Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 21501-18 nr. 132 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 21501-18 nr. 132 |
Vastgesteld 30 oktober 2000
De algemene commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben op 12 oktober 2000 overleg gevoerd met minister Vermeend en staatssecretaris Verstand van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:
– het verslag van de Raad voor werkgelegenheid en sociaal beleid van 6 juni 2000 (21 501–18, nr. 127);
– het verslag van de informele Raad voor werkgelegenheid en sociaal beleid van 7 en 8 juli 2000 te Parijs (21 501-18, nr. 129);
– de conceptagenda's van de Raden voor werkgelegenheid en sociaal beleid (SoZa-00-766/EU-00-180);
– de geannoteerde agenda voor de Raad voor werkgelegenheid en sociaal beleid van 16 en 17 oktober 2000 (SoZa-00-859);
– het kabinetsstandpunt over het werkgelegenheidspakket 2000 (SoZa-00-869).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Verburg (CDA) kon zich vinden in de inbreng van de regering tijdens de informele Raad voor werkgelegenheid en sociaal beleid op 8 juli. Er moet gestreefd worden naar open coördinatie, peer pressure, simpelheid en transparantie. Er moeten indicatoren voor de sociaal-economische ontwikkeling komen om vooruitgang in het werkgelegenheidsbeleid en het sociaal beleid te kunnen meten en zichtbaar te maken. Statistieken en monitoringssystemen moeten dan ook helder zijn. In de werkgelegenheidsrichtsnoeren 2001 blijft de vierpijlerstructuur gelukkig gehandhaafd. De richtsnoeren moeten overigens niet te gedetailleerd zijn, maar vooral de doelen helder formuleren. In dit verband is het de vraag wat de resultaten zijn van de peer pressure. In de werkgelegenheidsrichtsnoeren ligt het accent vooral op werkgelegenheid en het creëren daarvan, terwijl er aan de hand van de afspraken die terzake in Lissabon gemaakt zijn, ook ingespeeld zou moeten worden op arbeidsmarktontwikkelingen. Er vindt namelijk in toenemende mate een verschuiving plaats van productie naar dienstverlening en communicatie.
Mevrouw Verburg herhaalde haar kritiek op het pakket antidiscriminatiemaatregelen ingevolge artikel 13 van het EG-verdrag. Alvorens hier een politiek akkoord over gesloten kan worden, moet eerst duidelijk zijn wat de consequenties van dat pakket zijn voor de Nederlandse wet- en regelgeving inzake indirect onderscheid, verschuiving van de bewijslast, naleving van de richtlijn, victimisatie en zaken als intimidatie. Het LBL (Landelijk bureau leeftijdsdiscriminatie) heeft trouwens bezwaar gemaakt tegen het huidige voorstel inzake de bestrijding van leeftijdsdiscriminatie en het lijstje van mogelijke uitzonderingen daarop. Wil de staatssecretaris overwegen om die uitzonderingen niet op te nemen in de ontwerprichtlijn?
Mevrouw Örgü (VVD) merkte op dat de commissie de stukken wederom erg laat heeft ontvangen en dat dit geen werkbare situatie is. De verslagen zijn overigens wel helder en geven duidelijk de Nederlandse inzet weer. De verantwoordelijkheid voor een en ander ligt uiteraard bij de lidstaten. Aandachtspunt is en blijft de noodzaak van goed onderling vergelijkbare en eensluidende statistieken en indicatoren. Die zijn weliswaar moeilijk te formuleren, maar alleen op die manier kan objectiviteit gegarandeerd worden. Het nog onbenutte arbeidspotentieel van onder andere langdurig werklozen, allochtonen, vrouwen en ouderen moet benut worden. De afstand tussen werk en uitkering moet vergroot worden. Werk moet lonen. De lidstaten moeten hiertoe op nationaal niveau beleid ontwikkelen. Het is overigens geen goede zaak om opnieuw richtsnoeren te creëren en de lidstaten te verplichten tot frequentere rapportage. Hierdoor wordt alleen maar bureaucratie in de hand gewerkt. Hoe denkt de minister te kunnen voorkomen dat de papiermassa toeneemt? Tot slot wilde mevrouw Örgü weten wat de gevolgen voor het Nederlandse beleid zullen zijn van het pakket antidiscriminatiemaatregelen ingevolge 13 van het EG-verdrag.
De heer Van der Staaij (SGP) vroeg naar de stand van de discussie over de antidiscriminatiemaatregelen en de kaderrichtlijn terzake. Het Europees Parlement is hier inmiddels over geraadpleegd. Heeft de regering al kennisgenomen van het advies en de wijzigingsvoorstellen van het Europees Parlement en zo ja, hoe oordeelt zij hierover? Aangezien er nog onvoldoende inzicht is in de gevolgen van de kaderrichtlijn voor de Nederlandse wetgeving terzake, is het niet verstandig om hier tijdens de Raad voor werkgelegenheid en sociaal beleid van 17 oktober een politiek akkoord over te sluiten. Klopt het overigens dat daar op grond van artikel 13 van het EG-verdrag unanimiteit voor vereist is?
Antidiscriminatiemaatregelen zijn eerst en vooral een zaak van nationale overheden. Overkoepelende EU-regelgeving op dit punt achtte de heer Van der Staaij dan ook niet noodzakelijk. Als de weg van de voorliggende kaderrichtlijn wordt ingeslagen, is in ieder geval prudentie geboden, gelet op de verenigbaarheid met de grondrechten.
Hoe kan de uitzonderingspositie van kerken, identiteitsgebonden zorginstellingen en bijzonder onderwijs gewaarborgd worden? Uit de langdurige behandeling van de Algemene wet gelijke behandeling blijkt al dat een precieze formulering van groot belang is. Het kabinet gaat ervan uit dat de waarborgen ten aanzien van kerken onverkort gecontinueerd kunnen worden en verwacht dat de kaderrichtlijn geen afbreuk zal doen aan de waarborgen voor identiteitsgebonden zorginstellingen. Heeft het kabinet al actie ondernomen om de tekst van artikel 4 van de kaderrichtlijn zodanig aan te passen dat duidelijk is dat zorg- en onderwijsinstellingen onder de uitzonderingsbepaling vallen? Hoe luidt de tekst van dat artikel thans? Kan het kabinet garanderen dat er niet via de Europese achterdeur getornd zal worden aan de uitzonderingsbepalingen uit de Algemene wet gelijke behandeling? De heer Van der Staaij refereerde hierbij aan de verschuiving van de bewijslast in het kader van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Hij was er trouwens niet van overtuigd dat in het kader van de antidiscriminatiemaatregelen een verschuiving van de bewijslast wenselijk dan wel noodzakelijk is. Moet er niet sowieso naar gestreefd worden dat de rechter, naar analogie van de bepalingen terzake in het Burgerlijk Wetboek, een uitzondering kan maken, als redelijkheid en billijkheid daar aanleiding toe geven? De ICER heeft gesteld dat nader onderzocht moet worden welke regelgeving aangepast moet worden op grond van de kaderrichtlijn. Heeft een dergelijk onderzoek, mede met het oog op de implementatietermijn, al plaatsgevonden?
De heer Timmermans (PvdA) merkte op dat de werkgelegenheidsrichtsnoeren 2000 en de maatregelen die tot nu toe in werking zijn getreden, positieve effecten blijken te hebben op zowel de bestrijding van de werkloosheid als de herstructurering van de Europese economieën. De Europese sociale agenda die op de top van Nice aan de orde zal komen, is in dit verband niet alleen wenselijk, maar ook dringend noodzakelijk om de doelstelling te halen die in Lissabon is afgesproken, namelijk dat Europa over tien jaar 's werelds best presterende economie heeft, onder de randvoorwaarde van handhaving van het Europees sociaal model. Het geheel van de Lissabonagenda is weliswaar complex, maar bevat voldoende elementen om de vernieuwing van de economie ter hand te kunnen nemen.
De heer Timmermans wilde ook weten welke gevolgen het pakket antidiscriminatiemaatregelen ingevolge artikel 13 van het EG-verdrag heeft voor de Nederlandse wet- en regelgeving terzake. Wat is in dit verband de reactie van het kabinet op de brief van het LBL? Welke tussenstappen zullen overigens gezet worden om over tien jaar 70% arbeidsparticipatie te bereiken? Zal de Kamer hier regelmatig over geïnformeerd worden? Wat zijn de concrete Nederlandse streefdoelen om de arbeidsparticipatie van vrouwen te vergroten? In het kader van de sociale dialoog is afgesproken om de NGO's zoveel mogelijk te betrekken bij vergroting van de arbeidsparticipatie in Europa. Het kabinet wil echter tegelijkertijd de passage over versterking van het consultatiesysteem in richtsnoer 17 schrappen. Hoe verhoudt het een zich tot het ander? Tot slot wilde de heer Timmermans weten welke concrete stappen de minister de komende tijd zal zetten om de positie van de Raad voor werkgelegenheid en sociaal beleid meer in evenwicht te brengen met die van de Ecofin-raad.
De heer Vendrik (GroenLinks) vroeg wat de regering wil inbrengen bij richtsnoer 2 inzake de aanpak van de armoedeval. De armoedeval kan op een linkse manier aangepakt worden, namelijk door mensen die gaan werken, wat meer te betalen. Het kan ook op een rechtse manier, namelijk door mensen die niet gaan werken, wat af te pakken. De heer Vendrik sprak de hoop uit dat de regering de linkse manier gaat uitdragen in Europa, opdat het richtsnoer ook aangeeft hoe de armoedeval aangepakt kan worden. Vindt het thema van de lastenverschuiving overigens nog een plek in het debat over de werkgelegenheidsrichtsnoeren? Aangezien in Ecofin-raadsverband steeds vaker gesproken wordt over het aanwenden van groeidividend voor lastenverlaging en duurzame ontwikkeling steeds meer vaste voet aan de grond krijgt in het kader van de globale richtsnoeren, zou verwacht mogen worden dat dit thema aan belangstelling wint.
Het gevaar bestaat dat de voorbeelden die genoemd worden als gerechtvaardigde uitzonderingen op het algemene verbod op leeftijdsdiscriminatie, een zelfstandige werking gaan krijgen als vaste uitzonderingsgrond. Het Europees Parlement schijnt dan ook uitgesproken te hebben dat artikel 5 geschoond moet worden van deze voorbeelden. Gebruikt de regering deze voorbeelden zelf al niet als gelegitimeerde uitzonderingsgrond in het wetsvoorstel dat zij terzake van leeftijdsdiscriminatie bij de Kamer aanhangig heeft gemaakt?
Mevrouw Schimmel (D66) kon instemmen met het voornemen om te streven naar een politiek akkoord over een voorstel voor een richtlijn van de Raad tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in werkgelegenheid en beroep. Tijdens hoorzittingen over richtlijnen die gebaseerd zijn op artikel 13 van het EG-verdrag, is inderdaad gebleken dat er in dit verband nogal wat technische zaken opgelost moesten worden. De meeste organisaties die hier vertegenwoordigd waren, waren evenwel verheugd dat er op Europees niveau een kader wordt geschapen om discriminatie op grond van godsdienst, levensovertuiging, leeftijd, handicap en seksuele geaardheid te bestrijden. Is het echter nog mogelijk om het lijstje met uitzonderingen bij artikel 5 te schrappen? Het gevaar bestaat namelijk dat de daar genoemde voorbeelden geïnterpreteerd zullen worden als gerechtvaardigde uitzondering. Het Europees Parlement heeft de Raad dan ook geadviseerd om dat lijstje te schrappen en een artikel 5bis toe te voegen. Dat artikel behelst een periodieke meldingsplicht voor de erkende uitzonderingen. Tot slot sprak mevrouw Schimmel uit dat zij verheugd was dat de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting op de agenda van de Raad voor werkgelegenheid en sociaal beleid van 17 oktober staat. Het is een goede zaak dat de Nederlandse regering invloed heeft kunnen uitoefenen op de invulling van dat agendapunt.
De minister bevestigde dat er ten aanzien van het werkgelegenheidsbeleid en het sociaal beleid sprake moet zijn van open coördinatie. Het blijkt moeilijk te zijn om in de Raad voor werkgelegenheid en sociaal beleid een algemene opinie te formuleren over de instrumenten die nodig zijn om dit beleid te realiseren, maar de lidstaten zijn wel bereid om van elkaar te leren, als in een land goede ervaringen zijn opgedaan met initiatieven op nationaal niveau. Dat blijkt ook uit de grote belangstelling voor de peer review die Nederland eind oktober organiseert over flexibiliteit en zekerheid. Verder lijkt het erop dat de benchmarking vruchten begint af te werpen op Europees terrein. In de werkgelegenheidsrichtsnoeren zou inderdaad wel wat meer ingespeeld mogen worden op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. In een gesprek ter voorbereiding van de top in Nice had de minister er dan ook op aangedrongen om met name de gevolgen van internet voor de arbeidsmarkt in Europa bij het werkgelegenheidsbeleid en het sociaal beleid te betrekken. Wil Europa binnen tien jaar de best presterende economie van de wereld zijn, dan moet een en ander echter niet alleen op papier gezet worden, maar ook praktische uitgewerkt worden. Het blijft overigens moeilijk om eensluidende en onderling vergelijkbare indicatoren te ontwikkelen om de vorderingen van de individuele lidstaten op dit gebied te meten. Er is inmiddels een werkgroep ingesteld om meetinstrumenten en criteria te ontwikkelen.
De Nederlandse regering is van mening dat de werkgelegenheidsrichtsnoeren nuttig en zinvol kunnen zijn; tegelijkertijd moet gecontroleerd worden dat het arbeidsmarktbeleid voor een deel nationaal beleid is. Het is evenwel schrijnend dat er in Europa 14 à 15 miljoen werklozen zijn, terwijl er in Nederland een tekort is aan arbeidskrachten. Op dit terrein moet dan ook gezocht worden naar meer vormen van samenwerking. De Europese sociale agenda kan hierbij een leidraad zijn. Verder zal er een Europese databank worden opgezet voor het uitwisselen van gegevens over vacatures en scholingsmogelijkheden. Op internet zijn er trouwens al internationale databanken op dat gebied te vinden. De Kamer wordt in ieder geval in het kader van de begroting geïnformeerd over de stappen die op nationaal niveau gezet zullen worden om de doelstellingen op het gebied van de arbeidsparticipatie van ouderen, allochtonen en vrouwen te realiseren. In Europees verband worden ook de NGO's betrokken bij de vergroting van de arbeidsparticipatie. Voor de Europese Raad zal de Raad voor werkgelegenheid en sociaal beleid trouwens een grotere inbreng leveren.
De armoedeval zal in de verschillende lidstaten vooral op nationaal niveau aangepakt moeten worden. Bij de algemene beschouwingen is in dit verband gesteld dat de inkomensondersteunende maatregelen die genomen zijn, niet aangetast zullen worden. Er wordt gezocht naar andere manieren om werk meer lonend te maken. Op Europees vlak moet hierbij sprake zijn van benchmarking. Elke lidstaat zal zijn socialezekerheids- en belastingstelsel onderzoeken en waar nodig herzien, teneinde armoedevallen weg te nemen en het voor werklozen en inactieven aantrekkelijk te maken om werk te zoeken en te aanvaarden. In de discussie over de werkgelegenheidsrichtsnoeren gaat het overigens niet zozeer om lastenverschuiving naar directe en indirecte belastingen, maar meer om gericht arbeidsmarktbeleid en het ontwikkelen van een instrumentarium terzake.
De staatssecretaris was van mening dat de Kamer in de brief van 30 mei en in de notitie van 22 september voldoende geïnformeerd is over de consequenties van de Europese antidiscriminatiemaatregelen voor de Nederlandse wetgeving terzake. Bij de onderhandelingen over het pakket maatregelen ingevolge artikel 13 van het EG-verdrag wordt ook voortdurend getoetst wat een en ander betekent voor de Nederlandse wetgeving en of dat wel past in de lijnen die op nationaal niveau zijn uitgezet. De staatssecretaris kende genoemde brief van het LBL over leeftijdsdiscriminatie niet, maar was wel op de hoogte van het advies van het Europees Parlement om het lijstje met uitzonderingsbepalingen bij artikel 5 te schrappen. Het Europees Parlement vraagt zich namelijk af of zo'n lijst wel nodig is, als de term «objectieve rechtvaardiging» wordt opgenomen. Nederland heeft zich evenwel ingezet voor uitzonderingen op het gebied van het minimumjeugdloon (toetredingsleeftijd) en de actuariële berekeningen van de aanvullende pensioenen. Met die niet-limitatieve lijst van uitzonderingen heeft Nederland enige duidelijkheid en rechtszekerheid willen creëren, ook ten opzichte van het Europese Hof van Justitie. Om die reden moet die lijst niet geschrapt worden. Bovendien sluit die lijst aan bij het spoor dat ingezet is bij het wetsvoorstel inzake leeftijdsdiscriminatie. Het was de staatssecretaris niet bekend wat de Europese Commissie met de voorstellen van het Europees Parlement gaat doen.
Nederland heeft zich ervoor ingezet om de tekst van artikel 4, lid 2, van de richtlijn zodanig te formuleren dat die naadloos aansluit op artikel 3 en artikel 5 van de Algemene wet gelijke behandeling. Zoals artikel 4, lid 2, thans geformuleerd is, geeft het voldoende zekerheid dat de lidstaten wettelijk kunnen bepalen dat in het geval van kerken en op godsdienst en levensovertuiging gebaseerde publieke of particuliere organisaties voor de beroepsactiviteiten van deze organisaties het maken van onderscheid op basis van godsdienst of levensovertuiging is toegestaan. Aansluitend op de discussie in de Tweede Kamer over het wetsvoorstel ter implementatie van de bewijslastrichtlijn moet opgemerkt worden dat redelijkheid en billijkheid overigens geen grond kunnen zijn voor omkering van de bewijslast. Dit spoort namelijk niet met de bewijslastrichtlijn noch met het Nederlandse burgerlijke procesrecht. Vertroebeling van juridische termen moet voorkomen worden. Het is ook consequent om hierbij de systematiek te volgen, zoals die ingezet is voor de bewijslast bij seksediscriminatie. Voor het overige wordt ernaar gestreefd om de onderhavige richtlijnen snel te accorderen. Aangezien er unanimiteit vereist is, zal het echter ook een kwestie zijn van geven en nemen. Tot slot meldde de staatssecretaris dat in Lissabon is vastgesteld dat er gestreefd zal worden naar 60% arbeidsparticipatie van vrouwen in 2010, maar dat in het kader van het emancipatiebeleid in dit verband sprake is van 65%.
Mevrouw Verburg (CDA) wilde nog weten waarom Nederland tijdens de onderhandelingen het studievoorbehoud met betrekking tot de plaats van intimidatie heeft ingetrokken en of dit nu wel of geen consequenties heeft voor de Nederlandse wetgeving. Voortvarendheid is een goede zaak, maar zorgvuldigheid is een absolute vereiste.
Mevrouw Örgü (VVD) kon met accordering van de internationale verdragen instemmen, als een en ander afgestemd wordt met de Nederlandse wetgeving. Artikel 13 van het EG-verdrag moet hier dan wel aan ten grondslag liggen.
De heer Van der Staaij (SGP) zou het betreuren, als tijdens de Raad voor werkgelegenheid en sociaal beleid op 17 oktober akkoord wordt gegaan met de antidiscriminatiemaatregelen. De Kamer heeft namelijk nog niet de laatste tekst van artikel 4, lid 2, kunnen bekijken.
De heer Timmermans (PvdA) wilde weten wanneer het SER-advies over de mobiliteit van de arbeidsmarkt in Europa te verwachten is.
De heer Vendrik (GroenLinks) was van mening dat artikel 5 de mogelijkheid biedt om af te wijken van het algemene verbod op leeftijdsdiscriminatie en dat het lijstje met uitzonderingsbepalingen daarbij als toetsingskader dient. Hij vreesde evenwel dat de in dat lijstje genoemde voorbeelden een zelfstandige uitzonderingsgrond gaan vormen en dat de algemeen getoetste uitzonderingsgrond daardoor doorkruist zal worden. Het LBL heeft aangegeven dat dit de helderheid van de richtlijn niet ten goede komt.
Mevrouw Schimmel (D66) merkte nog op dat de uitzonderingen die in dat lijstje genoemd worden, geïnterpreteerd moeten worden als mogelijke uitzonderingen.
De minister meldde dat het SER-advies over de mobiliteit van de arbeidsmarkt aan het eind van het jaar te verwachten is.
De staatssecretaris was van mening dat het uiteindelijk altijd mogelijk is dat iemand naar de rechter stapt om een uitzondering te laten toetsen aan de algemene bepaling uit de richtlijn. Het lijstje met uitzonderingen is evenwel een illustratie van de objectieve rechtvaardiging van afwijkingen die een nationale regering kan invoeren. Het zijn dus voorbeelden. De richtlijn zal onder meer consequenties voor de Nederlandse wetgeving hebben, waar het gaat om intimidatie, verschuiving van de bewijslast en in het geval van leeftijdsdiscriminatie ook op het punt van arbeidsvoorwaarden en ontslag. Het is overigens de bedoeling om tijdens de Raad voor werkgelegenheid en sociaal beleid een politiek akkoord te sluiten over het pakket antidiscriminatiemaatregelen. Bij de onderhandelingen zullen de opmerkingen van de Kamer uiteraard meegenomen worden. De kaderrichtlijn geeft evenwel een minimumniveau aan en biedt de lidstaten nog de mogelijkheid om aan te sluiten bij de eigen wetgeving terzake.
Samenstelling: Leden: Weisglas (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (RPF/GPV), Van Oven (PvdA), ondervoorzitter, Voûte-Droste (VVD), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Verhagen (CDA), Rouvoet (RPF/GPV), De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Patijn (VVD), voorzitter, Van den Akker (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Weekers (VVD), Albayrak (PvdA), Eurlings (CDA), Van Baalen (VVD) en Molenaar (PvdA).
Plv. leden: Blaauw (VVD), Dittrich (D66), Van den Berg (SGP), Valk (PvdA), Wilders (VVD), Remak (VVD), Ter Veer (D66), Van Bommel (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), De Graaf (D66), Van der Knaap (CDA), Waalkens (PvdA), Verbugt (VVD), Balkenende (CDA), Mosterd (CDA), M.B. Vos (GroenLinks), Feenstra (PvdA), Zijlstra (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Örgü (VVD), Gortzak (PvdA), Crone (PvdA).
Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Kalsbeek (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF/GPV), Bakker (D66), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Harrewijn (GroenLinks), Balkenende (CDA), Van Gent (GroenLinks), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Örgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA), Wilders (VVD) en Snijder-Hazelhoff (VVD).
Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Hamer (PvdA), Dankers (CDA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Van Middelkoop (RPF/GPV), Van Vliet (D66), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Vendrik (GroenLinks), Mosterd (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA), Wagenaar (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA), De Vries (VVD), Klein Molekamp (VVD) en Van der Hoek (PvdA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-132.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.