nr. 123
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 mei 2000
Aanleiding
Met deze brief bied ik u het Nationaal Actieplan Werkgelegenheid 2000
(NAP) aan, dat dezer dagen door mij aan de Europese Commissie en de Raad is
toegezonden1. Het NAP geeft een overzicht van
het beleid op het gebied van werkgelegenheid en arbeidsmarkt, op basis van
de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid, zoals die zijn vastgesteld
door de Raad op 13 maart jl. Met het opstellen van het Nationaal Actieplan
Werkgelegenheid 2000 voldoet Nederland aan de uitvoering van de afspraken
die op Europees niveau zijn gemaakt in het kader van de Europese werkgelegenheidsstrategie.
Conform de toezegging van de vorige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
in een Algemeen Overleg met de Vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken en
Werkgelegenheid op 11 november 1999, en de toezegging die door mij is bevestigd
in een Algemeen Overleg op 18 april jongstleden, zal ik u bijgaand informeren
over het verdere verloop van de procedure, en de momenten waarop het Nederlandse
kabinet invloed kan uitoefenen op de vaststelling van de richtsnoeren 2001.
De Europese Werkgelegenheidsstrategie
De Europese werkgelegenheidsstrategie is gericht op een gecoördineerde
bestrijding van werkloosheid in Europa (nieuwe Verdragstitel over werkgelegenheid
in het EU-Verdrag, paragraaf VII artikel 125 tot en met 130). De coördinatie
bestrijkt het jaarlijks vaststellen van werkgelegenheidsrichtsnoeren conform
artikel 128 van het Verdrag. De op te stellen richtsnoeren zijn verschillend
van aard en geven de richting van beleid aan zonder het beleid exact voor
te schrijven. Jaarlijks schrijven de lidstaten aan de hand van de richtsnoeren
een Nationaal Actiepogramma Werkgelegenheid (NAP). In 2000 is dit NAP voor
derde keer verschenen. De Europese Raad en de Commissie stellen vervolgens
gezamenlijk een analyse vast (Joint Employment Report) en bespreken
de best pratices. Daar waar wenselijk kan de Raad individuele aanbevelingen
doen aan de lidstaten.
Om deze procedure in gang te zetten zal de Commissie in de loop van september
2000 een voorstel presenteren voor het Joint Employment Report. Vervolgens
kunnen de lidstaten in overleg met de Commissie, zowel via het ambtelijke
voorportaal, het Werkgelegenheidscomité (EMCO), als op politiek niveau
via de Sociale Raad hun reactie geven op de analyse van de Commissie. Voorafgaand
aan het verschijnen van het Joint Employment Report zal de Raad conform artikel
128 een beoordeling uitvoeren van de NAP's van de lidstaten. Deze beoordeling
wordt voorbereid in het ambtelijke voorportaal, het Werkgelegenheidscomité,
en zal vervolgens de Sociale Raad kunnen helpen om politieke sturing te geven
aan de inhoud van het Joint Employment Report en aan het opstellen van landenspecifieke
aanbevelingen in het najaar.
Tegelijkertijd met het presenteren van een voorstel Joint Employment Report,
dat wil zeggen medio september 2000, zal de Commissie een voorstel doen voor
richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid voor 2001. Tot op dat moment
is bij de lidstaten niet bekend met welk voorstel de Europese Commissie gaat
komen. Wel ga ik ervan uit dat bij het opstellen van richtsnoeren 2001 dit
jaar ook rekening gehouden wordt met de prioriteiten en doelstellingen die
door de regeringsleiders zijn overeengekomen tijdens de bijzondere Europese
Raad van Lissabon in maart jongstleden.
Het voorstel voor werkgelegenheidsrichtsnoeren van de Europese Commissie
zal parallel aan het Joint Employment Report besproken worden in de ambtelijke
voorportalen en in de Sociale Raad in het najaar. Via deze besprekingen kunnen
lidstaten hun invloed uitoefenen op de inhoud van de richtsnoeren. Op nationaal
niveau zal het kabinet, net als voorgaande jaren is gebeurd, voorafgaand aan
deze besprekingen een kabinetsstandpunt opstellen. Streven is dit standpunt
zo tijdig mogelijk – dat wil zeggen bij voorkeur voor de eerste bespreking
van het Joint Employment Report en het voorstel richtsnoeren 2001 in de Sociale
Raad – in het bezit zal zijn van de Tweede Kamer.
Het exacte tijdstip waarop de besprekingen plaatsvinden alsmede het exacte
verloop van de procedure wordt uiteindelijk bepaald door het Voorzitterschap.
Op dit moment is nog niet bekend op welke wijze het Franse Voorzitterschap
de procedure het komende halfjaar wil volgen.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W. A. F. G. Vermeend