Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 21501-18 nr. 122 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 21501-18 nr. 122 |
Vastgesteld 1 mei 2000
De algemene commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben op 18 april 2000 overleg gevoerd met minister Vermeend van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de agenda Sociale Raad van 8 mei 2000.
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Bussemaker (PvdA) vroeg de minister zich in te spannen voor een gelijkwaardige positie van de Sociale Raad ten opzichte van de Ecofin-raad, vooral daar waar de macht van de Ecofin-raad te groot dreigt te worden. Wanneer wordt de toezegging over een snellere toezending van de brief over de voortgang met de werkgelegenheidsrichtsnoeren nagekomen? Dat moet in ieder geval op korte termijn gebeuren, zodat de Kamer daar nog vóór het zomerreces over kan praten. Wellicht kan er dan ook worden aangesloten bij de globale richtsnoeren voor het economisch beleid. Op de top van Lissabon zijn afspraken gemaakt over onder andere de vergroting van de arbeidsmarktparticipatie in het algemeen en die van vrouwen in het bijzonder, over de combinatie van scholing en arbeid en over de ontwikkeling van een benchmark voor kinderopvang. Hoe gaat de regering deze afspraken verwerken in de economische en de werkgelegenheidsrichtsnoeren?
De minister verwacht dat misschien al tijdens de Sociale Raad van 6 juni a.s. afspraken worden gemaakt over het pakket antidiscriminatiemaatregelen volgens artikel 13, maar mevrouw Bussemaker was niet zo optimistisch, ook gelet op de ontwikkelingen in het Europees Parlement. Dit pakket is wel heel belangrijk. Daarom moet er een zorgvuldige behandeling plaatsvinden, ook in de Kamer. Komt de notitie daarover inderdaad per 1 mei naar de Kamer? Vindt daarin ook toetsing plaats van de diverse richtlijnen aan de in Nederland bestaande antidiscriminatiewetgeving? Daarover heeft deze commissie de minister al een brief gestuurd. Hoe staat het met de contacten van het ministerie met de sociale partners en de NGO's over artikel 13? Mevrouw Bussemaker was bezorgd dat er voor de uitsluiting van discriminatie op grond van geslacht wellicht een minder scherpe discriminatiegrond zal gaan gelden in de toekomst dan voor ras, etniciteit en dergelijke. Hoe schat de minister de verdere voortgang in?
De heer Van der Staaij (SGP) was benieuwd naar de opstelling van de regering met betrekking tot het pakket antidiscriminatiemaatregelen, want de Kamer heeft de aangekondigde notitie nog niet kunnen bespreken. Klopt het dat de Sociale Raad op 8 mei a.s. nog geen besluit over het pakket neemt? Hij vond dat niet wenselijk, want ook zijn fractie had zorgvuldigheid op dit punt hoog in het vaandel staan, ook gelet op de diverse gevoeligheden. De Kamer moet de uiteindelijke voorstellen serieus kunnen beoordelen. Wil het Portugese voorzitterschap deze kwestie echt in deze periode afronden? Diverse problemen, zoals de toepassing op onderdanen van derde landen en de bewijslast, zijn nog niet opgelost.
Er is in Nederland een indringende nationale discussie gevoerd over antidiscriminatie in het kader van de Algemene wet gelijke behandeling. De heer Van der Staaij verwees de minister naar de ontstaansgeschiedenis van die wet. Wat hem betreft hoeft die discussie niet op Europees niveau te worden overgedaan. Destijds bij de behandeling van het Verdrag van Amsterdam stond zijn fractie ook niet te juichen over artikel 13, want zaken die daarop betrekking hebben moeten niet onnodig naar het Europese niveau worden getild. Wat dat betreft hechtte hij zeer aan de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel. Wat nationaal kan worden geregeld, hoeft niet Europees te worden geregeld. Ook in internationale verdragen is al flink wat geregeld op dit terrein, bijvoorbeeld in het Europees verdrag voor de rechten van de mens. Hoe verhouden de voorstellen terzake zich tot het Europees handvest van grondrechten? De regering heeft bij de behandeling van het antidiscriminatieartikel in het Verdrag van Amsterdam gezegd dat het Nederlandse beleid op dit punt niet verder wordt gewijzigd. Toch wordt in de fiche van 14 februari jl. geconstateerd dat de richtlijn op een aantal onderdelen verder gaat dan de Nederlandse regelgeving. Hoe zit dat?
In de fiche staat ook dat een aantal zaken nader wordt bestudeerd. Een gevoelig punt is de onderlinge verhouding en afbakening in de voorstellen, ook gelet op de andere grondrechten op nationaal niveau, zoals de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede de positie van identiteitsgebonden organisaties, het bijzonder onderwijs en kerkgenootschappen. Die zaken behoeven een zorgvuldige uitwerking. Het geestelijk ambt en de rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen zijn uitgesloten van de toepassing van de Algemene wet gelijke behandeling. Zijn dergelijke uitzonderingen ook in de Europese voorstellen aan te brengen? Is de minister bereid zich in te zetten voor het opnemen van een clausule in de voorstellen die dit soort uitzonderingen op nationaal niveau mogelijk maakt? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de onderhandelingen in de werkgroep van de Raad?
Mevrouw Verburg (CDA) was blij met de voortvarendheid die de minister ontwikkelt met betrekking tot een Europees verbod op discriminatie, maar de zorgvuldigheid is ook van belang. Wat is de relatie tussen het EG-verdrag op dit punt en de Algemene wet gelijke behandeling? Doen zich wat dat betreft knelpunten of overlappingen voor? Hoe staat het met de naleving en de handhaving van de Europese antidiscriminatiemaatregelen? In artikel 13 komt te staan dat discriminatie vanwege etnische origine niet mogelijk moet zijn, maar op de Nederlandse arbeidsmarkt komt die nog wel degelijk voor, vooral als het gaat om allochtonen en vluchtelingen met een verblijfsvergunning. Ondanks hun vaak hoge opleiding hebben zij moeite zich een plaatsje te verwerven op de arbeidsmarkt. Ook hun diploma's worden niet gemakkelijk erkend. Hoe kan het EG-verdrag wat dit betreft de helpende hand reiken? Wellicht valt er nog iets te leren van de andere Europese lidstaten.
Hoe gaat de Europabrede databank voor banen en leermogelijkheden straks in Nederland werken en waar wordt die ondergebracht? Als UVI's en arbeidsvoorziening al nauwelijks weten wat er in hun kaartenbakken zit, hoe kan een databank op Europees niveau dan up to date worden gehouden? Wat de leermogelijkheden betreft zijn er al terzake kundige bureaus in Nederland aanwezig. Leidt een en ander niet tot dubbel werk? Daar komt bij dat arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid een zaak van de lidstaten zelf is. De werkloosheid onder allochtone nieuwkomers op de Europese arbeidsmarkten is groter dan die onder autochtonen. Is de minister bereid in het overleg met zijn collega's extra aandacht te besteden aan een gelijke behandeling van en gelijke kansen voor nieuwkomers en vluchtelingen in de Europese lidstaten?
Mevrouw Örgü (VVD) vond dat de aanpak van de inactiviteit en het op elkaar laten aansluiten van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt één van de grootste uitdagingen van het kabinet moet zijn. Zij pleitte voor activering en scholing, het activeren van mensen met een uitkering, het benutten van het arbeidspotentieel van vrouwen, ouderen en allochtonen, het tegengaan van de uitval van oudere werknemers richting VUT en WAO, het lonender maken van werk, het stringenter sanctioneren van niet-werkwilligen en het beperken en afschaffen van de inkomensafhankelijke regelingen. Ten slotte moet er niet korter, maar langer worden gewerkt. Wat doet het kabinet met de aanbevelingen van de Commissie? De richtlijnen worden voor het eerst ook naar de sociale partners gestuurd, maar wat wordt er met hun reactie gedaan?
Mevrouw Örgü hechtte ook zeer aan het pakket antidiscriminatiemaatregelen, maar wat dragen de richtlijnen op dat punt bij aan de Nederlandse situatie? Papieren rompslomp moet in ieder geval worden voorkomen. Komt de toegezegde notitie inderdaad nog vóór 1 mei a.s.?
De minister zegde toe dat hij zich maximaal zal inspannen om te komen tot een zoveel mogelijk gelijkwaardige positie van de Sociale Raad, vergeleken met die van de Ecofin-raad. De invloed van de Sociale Raad op het totale proces moet duidelijker naar voren komen, ook in de richting van de Europese Raad. Deze kwestie mag niet alleen worden overgelaten aan de Ecofin-raad.
De Kamer kan de voortgang met de werkgelegenheidsrichtsnoeren na het meireces bespreken. Vóór 1 mei zal het kabinet komen met een notitie en het nationaal actieplan, waarin ook de Lissabonaanbevelingen zijn verwerkt. Het NAP zal de Kamer zo spoedig mogelijk worden toegestuurd. Desgevraagd zegde de minister toe in de begeleidende brief een voorstel op te nemen over de verdere procedure voor het nationaal actieplan, ook Europees. De minister gaf aan het noodzakelijk te vinden dat het advies van de Sociale Raad aan de Ecofin-raad over de globale richtsnoeren ook aan de Europese Raad kenbaar gemaakt wordt. In de notitie wordt ook ingegaan op de Nederlandse inzet aangaande het pakket antidiscriminatiemaatregelen. De opmerkingen van de Kamer hierover, ook in relatie tot de eventuele strijdigheid of overlappingen met de Algemene wet gelijke behandeling, en over het werkgelegenheidsbeleid worden daarin verwerkt.
De kwestie van de handhaving moet nog naar het nationale niveau worden getild. Zover is het nog niet. Bespreking in de Kamer is dus nog niet aan de orde. De minister betwijfelde of er in het verdrag een artikel staat dat een rol kan spelen bij de erkenning van diploma's, maar hij zou dat laten nagaan. De kwestie van de discriminatie vanwege etnische origine wordt meegenomen in de notitie.
Op de Sociale Raad van 8 mei a.s. komen vooral technische aspecten aan de orde. De inzet van het Portugese voorzitterschap wat betreft de antidiscriminatiemaatregelen is vooral gericht op het bevorderen van de voortgang. Het is de bedoeling op de Sociale Raad van 6 juni a.s. te komen tot een globaal politiek akkoord. Op basis daarvan kan uitwerking plaatsvinden. De Kamer kan daarover al in mei van gedachten wisselen met de regering ter gelegenheid van de behandeling van de meinotitie. De laatste informatie luidt dat de werkgroep van de Raad zich momenteel vooral buigt over technische zaken. Als er meer informatie komt, dan wordt de Kamer schriftelijk ingelicht.
Wat betreft de Europabrede databank wachtte de minister eerst het Commissievoorstel af, ook met betrekking tot de vormgeving en het up to date houden van de gegevens. Als daarover duidelijkheid bestaat, dan volgt nationale implementatie.
Samenstelling: Leden: Weisglas (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (RPF/GPV), Voûte-Droste (VVD), Verhagen (CDA), Rouvoet (RPF/GPV), Van Oven (PvdA), ondervoorzitter, Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Hoekema (D66), De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Weekers (VVD), Timmermans (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Patijn (VVD), voorzitter, Karimi (GroenLinks), Eurlings (CDA), Bussemaker (PvdA), Van den Akker (CDA), Albayrak (PvdA) en Van Baalen (VVD).
Plv. leden: Blaauw (VVD), Dittrich (D66), Van den Berg (SGP), Wilders (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), De Graaf (D66), Valk (PvdA), Van Bommel (SP), Remak (VVD), Ter Veer (D66), Van der Knaap (CDA), Waalkens (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Geluk (VVD), Zijlstra (PvdA), Mosterd (CDA), Verbugt (VVD), M. B. Vos (GroenLinks), Visser-van Doorn (CDA), Feenstra (PvdA), Balkenende (CDA), Örgü (VVD), Gortzak (PvdA) en Crone (PvdA).
Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Kalsbeek (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF/GPV), Bakker (D66), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Verburg (CDA), Smits (PvdA), Spoelman (PvdA), Van der Staaij (SGP), Örgü (VVD), Harrewijn (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Balkenende (CDA), Wilders (VVD), Santi (PvdA) en Snijder-Hazelhoff (VVD).
Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Hamer (PvdA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Van Middelkoop (RPF/GPV), Van Vliet (D66), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Eisses-Timmerman (CDA), Schoenmakers (PvdA), Middel (PvdA), Van Walsem (D66), Weekers (VVD), Vendrik (GroenLinks), Rosenmöller (GroenLinks), Wagenaar (PvdA), Mosterd (CDA), De Vries (VVD), Oudkerk (PvdA) en Klein Molekamp (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-122.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.