglijden in een sociaal isolement. Nederland vindt dat die kansen benut moeten worden om hen in de gelegenheid te stellen op zinvolle wijze in de samenleving te participeren. Het waarborgen van minimum bestaansvoorzieningen en sociale basis-voorzieningen voor de burgers die daarop zijn aangewezen, is een kernpunt van de sociale agenda, evenals de toegang tot die voorzieningen. Nederland vindt dat op nationaal niveau concrete doelen moeten worden gesteld met betrekking tot de inkomensbescherming en het terugdringen van sociale achterstanden, in nauwe samenhang met een op reïntegratie en scholing gericht activeringsbeleid.

Sociale bescherming: kernpunten van de sociale agenda

Bij de verdere ontwikkeling van de in Lissabon overeengekomen open coördinatie op het terrein van de sociale bescherming acht Nederland de volgende punten van belang:

• Bestrijding armoede en sociale uitsluiting

• Bij het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting staan de door de groep op hoog niveau voor de sociale bescherming overeengekomen doelen ten aanzien van sociale insluiting centraal. Nederland is van mening dat kwantitatieve indicatoren een nuttige rol kunnen vervullen om de realisatie van die doelstellingen te meten. Dan moeten die indicatoren wel realistisch, resultaatgericht en meetbaar zijn. Nederland vindt dat het primair een zaak de lidstaten zelf is om dergelijke indicatoren op te stellen.

• Voor groepen die de aansluiting met de samenleving dreigen te verliezen zijn programma's voor sociale activering van groot belang. Structurele beleidsinspanningen zijn nodig om mensen bij de samenleving te blijven betrekken en sociaal isolement te voorkomen. Daartoe behoren specifieke programma's gericht op sociale participatie, waaronder vrijwilligerswerk, die ertoe moeten leiden dat mensen participeren in bredere maatschappelijke verbanden en toegang hebben tot sociale voorzieningen. Voor sommigen zal daarmee ook een eerste stap richting participatie op de arbeidsmarkt gedaan worden. Speciale aandacht zal hierbij moeten bestaan voor allochtonen, alleenstaande ouders met kinderen, ouderen, (ex-)psychiatrische patiënten, en dak- en thuislozen. Daarnaast kunnen gemeenten worden gesteund hun beleid en hun sociale infrastructuur op dit terrein te ontwikkelen.

• In de grote steden is de achterstandsproblematiek vaak geconcentreerd in een aantal wijken dat met grote sociale problemen te kampen heeft. Sociale insluiting van met marginalisering bedreigde groepen en de verbetering van de sociale infrastructuur is dan ook een belangrijke doelstelling van het grote stedenbeleid. Deze aanpak heeft baat bij een extra inspanning gericht op uitwisseling van best practices en op basis daarvan uitbouwen van een referentiekader voor stedelijk beleid waarvan lidstaten (en ook nieuwe lidstaten) kunnen profiteren. Hiertoe zijn onder het Frans voorzitterschap tijdens een informele ministersbijeenkomst in Lille (2 november 2000) van ministers die verantwoordelijk zijn voor stedelijk beleid, voorstellen gedaan, resulterend in o.a. aanvaarding van 9 prioriteiten voor een effectief stedelijk beleid, waaronder ICT als ontwikkelingsinstrument o.a. voor sociale insluiting. In Nice kan daartoe worden afgesproken om het initiatief hiervoor te verwelkomen.

• Nederland vindt dat – mede op basis van de voorstellen van de groep op hoog niveau voor de sociale bescherming – afspraken gemaakt worden over de houdbaarheid en de financiering van de pensioenstelsels, teneinde enerzijds de vergrijzende Europese bevolking een toereikend pensioen te kunnen garanderen en anderzijds de lange-termijn-houdbaarheid van de overheidsfinanciën te kunnen garanderen.Lidstaten moeten concrete plannen indienen over de wijze waarop zij de pensioenen in de toekomst zullen waarborgen. In Nice moet hiertoe een stappenplan worden overeengekomen. Daarbij is ook een rol weggelegd voor het door de Europese Commissie ingestelde Pensioenforum.

• Nederland vindt het van belang dat het sociaal beleid en het gezondheidsbeleid niet als twee afzonderlijke, naast elkaar staande grootheden worden gezien, maar juist in samenhang, correlerend, met elkaar. Sociaal beleid zal als preventief beleid een steeds belangrijkere plaats in het gezondheidsbeleid moeten gaan innemen. Informatie-uitwisseling en samenhang tussen acties met betrekking tot sociale bescherming en het komende Actieprogramma Volksgezondheid moeten worden gestimuleerd. Daarbij zal artikel 152, lid 5 van het EG-Verdrag in acht genomen moeten worden, welke de verantwoordelijkheden van de lidstaten voor de organisatie en verstrekking van gezondheidsdiensten en geneeskundige verzorging volledig eerbiedigt.

5. Politieke sturing van de sociale agenda

Nederland vindt voor de implementatie van de sociale agenda van de EU een afgewogen beleidsmix van open coördinatie, sociale dialoog en communautaire regelgeving gewenst.

Accent op een geïntegreerd proces van open coördinatie

Open beleidscoördinatie is het eerst aangewezen instrument om de sociale agenda ten uitvoer te brengen. De uitvoering van de sociale agenda is immers primair een zaak van de lidstaten zelf en hun sociale partners.

De sociale agenda is naar het oordeel van Nederland een coherent programma van verdieping, aanscherping, concretisering en vooral het invullen van de nog ontbrekende (sociale) elementen in het streven van de EU de strategische doelstelling van Lissabon te verwezenlijken. Het sociale beleid van de EU is geen losstaande pijler, maar een geïntegreerd onderdeel van het sociaal-economisch beleid van de Unie. Nederland wil daarom onderstrepen dat de sociale agenda een integraal onderdeel is van de Lissabon-strategie. De voortgang in de implementatie van de sociale agenda zal dan ook, als onderdeel van de voortgang in de Lissabon-strategie, worden besproken tijdens de voorjaarsvergadering van de Europese Raad.

Indicatoren ter beoordeling van de voortgang en resultaten

Nederland staat positief tegenover het gebruik van structurele indicatoren. Zij vormen de basis voor de open coördinatiemethode en zijn een belangrijk instrument voor de politieke sturing door de Europese Raad dat hem in staat stelt de voortgang te meten van de implementatie van de Lissabonstrategie. De open coördinatie met behulp van beleidsindicatoren bevordert de transparantie en effectiviteit van het beleid. Zij levert daarmee een positieve bijdrage aan het strategische doel van de Unie zoals gedefinieerd door de Europese Raad van Lissabon. In dit kader verwelkomt Nederland de mededeling de Commissie terzake. De voorgestelde indicatoren bieden een goed uitgangspunt voor de verdere ontwikkeling van de structurele indicatoren. Nederland zal zich inzetten de set indicatoren de komend tijd met kracht verder te ontwikkelen en uit te werken. Daarbij kan geprofiteerd worden van de ervaringen met indicatoren zoals die in de OESO zijn opgedaan.

Communautaire regelgeving: noodzakelijk, maar selectief en terughoudend hanteren

Communautaire regelgeving is een belangrijk onderdeel van Europees sociaal beleid. Desalniettemin is naar het oordeel van Nederland terughoudendheid van Europese regelgeving op sociaal terrein geboden, gezien het primaat voor sociaal beleid bij de lidstaten, het uitgangspunt van subsidiariteit en de grote diversiteit van de sociale stelsels van de lidstaten. Nederland steunt de oproep van het Europees Parlement om het geldende wetgevingskader te evalueren. Goede regelgeving draagt bij tot een adequate bescherming van werknemers en bevordert de efficiëntie van de arbeidsmarkt. Gewaakt dient te worden voor kwalitatief slechte of verouderde regelgeving die de vraag naar arbeid belemmert en kwaliteitsverbetering van het arbeidsaanbod kan doorkruisen. Regelgeving is vooral aan de orde als minimumnormen en kaders noodzakelijk zijn, binnen de ruimte die het Verdrag biedt. Dat is naar het oordeel van Nederland met name aan de orde in de sfeer van de veiligheid en gezondheid op het werk, en de sociale zekerheid. Verdere uitbreiding van de reeds bestaande regelgeving op deze terreinen vindt Nederland vooralsnog niet gewenst. De methode van open coördinatie is in veel gevallen effectiever en sneller om – via Europese sturing – vernieuwing op sociaal terrein te realiseren. Wel dient de sociale agenda impulsen te geven om met voortvarendheid bestaande lacunes in de regelgeving, zoals de regelgeving met betrekking tot de medezeggenschap en de arbeidstijden, op te heffen.

Commitment van sociale partners

De afspraken over de sociale agenda in Nice dienen een belangrijke rol toe te kennen aan de (intensivering van) de dialoog tussen sociale partners en tussen sociale partners en de regeringen. Sociale partners dragen een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de sociale agenda te vertalen in concrete afspraken op het niveau van de sectoren en de bedrijven. De sociale agenda is ook een uitnodiging aan de sociale dialoog voor het afsluiten van akkoorden die een brede, Europese, werking kunnen krijgen.

6. Nice: de sociale agenda voor de uitbreiding

De top in Nice moet een oproep zijn aan de landen die toetreden tot de EU. Voor de toetredingslanden biedt de sociale agenda een kader voor het ontwikkelen van sociaal-economisch beleid, zodat de weg naar een volwaardig EU-lidmaatschap en de sprong naar de kenniseconomie zo goed mogelijk verloopt. Dat vergt een permanente dialoog van de huidige lidstaten met de toetreders en hun sociale partners. De EU moet de uitbreidingslanden uitnodigen om mee te draaien in de lopende processen van open coördinatie op werkgelegenheids- en sociaal terrein. Zodat ze nu reeds onderwerp kunnen zijn van benchmarking en peer review. Dat is een investering in de toekomst.


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven