21 501-18
Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid

nr. 133
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 november 2000

Hierbij stuur ik u, mede namens staatssecretaris Verstand-Bogaert, het verslag van de Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, die wij op 17 oktober jl. hebben bijgewoond. Deze Raad stond in belangrijke mate in het teken van een bespreking van het «werkgelegenheidspakket 2000» en het artikel-13-pakket (anti-discriminatiebeleid). Over het laatste onderwerp is in de Raad uiteindelijk een politiek akkoord bereikt. Uw Kamer wordt hierover separaat geïnformeerd.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. A. F. G. Vermeend

Verslag van de Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, 17 oktober 2000

Werkgelegenheidspakket 2000

Op de Raad vond een eerste – oriënterend – debat plaats over het «werkgelegenheidspakket 2000». Dit pakket bevat drie onderdelen:

• Een voorstel voor de werkgelegenheidsrichtsnoeren 2001.

• Een gezamenlijk verslag van de Europese Commissie en de Europese Raad over de werkgelegenheidssituatie in de EU anno 2000.

• Aanbevelingen aan de lidstaten inzake de uitvoering van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten.

De drie documenten werden gezamenlijk besproken. Commissaris Diamantopoulou gaf een korte toelichting op het pakket. Zij wees hierbij in het bijzonder op de nieuwe prioriteiten die de speciale Europese Raad in Lissabon in maart jl. heeft geformuleerd, op de mid-term review van de werkgelegenheidsrichtsnoeren en op de ontwikkelingen op de Europese arbeidsmarkten. Zij benadrukte de belangrijke verbetering in de werkgelegenheidssituatie die zich sinds 1998 heeft voltrokken in de Unie, maar wees op de risico's van een daling van de werkgelegenheidstoename in 2001, onder invloed van met name de hogere olieprijzen. De Voorzitter van het Werkgelegenheidscomité deed mondeling verslag van de eerste bevindingen van het comité over de Commissie-voorstellen over het werkgelegenheidspakket.

Nederland opende de discussie. In lijn met het aan de Tweede Kamer toegezonden – en op 12 oktober besproken – kabinetsstandpunt, gaf Nederland aan dat het positief staat jegens het door de Commissie voorgelegde pakket. Wel plaatste Nederland een aantal kanttekeningen bij met name de mate van gedetailleerdheid van de ontwerp-richtsnoeren. Nederland pleitte ervoor deze globaler te formuleren en de omzetting in concreet beleid over te laten aan de individuele lidstaten. Verder vroeg Nederland zich af of onderwerpen waarvoor wetgeving voorhanden is – zoals de voorgestelde richtsnoeren inzake veiligheid en gezondheid op het werk – zo gedetailleerd moeten worden opgenomen in de ontwerp-richtsnoeren. Nederland herhaalde nog eens zijn vrees voor «bureaucratie» en «veel papier» in de cyclus van richtsnoeren en actieplannen. Nederland illustreerde dat aan de hand van het gegeven dat de voorstellen voor de werkgelegenheidsrichtsnoeren 2001 twee maal zo veel woorden bevatten als vorig jaar. Ook plaatste Nederland vraagtekens bij de formuleringen in de richtsnoeren die een intensivering van de uitgaven suggereren, waar het naar Nederlands oordeel meer op zijn plaats is om een hogere efficiency te benadrukken. Nederland benadrukte het belang van de zgn. peer review, maar vroeg zich in dat kader af of de inhoud van het Gezamenlijk Verslag niet meer gericht zou moeten worden op de resultaten van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten. Nederland benadrukte het belang van een intensievere coördinatie tussen de respectievelijke vakraden en hun ambtelijke voorportalen. Tenslotte meldde Nederland dat het de twee aanbevelingen die tot Nederland zijn gericht, beschouwt als ondersteuning voor het gevoerde beleid.

Diverse lidstaten onderschreven de Nederlandse kanttekeningen over de mate van detaillering van de ontwerp-richtsnoeren. Eén lidstaat stelde voor de eerste drie richtsnoeren ongewijzigd te laten en iedere verwijzing naar het verhogen van uitgaven te schrappen. Diezelfde lidstaat meldde problemen te hebben met de suggestie als zouden (belangrijke onderdelen van) opleiding en scholing de exclusieve competentie van de overheid zijn. Eén lidstaat gaf aan dat enkele ontwerp-aanbevelingen voor die lidstaat niet acceptabel waren. Diverse lidstaten vroegen aandacht voor het onderwerp «leven lang leren» en wezen op de grote verschillen tussen regio's in de EU, die niet via een algemeen beleid aangepakt kunnen worden. Enkele lidstaten vroegen om meer rekening te houden met de verschillen in uitgangsposities tussen de lidstaten. Verschillende lidstaten vroegen de Commissie het onderwerp «kwaliteit van het werk» nader uit te werken. In dit verband werd erop gewezen dat werkgelegenheidsbeleid niet zozeer een kwestie is van meer geld, maar veeleer van de kwaliteit en het recht op toegang tot voorzieningen zoals activerend arbeidsmarkt. Eén lidstaat plaatste expliciet vraagtekens bij de voorstellen tot het stellen van concrete doelstellingen voor de integratie van achterstandsgroepen. Van verschillende kanten werd gewezen op de noodzaak van meer samenwerking met de sociale partners. Eén lidstaat meldde problemen te hebben met het opnemen van richtsnoeren aan sociale partners in een document dat gericht is aan de overheden van de lidstaten.

Commissaris Diamantopoulou reageerde dat de conclusies van Lissabon ertoe nopen enige detaillering aan te brengen in de richtsnoeren, ten koste van de meer algemene formulering. Zij gaf aan dat ook de Commissie vindt dat de nadruk moet liggen op herschikking van de geldstromen en niet op verhoging. Zij meldde dat de gemaakte opmerkingen opgenomen zullen worden in een addendum bij de documenten en meegenomen zullen worden bij de verdere besluitvorming.

De komende weken zal het werkgelegenheidspakket in diverse Raadssamenstellingen worden besproken. Op de Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 28 november vindt finale besluitvorming plaats. Het Werkgelegenheidscomité zal hiertoe een voorstel doen, in nauw overleg met het Comité voor de Economische Politiek en het Onderwijscomité. Na bespreking in de Raad op 28 november zal het pakket worden voorgelegd aan de Europese Raad van Nice.

Tijdens de Raad voerden de Europese ministers ook overleg methet Permanent Comité voor de Arbeidsmarktvraagstukken (PCA) over het werkgelegenheidspakket. Het PCA is het periodiek overleg tussen de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid en de sociale partners op Europees niveau. Vertegenwoordigers van diverse organisaties van werkgevers en werknemers gaven hun oordeel over het werkgelegenheidspakket. Hierbij kwam het toenemende tekort aan geschoold personeel als meest belangrijk knelpunt naar voren. In dit kader werd onder meer gevraagd naar de mogelijkheden om zogenoemde derdelanders meer ruimte te geven op de Europese arbeidsmarkten.

Commissaris Diamantopoulou gaf in haar toelichting aan dat het voorstel voor de nieuwe werkgelegenheidsrichtsnoeren 2001 op de arbeidsmarktfricties inspringt, en onder meer voorstellen bevat om armoedeval en thema's zoals «leven lang leren» hoger op de agenda te plaatsen.

In de discussie over de arbeidsmarktfricties drong Nederland er op aan om vooral prioriteit te geven aan het investeren in mensen, teneinde de nog altijd grote omvang van het onbenutte potentieel op de Europese arbeidsmarkt beter te benutten.

Follow-up van de Europese Raad van Lissabon: structurele indicatoren

Op de Raad lagen conclusies voor, waarin het voorzitterschap de recente Commissie-mededeling over het ontwikkelen van structurele indicatoren op sociaal-economisch terrein verwelkomt. Die conclusies gaan overigens inhoudelijk niet in op het voorstel in de Mededeling dat de Commissie 27 bestaande en 11 nog te ontwikkelen indicatoren wil hanteren bij de beoordeling van het sociaal-economisch beleid van de lidstaten. Die indicatoren zijn onderverdeeld in vier categorieën: werkgelegenheidsindicatoren; indicatoren op het terrein van innovatie en onderzoek; indicatoren voor de economische hervorming; indicatoren voor de sociale cohesie.

Zonder discussie werden de voorgelegde concept-conclusies door de Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid aanvaard. Ook andere Raden zullen zich de komende periode buigen over de structurele indicatoren. Op basis van de verschillende opinies van de Raden zal het voorzitterschap in november een synthese-document voor de Europese Raad in Nice presenteren.

Voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de Europese Overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van mobiel personeel in de burgerluchtvaart

Zonder verdere discussie bereikte de Raad een politiek akkoord over het door de Association of European Airlines (AEA), de European Transport Workers' Association (ETF), de European Cockpit Association (ECA), de European Regions Airline Association (ERA) en de International Air Carrier Association (IACA) gesloten akkoord over de arbeidstijden van mobiel personeel in de burgerluchtvaart. Het akkoord voorziet onder meer in een maximum arbeidstijd en bloktijd per jaar, een minimum aantal rustdagen, het recht op betaald verlof en het recht op gratis medische keuring.

Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in werkgelegenheid en beroep (artikel 13 Verdrag EG)

De Raad startte met een algemene ronde over de tekst van de richtlijn. Dit naar aanleiding van door het voorzitterschap voorgelegde compromisteksten over de nog resterende politieke problemen (godsdienst; leeftijd; positie van de strijdkrachten; omzettingstermijn) met betrekking tot de richtlijn. In die ronde bleek dat er voor twee lidstaten op twee punten nog grote politieke problemen bestonden:

• Eén lidstaat had met betrekking tot de relatie tussen de richtlijn en de godsdienstvrijheid grote problemen en had politiek geen ruimte om op dit gevoelige punt te bewegen. Het vroeg om uitstel om de laatste teksten goed te kunnen bestuderen. Alle overige delegaties konden de voorstellen van het voorzitterschap aanvaarden, maar dat was dan het uiterste tot waar de andere lidstaten konden gegaan.

• Een andere lidstaat bepleitte nog een aantal aanpassingen met betrekking tot de omzettingstermijn, waarin de voorliggende voorstellen nog niet voorzagen.

Commissaris Diamantopoulou hield vervolgens een pleidooi voor aanvaarding van de richtlijn, waarbij zij er op wees dat de praktijk in bijvoorbeeld de VS laat zien dat vrees voor problemen bij non-discriminatiewetgeving ongegrond is. Ook wees ze op de positieve ervaringen met de Europese anti-discriminatieregelgeving op grond van geslacht.

Na schorsing werd de vergadering in «restreint» (beslotenheid) voortgezet en kon na lang onderhandelen een politiek akkoord worden bereikt over de richtlijn.

De discussie richtte zich hoofdzakelijk op de tekst van artikel 4.2 (religie). Door de eerstgenoemde lidstaat werden wijzigingen ingediend op de tekst van dit artikel. De wijzigingen kwamen er op neer dat in de tekst is neergelegd dat rekening kan worden gehouden met de «ethos» van een organisaties. Voorts is in de tekst van dit artikel een passage overgenomen uit de overwegingen bij de richtlijn. Die passage heeft betrekking op de voor kerkelijke organisaties geldende uitzonderingen. Aanvaarding van deze elementen (ethos; uitzonderingen kerkelijke organisaties) bleek absoluut noodzakelijk voor instemming van deze lidstaat met de richtlijn. De overige delegaties gingen hiermee uiteindelijk akkoord. Als tegenwicht en ter opneming van garanties werd op insisteren van Nederland, gesteund door het voorzitterschap, aan de tekst toegevoegd dat deze uitzonderingen wel de bepalingen van de richtlijn moeten respecteren. Voorts werd op verzoek van een andere lidstaat de eerste zin van de tekst, waar verwezen wordt naar de wetgeving, aangepast tot:«bestaande wetgeving en praktijken».

Artikel 4.2. luidt nu – onder het nadrukkelijke voorbehoud van de tekst zoals die door juristen/linguïsten uiteindelijk in de Nederlandse taal zal worden opgesteld – als volgt: «Les États membres peuvent maintenir dans leur législation nationale existant actuellement ou prévoir dans une législation future reprenant des pratiques nationales existant actuellement, des dispositions en vertu desquelles, dans le cas d'églises et d'autres organisations publiques ou privées dont l'éthique est fondée sur la religion ou les convictions, en ce qui concerne les activités professionnelles de ces organisations, une différence de traitement fondée sur la religion ou les convictions d'une personne ne constitue pas une discrimination lorsque, par la nature de ces activités ou par le contexte dans lequel elles sont exercées, la religion ou les convictions constituent une exigence professionnelle essentielle, légitime et justifiée eu égard à l'éthique de l'organisation. Cette différence de traitement s'exerce compte tenu des dispositions et principes constitutionnels des Etats membres, ainsi que des principes généraux du droit communautaire, et ne saurait justifier une discrimination fondée sur un autre motif».

Als laatste punt werd uiteindelijk besloten tot de mogelijkheid van een extra omzettingstermijn van maximaal drie jaar voor de gronden leeftijd en handicap, waarover de lidstaten die daar gebruik van maken de Commissie direct moeten inlichten en jaarlijks moeten rapporteren.

Op grond van het gesloten politiek akkoord zal de tekst van de richtlijn nu worden voorgelegd aan juristen/linguïsten. Daarna volgt formele besluitvorming op een volgende Raad.

Voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bestrijding van discriminatie (2001–2006)

Over het aan het artikel 13-pakket ten grondslag liggende actieprogramma werd – na een korte toelichting door Commissaris Diamantopoulou en het intrekken van de laatste voorbehouden door enkele lidstaten – eveneens een politiek akkoord bereikt. De tekst van het actieprogramma zal nu worden bijgewerkt door juristen/linguïsten en voor formele besluitvorming (hamerstuk) aan een volgende Raad worden voorgelegd.

Voorstel voor een richtlijn van het Parlement en de Raad tot tweede wijziging van Richtlijn 89/655/EEG betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats («werkzaamheden op hoogte»)

Op de Raad lag een gemeenschappelijk standpunt van de Raad voor met betrekking tot deze richtlijn. De richtlijn heeft tot doel om het werken op hoogte vanaf tijdelijke arbeidsmiddelen (zoals steigers en ladders) terug te dringen, teneinde het hoge aantal arbeidsongevallen hiermee te verminderen. Alle lidstaten konden zich vinden in het gemeenschappelijk standpunt. Het voorzitterschap meldde dat uit contacten met de rapporteur van het Europees Parlement is gebleken dat op basis van dit gemeenschappelijk standpunt wellicht spoedig een politiek akkoord kan worden gesloten.

Bestrijding van armoede en sociale uitsluiting: bepaling van passende doelstellingen met het oog op de Europese Raad van Nice

Op de Raad lag ter besluitvorming een document voor waarin de gemeenschappelijke doelstellingen voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting waren neergelegd (zie geannoteerde agenda d.d. 5 oktober). De doelstellingen waren gerangschikt langs de volgende vier pijlers:

• het bevorderen van de arbeidsdeelname en de toegang van eenieder tot voorzieningen, rechten, goederen en diensten;

• het voorkómen van uitsluitingsrisico's;

• optreden ten behoeve van de meest kwetsbare groepen;

• het mobiliseren van alle actoren (van regeringen tot sociale partners tot ngo's).

Het voorzitterschap benadrukte het belang van de door de Raad ingezette acties in het kader van de strijd tegen de armoede en toonde zich zeer verheugd dat de Raad in staat was gebleken om te voldoen aan het verzoek van de Europese Raad van Lissabon om aan de Europese Raad van Nice een document met passende doelstellingen in de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting voor te leggen.

Commissaris Diamantopoulou meldde dat het vooralsnog niet mogelijk was gebleken om precieze, kwantitatieve doelstellingen te formuleren, maar toonde zich desondanks zeer tevreden met het bereikte resultaat. Zij benadrukte dat het nu aan de lidstaten is om nationale doelen te formuleren en vervolgens met nationale actieplannen te komen. Zij sloot niet uit dat de Commissie, evenals bij de werkgelegenheidsrichtsnoeren, aan het eind van een cyclus eventueel met aanbevelingen aan de lidstaten zal komen. Verder wees zij op het belang van de verdere ontwikkeling van indicatoren met betrekking tot armoede en sociale uitsluiting en de rol hierbij van het – eind december van start gaande – Comité voor de sociale bescherming.

De tekst werd zonder nagenoeg enige discussie aanvaard en zal worden doorgeleid naar de Europese Raad van Nice.

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap

De discussie hierover werd evenals de artikel-13-discussie in «restreint» gevoerd en duurde slechts kort vanwege tijdgebrek. Van een volledig oriënterend debat is het derhalve niet gekomen. Het voorzitterschap bood de delegaties daarom de gelegenheid om via een schriftelijke procedure te antwoorden op vragen die het voorzitterschap aan de lidstaten heeft voorgelegd. Het voorzitterschap wees op het belang van de voorliggende tekst van de richtlijn en op interesse die bijvoorbeeld in het Europees Parlement bestaat voor dit dossier.

Commissaris Diamantopoulou zette in grote lijnen de inhoud van het voorstel nog eens uiteen en benadrukte dat het gaat om een algemeen kader voor informatie en consultatie van werknemers dat de lidstaten de vrijheid laat om dit nader in te vullen, rekening houdend met de eigen wetgeving, tradities en praktijken op dit terrein. Verder wees zij erop dat de richtlijn naar schatting betrekking zal hebben op 52 procent van de Europese werknemers. Zij achtte de tijd daarom rijp om snel een besluit te nemen. Eén lidstaat gaf expliciet aan bezwaren te hebben met de richtlijn. Het voorzitterschap sloot af met een oproep aan delegaties om schriftelijk hun opvattingen over de gestelde vragen mee te delen en sprak de hoop uit dat het mogelijk zou zijn op de Raad van 28 november een besluit te nemen.

De Europese agenda voor het sociaal beleid

De behandeling van dit onderwerp bleef beperkt tot de informatie van het voorzitterschap over de stand van zaken. Het voorzitterschap kondigde een synthese-document aan voor de Raad van 28 november, ter doorgeleiding naar de Europese Raad van Nice. Het synthese-document zal naar verwachting eind oktober/begin november verschijnen. Het voorzitterschap gaf aan groot belang te hechten aan de betrokkenheid van de sociale partners. Commissaris Diamantopoulou vroeg in dit kader aandacht voor de onlangs verschenen Commissie-mededeling over pensioenen.

Naar boven