Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 21501-18 nr. 130 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 21501-18 nr. 130 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 oktober 2000
Bijgaand zend ik u, mede namens staatssecretaris Verstand, de geannoteerde agenda ten behoeve van de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 17 oktober aanstaande. Deze agenda zal tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamer op donderdag 12 oktober worden besproken.
In verband met agendapunt 3 van de Raad verzoek ik u bij het overleg ook te betrekken het Kabinetsstandpunt Werkgelegenheidspakket 2000, dat u apart zal worden toegezonden.
Geannoteerde agenda van de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 17 oktober 2000 te Luxemburg
Op 17 oktober vindt de eerste formele ontmoeting van de ministers van werkgelegenheid en sociale zaken onder Frans voorzitterschap plaats.
De agenda van de Raad omvat een twaalftal punten. Naast de 1) vaststelling van de agenda en 2) de goedkeuring van A-punten zullen de ministers zich buigen over de volgende onderwerpen:
1. Najaarspakket 2000 werkgelegenheid
| Titel voorstellen: | Gezamenlijk rapport over de werkgelegenheid |
| Werkgelegenheidsrichtsnoeren 2001 | |
| Aanbevelingen aan de lidstaten | |
| Documenten: | 11189/00 SOC 284 ECOFIN 230 FISC 121 |
| 11190/00 SOC 285 ECOFIN 231 | |
| 11191/00 SOC 286 ECOFIN 232 | |
| Aard bespreking: | Oriënterend debat |
Op 6 september jongstleden heeft de Europese Commissie het Werkgelegenheidspakket 2000 vastgesteld. Dit pakket, dat onderdeel uitmaakt van Europese werkgelegenheidsstrategie, is samengesteld uit drie onderdelen:
• Een ontwerp-gezamenlijk verslag voor de werkgelegenheid: een verslag van de implementatie van de werkgelegenheidsrichtsnoeren in 2000
• Een voorstel van de Commissie aan de Raad voor landenspecifieke aanbevelingen aan lidstaten
• Een voorstel van de Commissie aan de Raad voor werkgelegenheidsrichtsnoeren 2001
In de Raad van 17 oktober zal een eerste oriënterend debat over het pakket gevoerd worden.
Tegelijkertijd met deze geannoteerde agenda ontvangt u een kabinetsstandpunt over dit werkgelegenheidspakket. Dit kabinetsstandpunt vormt de leidraad voor de Nederlandse bijdrage aan de bespreking in de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid. Het kabinetsstandpunt gaat in op de verschillende inhoudelijke onderdelen van het pakket, de behandelingsprocedure in de Raad en de tussentijdse evaluatie van de werkgelegenheidsstrategie.
Agendapunt 4. Vervolg op de Top van Lissabon: indicatoren voor structurele «performance»
| Titel: | Structurele indicatoren |
| Documenten: | Mededeling van de Commissie Structurele indicatoren COM (2000) |
| Aard bespreking: | Raadsconclusies |
De Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid zal op 17 oktober een opinie formuleren over de structurele indicatoren voor het meten van de sociaal-economisch vooruitgang in de Unie. Op de Europese Raad van Lissabon (maart 2000) hebben de Europese regeringsleiders een sociaal-economische strategie afgesproken, die tot doel heeft dat de EU binnen 10 jaar de best presterende economie ter wereld is. Op de Europese Raad van Feira (juni 2000) is afgesproken dat de Commissie in september een rapport uitbrengt met voorstellen voor indicatoren en benchmarks, die gehanteerd zullen worden in het ten behoeve van de Europese Raad van Stockholm (maart 2001) op te stellen «synthese-rapport».
Zeer onlangs heeft Commissie een Mededeling gepubliceerd met voorstellen voor structurele indicatoren op sociaal-economisch terrein. In totaal stelt de Commissie 27 bestaande en 11 nog te ontwikkelen indicatoren voor, onderverdeeld in vier hoofdcategorieën:
• Werkgelegenheidsindicatoren (w.o. niveau van werkgelegenheid; niveau werkgelegenheid onder vrouwen; idem onder ouderen; omvang werkloosheid; omvang langdurige werkloosheid).
• Indicatoren op het terrein van innovatie en onderzoek (w.o. publieke uitgaven onderwijs; uitgaven voor «research & development»; idem voor ICT; toegang tot het Internet).
• Indicatoren voor economische hervorming (w.o. handelsbelemmeringen; prijsniveaus in netwerk-industrieën, zoals telecommunicatie en transport; kapitaalomvang van aandelenmarkten).
• Indicatoren voor sociale cohesie (w.o. inkomensverdeling; omvang armoede vòòr en na sociale overdrachten; duur van de armoede; omvang huishoudens zonder werk; vroegtijdig schoolverlaten).
Nederland staat positief tegenover het hanteren van sociaal-economische indicatoren, gezien de afspraken van Lissabon. Indicatoren spelen een belangrijke rol in het proces van «open coördinatie». Er is evenwel een aantal aandachts- en toetspunten, die Nederland in het debat in de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid over de indicatoren op sociaal en werkgelegenheidsterrein naar voren zal brengen:
• De meetbaarheid en vergelijkbaarheid van indicatoren staat voorop. De statistische bronnen waarop indicatoren zijn gebaseerd, dienen onomstreden en eenduidig meetbaar te zijn. In lijn met de inbreng op de informele Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van Parijs (zie het verslag van die Raad, dat op 14 juli jl. aan de Kamer is toegezonden), staat voor Nederland voorop dat indicatoren in staat zijn om vooruitgang te meten.
• Van belang is dat de indicatoren vergelijkingen tussen de prestaties van de lidstaten mogelijk maken. Indicatoren die uitsluitend een beeld geven van de totale Unie zijn voor coördinatie tussen lidstaten onvoldoende. Niet alleen moet worden beoordeeld in hoeverre de Unie als geheel de Lissabon-afspraken nakomt. Van belang is dat ook op nationaal niveau (door de nationale parlementen) kan worden beoordeeld in hoeverre de afzonderlijke lidstaten de politieke afspraken van Lissabon realiseren.
• Het aantal te hanteren indicatoren dient beperkt te zijn. Beter een beperkt aantal goede en eenduidige indicatoren, dan een groot aantal multi-interpretabele of onvoldoende concrete indicatoren.
• Nederland hecht eraan dat Raden in hun diverse samenstellingen en verantwoordelijkheden een input kunnen geven aan de indicatoren-discussie. Voor de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid geldt dat bij de verdere uitwerking van indicatoren met name ook rekening kan worden gehouden met de in december te maken afspraken over de «sociale agenda van de EU» en de inbreng die de groep op hoog niveau «Sociale bescherming» en het Werkgelegenheidscomite (EMCO) hiertoe zullen leveren.
In het licht hiervan verdient nu de voorliggende Commissie-mededeling een kritisch oordeel, omdat voor lang niet alle indicatoren duidelijk is op welke wijze en met welk doel deze indicatoren (kunnen) worden gemeten. Het is nog de vraag of de door de Commissie voorgestelde indicatoren kunnen worden gehanteerd ten behoeve van het synthese-rapport, dat al binnen ruim een half jaar gereed dient te zijn. Bijzondere aandacht verdient daarbij volgens Nederland de kwaliteit en actualiteit van het statistische materiaal. Aan de verbetering van de vergelijkbaarheid van statistische gegevens en het beschikbaar komen van recente gegevens dient met nadruk te worden gewerkt.
Agendapunt 5. Arbeidstijden mobiel personeel burgerluchtvaart
| Titel voorstel: | Richtlijn van de Raad inzake de Europese Overeenkomst betreffende de organisatie van arbeidstijd van mobiel personeel in de burgerluchtvaart |
| Document: | 9844/00 SOC 238 AVIATION 30 |
| Aard bespreking: | Politiek akkoord |
De Commissie heeft een voorstel ingediend voor een richtlijn van de Raad inzake de Europese Overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijden van mobiel personeel in de burgerluchtvaart. De overeenkomst is gesloten door de Association of European Airlines (AEA), de European Transport Workers' Association (ETF), de European Cockpit Association (ECA), de European Regions Airline Association (ERA) en de International Air Carrier Association (IACA) in het kader van de sociale dialoog.
De richtlijn en de overeenkomst dient ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemer. Mobiele werknemers in de burgerluchtvaart waren tot voor kort van de arbeidstijdenrichtlijn (2000/34/EG) uitgesloten. Het voorliggende voorstel van de Commissie, is een verbijzondering van de algemene arbeidstijdenrichtlijn. Het voorstel voorziet o.m. in een maximale arbeidstijd en bloktijd per jaar, het minimum aantal rustdagen, het recht op betaald verlof per jaar en het recht op gratis medische keuring. De bepalingen die nu worden voorgesteld, gaan niet verder dan de bepalingen in de algemene richtlijn arbeidstijden, behalve daar waar dat in verband met de bijzondere aard van het werk in deze sector noodzakelijk is.
Het voorstel belet niet de totstandkoming van een Europese regeling die de veiligheid van de vluchtuitvoering wil garanderen.
Nederland staat positief tegenover de overeenkomst die door sociale partners in de burgerluchtvaart is gesloten en ondersteunt het verbindend verklaren van de overeenkomst middels een Europese richtlijn. De richtlijn zal tot gevolg hebben dat het Nederlandse Arbeidstijdenbesluit vervoer op enkele punten gewijzigd zal moeten worden.
Agendapunten 6 en 7. Pakket Anti-discriminatie maatregelen volgens artikel 13
| Titel voorstellen: | Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in werkgelegenheid en beroep |
| Voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bestrijding van discriminatie (2001–2006) | |
| Documenten: | 13 540/99 SOC 433 JAI 110 |
| 13537/99 SOC 432 JAI 109 FIN 450 | |
| Aard bespreking: | Politiek akkoord |
Het Voorzitterschap streeft er naar om een politiek akkoord te bereiken over de richtlijn tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in werkgelegenheid en beroep en over een besluit tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bestrijding van discriminatie. Nederland steunt het Voorzitterschap daarin. De haalbaarheid van het bereiken van een politiek akkoord is mede afhankelijk van de tijdige ontvangst van het advies van het Europees Parlement (EP). Het EP moet in het kader van de raadplegingsprocedure nl. een advies uitbrengen over de zogenoemde Kaderrichtlijn en het actieprogramma alvorens hierover een besluit kan worden genomen in de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid.
Het kabinet heeft eerder bij brief van 30 mei 2000 te kennen gegeven grote waarde te hechten aan de totstandkoming van gelijke behandelingsnormen op EU-niveau. De Kaderrichtlijn beoogt discriminatie op het terrein van godsdienst en levensovertuiging, leeftijd, handicap en seksuele geaardheid tegen te gaan. De non-discriminatiegrond ras of etnische afstamming is geen onderdeel van de Kaderrichtlijn omdat het derde onderdeel van het artikel 13 pakket, de «Richtlijn houdende tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming» op 19 juli 2000 reeds in werking is getreden. Zoals bekend maakt de non-discriminatiegrond geslacht ook geen onderdeel uit van de Kaderrichtlijn omdat hiervoor al uitgebreide Europese regelgeving bestaat, waaronder met name richtlijn 76/207/EEG over gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid. Onlangs is voorgesteld deze tweede richtlijn te herzien. De Europese Commissie heeft aangegeven dat het voornemen bestaat om, op basis van artikel 13 EG-Verdrag, op termijn met een richtlijnvoorstel te komen voor de grond geslacht voor andere terreinen dan de arbeid.
Het actieprogramma op grond van artikel 13 van het EG-Verdrag heeft als doel het ondersteunen van de inspanningen van lidstaten ter bestrijding van discriminatie in de Europese Unie door middel van transnationale projecten. Dit betekent dat in de praktijk met name die organisaties in aanmerking komen, die over voldoende personele en financiële middelen en over de infrastructuur beschikken om deel te nemen aan dergelijke projecten. Het kabinet acht het van belang dat ook kleinere organisaties met levensvatbare voorstellen een kans krijgen en streeft ernaar een aantal waarborgen voor de gewenste uitvoering van het actieprogramma in te bouwen.
Het Kabinet heeft op 22 september jl. een uitgebreide notitie naar de Kamer gezonden waarin de vragen uit het AO van 30 mei 2000 inzake het artikel 13-pakket uitvoerig zijn beantwoord. Voor de inhoudelijke inzet van Nederland in de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid zij verwezen naar deze notitie.
Agendapunt 8. Werken op hoogte
| Titel voorstel: | Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot tweede wijziging van richtlijn 89/655/EEG betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats (2e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16 van Richtlijn 89/391/EEG) («steigers en ladders») |
| Document: | 13631/98 SOC 469 |
| Aard bespreking: | Politiek akkoord over een gemeenschappelijk standpunt |
In de bestaande Richtlijn 89/655/EEG worden minimumvoorschriften aangegeven inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van permanente arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats. Het voorstel voor wijziging van Richtlijn 89/655/EEG is bedoeld om bij het verrichten van werkzaamheden op hoogte vanaf tijdelijke arbeidsmiddelen arbeidsongevallen terug te dringen. Het vallen van hoogte is één van de meest voorkomende oorzaken van arbeidsongevallen. Het voorstel stelt minimumvoorschriften voor het gebruik van arbeidsmiddelen voor de toegang tot en het verblijf op werkplekken op hoogte. Daarbij gaat het in het bijzonder om het gebruik van steigers en ladders. Er wordt bepaald welke arbeidsmiddelen moeten worden gekozen bij tijdelijke werkzaamheden op hoogte, waarbij aan sommige arbeidsmiddelen specifieke voorwaarden zijn verbonden. Bepaalde taken mogen daarbij alleen worden uitgevoerd door personen die daarvoor een specifieke opleiding hebben gevolgd. Dit betreft ondermeer het opbouwen van steigers.
De noodzaak tot het treffen van maatregelen gericht op het terugdringen van risico's bij het werken op hoogte – niet alleen het risico van ongevallen, maar ook de risico's van uitval als gevolg van de zeer ongunstige werkhouding bij onder meer het werken op ladders – wordt door Nederland onderschreven.
Met het voorliggende gemeenschappelijk standpunt kan Nederland instemmen. Dit standpunt is tot stand gekomen na consiliatie met het Europees Parlement.
Het gemeenschappelijk standpunt heeft als belangrijk onderscheid met het oorspronkelijk voorstel van de Europese Commissie dat de tekst op onderdelen zodanig is aangepast dat het de Lidstaten ruimte biedt om op nationaal niveau invulling te geven aan de minimale doelstellingen van de Europese regels. Verder is er, op verzoek van Nederland, naast de implementatieperiode van 3 jaar nog een overgangstermijn ingevoegd van 2 jaar. Dit om het Midden- en Kleinbedrijf de ruimte te bieden om de noodzakelijke investeringen te doen.
Consequentie van aanvaarding van de ontwerp richtlijn is namelijk dat werkgevers sommige werkmethodes, waarbij tijdelijke arbeidsmiddelen worden gebruikt voor het werken op hoogte, moeten aanpassen. Vooral zal het gebruik van ladders als werkplek moeten worden teruggedrongen. Branches die tot nu toe hun werkzaamheden veel vanaf ladders uitvoeren zijn schilders, glazenwassers e.d.
Agendapunt 9. Bestrijding van armoede en sociale uitsluiting
| Titel: | Omschrijving van passende doelstellingen met het oog op de Europese Raad van Nice |
| Document: | 11728/00 SOC 308 |
| Aard bespreking: | Bespreking |
Ondanks de goede macro economische vooruitzichten en de toename van de werkgelegenheid in de EU heeft een deel van de EU bevolking hier niet of slechts ten dele van kunnen profiteren. Bij het nastreven van de strategische doelstelling waartoe is Lissabon besloten is, is de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting dan ook aangemerkt als een van de kern elementen. Aangegeven is in Lissabon dat een beleid dat sociale uitsluiting wil bestrijden, moet stoelen op een open coördinatie methode. Nederland hecht groot belang aan de werkzaamheden van het in december 2000 op te richten Comité voor de Sociale Bescherming dat bij de verdere uitwerking van deze methode een centrale rol zal vervullen.
De groep op hoog niveau «Sociale bescherming» (de voorloper van dit Comité) heeft van de Europese Raad van Lissabon de opdracht gekregen om aan de Europese Raad van Nice in december 2000 een voorstel te doen voor gemeenschappelijke doelstellingen ter bestrijding van sociale uitsluiting. Aan de hand van deze doelstellingen dienen de lidstaten nationale actieplannen op te stellen.
De groep heeft aan de hand van een voorstel van het Franse voorzitterschap over de inhoud en structuur van de gemeenschappelijke doelstellingen gesproken. Dit heeft geresulteerd in de volgende vier pijlers die aan de Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 17 oktober aanstaande zullen worden voorgelegd:
• Het bevorderen van arbeidsdeelname en van de toegang van een ieder tot voorzieningen, rechten, goederen en diensten
• Het voorkomen van uitsluitingsrisico's
• Optreden ten behoeve van de meest kwetsbaren
• Het mobiliseren van alle actoren
Het voorstel biedt een goede basis voor de verdere uitwerking van de coördinatiemethode. Nederland heeft steeds het belang benadrukt van een solide pijlerstructuur die een heldere, ambitieuze prioriteitstelling uitstraalt en praktische handvaten voor beleidsacties biedt. Nederland heeft dan ook voorgesteld om te werken langs de lijnen van vier duidelijk herkenbare pijlers te weten werk, inkomen, toegang tot basisvoorzieningen en participatie. Hoewel in de voorgestelde structuur de elementen werk, inkomen, toegang en participatie inhoudelijk tot uitdrukking komen, is Nederland nog steeds van mening dat het eigen voorstel omwille van de transparantie en de efficiëntie de voorkeur verdient. Het besteden van specifieke aandacht aan kwetsbare groepen beschouwt Nederland als een vooropstaande prioriteit die, aan alle doelstellingen ten grondslag dient te liggen. Het voorstel onderschrijft op verzoek van Nederland deze aanpak. Daarnaast heeft het waarborgen van de toegang van een ieder tot de kenniseconomie en ICT hoge prioriteit alsmede het optimaal benutten van de mogelijkheden van ICT voor het vormen en versterken van sociale netwerken.
Ander belangrijk punt voor Nederland betreft het waarborgen van de coherentie met de werkgelegenheidsstrategie en het ontwikkelen van een goede samenwerking tussen het Comité voor de Sociale Bescherming en het Werkgelegenheidscomité (EMCO). In het voorstel wordt aangegeven dat de implementatie van de werkgelegenheidsrichtsnoeren eerste prioriteit is en wordt aangegeven dat de beide strategieën nauw op elkaar dienen aan te sluiten.
Naar Nederlandse mening dient voorts gewaakt te worden voor een overvloed aan papier. Bij de nationale plannen, die eens in de twee jaar zullen worden opgesteld, dient een praktische op output (resultaat) gerichte benadering te worden voorgestaan die een goede basis legt voor gezamenlijke vervolgacties in de vorm van uitwisseling van goede praktijken en benchmarking.
Agendapunt 10. Voorstel voor een richtlijn van het Parlement en de Raad over informatie en raadpleging van werknemers
| Titel voorstel: | Voorstel voor een richtlijn van het Parlement en de Raad over informatie en raadpleging van werknemers. |
| Document: | 13099/98 SOC 428 |
| Aard bespreking: | Oriënterend openbaar debat |
De discussie in de Raad over het richtlijn voorstel inzake informatie en raadpleging van werknemers heeft een oriënterend karakter. Het Franse voorzitterschap heeft te kennen gegeven groot belang te hechten aan een spoedige afronding van de bespreking van dit dossier.
De voorgestelde richtlijn is bedoeld om te voorzien in de lacunes en tekortkomingen van de regelgeving op nationaal en communautair niveau inzake de informatie en raadpleging van werknemers. Werknemers dienen geïnformeerd en geconsulteerd te worden met betrekking tot de economische en strategische ontwikkeling van de onderneming en de beslissingen die hen aangaan. Ook beoogt het voorstel de sociale dialoog en het wederzijds vertrouwen binnen de onderneming te versterken.
Ondernemingen met 50 of meer werknemers krijgen de verplichting om werknemers (vertegenwoordigers) te informeren en raadplegen over:
• de recente en redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen van de activiteiten van de onderneming en van haar economische en financiële toestand;
• de toestand, de structuur en de redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling van de werkgelegenheid binnen de onderneming en indien de werkgelegenheid bedreigd wordt welke anticiperende maatregelen getroffen worden om de negatieve gevolgen voor de werknemers te beperken;
• beslissingen die zouden kunnen leiden tot ingrijpende veranderingen m.b.t. de organisatie van het werk of de arbeidsovereenkomst.
Ondernemingen met minder dan 100 werknemers kunnen worden uitgezonderd van de verplichting tot informatie en raadpleging over de werkgelegenheid.
Nederland, dat vanuit de eigen overlegtraditie veel waarde hecht aan medezeggenschap van werknemers, staat positief tegenover het voorstel. Minimum harmonisatie op dit terrein zal leiden tot evenwichtigere concurrentieverhoudingen tussen ondernemingen binnen de Unie. Lidstaten die nog weinig geregeld hebben op dit terrein zullen ook moeten overgaan tot het institutionaliseren van de medezeggenschap op ondernemingsniveau. Dit zal vooral van belang zijn voor de uitvoering van de richtlijn inzake de Europese ondernemingsraden, die als uitgangspunt heeft dat de medezeggenschap binnen ondernemingen op nationaal niveau geregeld is. In het algemeen geldt dat het als gevolg van de internationalisering van het bedrijfsleven en de arbeidsverhoudingen van toenemend belang is dat de momenteel zeer uiteenlopende nationale regelingen met betrekking tot informatie en raadpleging van werknemers meer op elkaar afgestemd worden. Ook in het licht van de totstandkoming van het Handvest Grondrechten alsmede de komende uitbreiding van de EU is het gewenst om een kader met minimumnormen voor de informatie en raadpleging van werknemers vast te stellen.
De Tweede Kamer heeft recent het verzoek gedaan om met een nadere standpuntbepaling rond deze richtlijn te komen. Omdat het wenselijk is daarbij in te gaan op de eerste discussie in de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid zal de Tweede Kamer deze standpuntbepaling zo spoedig mogelijk na de Raad ontvangen.
Agendapunt 11. Europese Sociale Agenda
| Titel: | Mededeling van de Commissie aan de Raad «Een agenda voor het sociaal beleid» |
| Document: | COM (2000) 379 definitief |
| Aard bespreking: | Stand van zaken naar aanleiding van de mededeling van de Commissie |
Op de Top van Lissabon hebben de regeringsleiders van de EU-lidstaten afgesproken tijdens hun ontmoeting in Nice, in december van dit jaar een nieuwe Europese Sociale Agenda overeen te komen. Deze agenda zal deel uitmaken van een geïntegreerde strategie ter verwezenlijking van het nieuwe strategische doelstelling voor de EU, waaraan de lidstaten zich in Lissabon hebben gecommitteerd. Binnen 10 jaar zal de EU de meest competitieve en dynamische economie van de wereld te zijn die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechte sociale samenhang.
Een eerste gedachtenwisseling over de Europese sociale agenda heeft plaatsgevonden op de informele Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 8 juli jl. te Parijs (zie het verslag dat u op 14 juli jl. is toegezonden). Op de Raad van 17 oktober zal het voorzitterschap de stand van zaken rond de formulering van de Sociale Agenda opmaken. Het zal o.m. verslag doen van de bevindingen die een hoge vertegenwoordiger van de Franse regering tijdens bilaterale consultaties van de ministers van de lidstaten heeft verzameld. Naast deze bevindingen zal de Commissie Mededeling «Een agenda voor het sociaal beleid» het uitgangspunt van de verdere besprekingen in de Raad vormen. Deze mededeling heb ik u reeds toegezonden met het verslag van de informele Raad van juli jl..
Met de publicatie van deze mededeling heeft de Europese Commissie een eerste positieve aanzet gegeven voor de formulering van de sociale beleidsprioriteiten van de EU voor de komende jaren. Voor een vijftal terreinen heeft de Commissie een pakket van doelstellingen en bijbehorende acties geformuleerd. Daarbij gaat het om:
• Volledige werkgelegenheid en arbeidskwaliteit. Dit omvat de bevordering van meer – en betere – banen, een beter evenwicht tussen werk en privéleven, een beter werkgelegenheidsbeleid, een passende beloning, een aan de behoeften van het bedrijf en het individu aangepaste arbeidsorganisatie en is gebaseerd op hoogwaardige vaardigheden, goede arbeidsvoorwaarden en een passende bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk. Ook de bevordering van de arbeidsmobiliteit valt hieronder.
• Kwaliteit van het sociaal beleid, in de zin van een hoog niveau van sociale bescherming, een goede sociale dienstverlening aan iedereen in Europa, reële mogelijkheden voor iedereen en waarborging van de sociale grondrechten.
• De kwaliteit van de arbeidsverhoudingen, waarbij de Commissie de nadruk legt op de inbreng van de Sociale Dialoog en het vermogen om overeenstemming te bereiken over diagnose, methoden en middelen om de (gezamenlijke) agenda van alle betrokken partijenaan te passen en te moderniseren. Hiertoe behoort volgens de Commissie ook het in goede banen leiden van industriële veranderingen en bedrijfsherstructureringen.
• De voorbereiding op de uitbreiding van de EU die vooral in het teken staat van het monitoren van de implementatie van EU-regelgeving door de kandidaat-lidstaten.
• De verbetering van de samenwerking van de EU met internationale organisaties als ILO, OESO en Raad van Europa.
Met haar aandacht voor genoemde beleidsterreinen en de voorgestelde doelen sluit de mededeling van de Commissie aan bij de prioriteiten die door de Europese Raad van Lissabon zijn geformuleerd. Ook is Nederland verheugd dat de opvatting dat sociaal beleid een productieve factor voor een goed functionerende economie is het uitgangspunt vormt van de mededeling. Een goed sociaal beleid vormt het fundament van de veranderingsbereidheid en de grotere flexibiliteit die van werknemers in de kenniseconomie wordt gevraagd en zorgt voor de beschikbaarheid van goed opgeleid en gemotiveerd personeel. Ook de nadruk die de Commissie in haar mededeling legt op de kwaliteit van arbeid, arbeidsverhoudingen en sociaal beleid kan Nederland onderschrijven. Investeringen in zowel de kwaliteit van het arbeidsaanbod, als van de arbeidsrelatie en de arbeidsplaats betekenen een stimulans voor het optimaal realiseren van het werkgelegenheidspotentieel in Europa.
Nederland is van mening dat gelet op de ambitieuze doelstelling op het terrein van de arbeidsparticipatie een eerste en centrale opgave voor de sociale agenda gelegen is in een intensivering en versterking van het werkgelegenheidsbeleid van de EU. Op een viertal punten acht Nederland aanvullingen noodzakelijk om de gewenste verhoging van de deelname aan het arbeidsproces tot stand te kunnen brengen:
• De beleidsinspanningen in de lidstaten dienen de komende jaren meer dan voorheen ook gericht te zijn op het nog onbenutte arbeidspotentieel, in het bijzonder onder (langdurig) uitkeringsgerechtigden. De sociale zekerheidssystemen zullen naast het bieden van een inkomenswaarborg voldoende prikkels moeten bevatten om werk te aanvaarden.
• Nederland is voorstander van een verbreding van het activerend arbeidsmarktbeleid van werklozen naar een grotere groep van inactieven. De sluitende aanpak die voor jonge en voor volwassen werklozen zijn diensten heeft bewezen, zal de komende jaren uitgebreid moeten worden naar langdurig werklozen. In het activerend beleid zal de komende tijd ook meer aandacht besteed moeten worden aan de verhoging van de deelname van allochtonen, ouderen en gehandicapten.
• In combinatie met de activerend sociaal beleid is het investeren in hoogwaardig initieel onderwijs dat voor iedereen op gelijke wijze toegankelijk is, van essentieel belang. Voorkomen moet worden dat door een gebrek aan kansen in onderwijs en scholing, bepaalde groepen uit de samenleving in permanente achterstandspositie raken. In een op kennis gebaseerde economie houdt leren niet op bij het verlaten van school. De mogelijkheden om een leven lang te leren zullen in toenemende mate het innovatieve vermogen en de concurrentiekracht van de economie mede bepalen. Bij het creëren van die mogelijkheden ligt een belangrijke taak voor werkgevers en werknemers. De overheid zal hierbij moeten zorgen voor de goede randvoorwaarden, die mensen voldoende prikkelt om eigen vaardigheden te verhogen.
• Met het oog op de veranderingen op en om de werkplek als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen en de transformatie naar een kenniseconomie bepleit Nederland een actief beleid ter verbetering van de organisatie van de arbeid en de kwaliteit van het werk. Daarbij denkt Nederland onder meer aan het vinden van een betere balans tussen werk en privéleven, arbeid en zorg, het vinden van een adequate balans tussen flexibiliteit en zekerheid en de bestrijding van de werkdruk en nieuwe risco's van arbeidsuitval. Een beleid terzake kan een belangrijke bijdrage aan de verhoging van de arbeidsparticipatie leveren, niet in de laatste plaats door het beperken van de arbeidsuitval.
Nederland is van mening dat werk het beste middel tegen sociale uitsluiting is en zal daarom niet ophouden dit ook in EU-verband te herhalen. Tegelijk moet voorkomen worden dat mensen die (tijdelijk) niet of niet meer aan de arbeidsmarkt kunnen deelnemen, bedreigd worden door sociale uitsluiting. Overeenkomstig de door de ER in Lissabon geformuleerde uitgangspunten voor de bestrijding van de sociale uitsluiting dient derhalve de ontwikkeling van de instrumenten van de open coördinatiemethode een belangrijke plaats op de sociale agenda van de EU in te nemen. Nederland is van mening dat evenals bij het werkgelegenheidsbeleid de vergelijking van de beleidsresultaten door «benchmarking» en het benoemen van «best practices» een belangrijke aansporing voor de lidstaten kunnen vormen, om bij de modernisering van hun stelsels van sociale bescherming een effectief beleid ter bevordering van de sociale cohesie te voeren. De ontwikkeling van beperkt aantal realistische en heldere doelstellingen op grond van goed gedefinieerde indicatoren die nauw aansluiten bij de mogelijkheden van beleid dienen naar opvatting van Nederland met kracht te worden ontwikkeld. Daarmee moet worden voorkomen dat de samenwerking terzake verzandt in een bureaucratische papieren exercitie.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-130.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.