21 501-18
Sociale Raad

21 501-07
Ecofin-Raad

nr. 118
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 6 maart 2000

De algemene commissie voor Europese Zaken1, de vaste commissie voor Financiën2 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid3 hebben op 24 februari 2000 overleg gevoerd met minister De Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over verslag Ecofin/Sociale Raad (Jumboraad) van 29 november 1999 (21 501-18/21 501-07 nr. 113).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Van den Burg (PvdA-fractie van het Europees Parlement) achtte het van belang dat de relatie van innovatie en sociale samenhang op de komende top in Portugal wordt benadrukt. Wellicht kan Nederland zich aansluiten bij het door België en Engeland uitgebrachte document – met onder meer een benchmarkingproces m.b.t. armoede en sociale uitsluiting – ter voorbereiding van de top.

De heer De Haan (CDA) was het opgevallen dat het informatieniveau van de verslagen van de Jumbo Raad en de Sociale Raad achterblijft bij dat van de Ecofin-Raad. De Sociale Raad moet gelijkwaardig zijn aan de Ecofin-Raad.

De nog steeds hoge werkloosheid in Europa dient door een gezamenlijke aanpak te worden bestreden. De uitvoering ligt evenwel bij de nationale lidstaten. Op Europees niveau wordt betrekkelijk obligaat gesproken over participatie van ouderen, allochtonen en slecht opgeleiden.

De heer De Haan wilde weten waaruit de werkgelegenheidsstrategie bestaat. Welk instrumentarium heeft Europa om een snelle en innoverende economie tot stand te brengen?

Benchmarking en best practices beginnen op economisch terrein te werken. Is dat ook het geval terzake van de werkgelegenheid, sociale aanpassing en integratie?

Mevrouw Bussemaker (PvdA) merkte op dat de werkgelegenheidsrichtsnoeren vruchten afwerpen. Er is sprake van een succesvol beleid. De daling van de werkloosheid met 2,5 miljoen personen is belangrijk. Zij kon zich herkennen in de opmerking in het verslag van de Jumbo Raad over de wenselijkheid van een hogere groei en daarmee toenemende werkgelegenheid, de noodzaak van structurele hervormingen en een krachtige bestrijding van sociale ongelijkheden.

Tijdens de Jumbo Raad zijn de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid voor 2000 goedgekeurd. De suggestie van de Commissie om additionele, kwantitatieve doelstellingen van het Europees Parlement toe te voegen werd slechts door één lidstaat gesteund. Welke lidstaat was dat? De minister heeft al eerder doen blijken niet geporteerd te zijn van kwantitatieve doelstellingen. Het opnemen van kwantitatieve doelstellingen ten aanzien van gelijke kansen en kinderopvang vond mevrouw Bussemaker een goede zaak. Wat is op dit punt de inzet van Nederland geweest?

Zij was het ermee eens dat voorkomen moet worden dat het werkgelegenheidsbeleid leidt tot een zeer grote papierstroom. Concentratie op «best» of wellicht «weak practices» zou interessant zijn. Zij vatte het samen als «van bad naar best practices». Wat zijn de bad practices van Nederland? De Wet aanpassing arbeidsduur bestempelde zij als de best practices.

Mevrouw Bussemaker vroeg aandacht voor de samenhang van werkgelegenheids- en economische richtsnoeren waarover de SER een advies heeft uitgebracht. De SER pleit voor meer samenhang tussen de economische richtsnoeren en de werkgelegenheidsrichtsnoeren. De inhoud zou meer op elkaar moeten aansluiten door de werkgelegenheidsrichtsnoeren een uitwerking van de economische richtsnoeren te laten zijn en omgekeerd. Ook wordt voorgesteld de economische richtsnoeren concreter te maken door middel van een rapportagesysteem. In het kader van het sociaal beleid moeten er richtsnoeren komen over de sociale zekerheid, scholing en pensioenen. De Sociale dialoog en het Economisch-sociaal comité (ESC) moeten meer samenwerken en meer samenhang vertonen. Het ESC zou zich moeten ontwikkelen tot een Europese SER die let op de grote lijnen van het sociaal-economisch beleid. Het ESC moet niet allerlei organisaties herbergen.

Ten slotte pleitte mevrouw Bussemaker ervoor in een eerder stadium – voor de zomer – over de voortgang van de werkgelegenheidsrichtsnoeren van gedachten te wisselen.

Mevrouw Örgü (VVD) vroeg wanneer de kwestie van de rol van de werknemers in de Europese vennootschap op positieve wijze kan worden afgerond.

In het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de uitbreiding tot de onderdanen van derde landen betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de gemeenschap verplaatsen, wordt vermeld dat zoveel mogelijk gelijke behandeling van legaal verblijvende onderdanen van derde landen met EU-burgers moet plaatsvinden. Welke landen behoren tot die derde landen? Welke rechten hebben de legaal verblijvende onderdanen niet?

Mevrouw Örgü hechtte veel waarde aan de richtlijn voor gelijke behandeling bij de toegang tot werk en beroep, de richtlijn gelijke behandeling ten aanzien van ras en etnische afstamming betreffende onder andere werk, onderwijs en sociale bescherming en een besluit voor een actieprogramma ter ondersteuning van de uitvoering van de richtlijnen. Dit hangt nauw samen met het pleidooi van de Nederlandse regering voor de intensivering van de potentiële integratie van allochtonen en etnische minderheden. Hoe verhoudt dit pleidooi zich tot de Nederlandse situatie waarin het slecht gaat met de werkgelegenheid van allochtonen? Op Europees niveau kan een lichte coördinatie plaatsvinden. De uitwerking moet op nationaal niveau gestalte krijgen.

Mevrouw Schimmel (D66) sloot zich aan bij de opmerking van de heer De Haan over de gelijkwaardigheid van economisch en sociaal beleid, van de Sociale Raad en de Ecofin-Raad. Steeds weer moet erop worden gewezen hoe belangrijk sociaal beleid is voor de economische ontwikkeling. Door het ontwikkelen van richtsnoeren voor de werkgelegenheid is meer sprake van kwantitatieve taakstellingen. Dat is een stap voorwaarts. Hoe wil de minister die gelijkwaardigheid bereiken?

Antwoord van de regering

De minister memoreerde dat iedere maand over het Europees werkgelegenheidsbeleid en al jaren over de werkgelegenheidsstrategie wordt gesproken. Het gebruik van het woord «obligaat» doet geen recht aan het werk dat op het gebied van de werkgelegenheid wordt verricht.

Het Portugese voorzitterschap heeft voor het eerst helder naar voren gebracht dat economische vernieuwing hand in hand hoort te gaan met bevordering van sociale samenhang en cohesie. Terzake van het sociale beleid moet rekening worden gehouden met verschillende culturen. Er is de afgelopen jaren consensus gevonden over verbreding van de Sociale agenda. Een ambtelijke werkgroep is bezig om de agenda behandelbaar te maken voor de verschillende lidstaten.

De minister bestreed een tegenstander te zijn van kwantitatieve doelstellingen. Hij is wel tegen kwantitatieve doelstellingen op punten waar de kwantiteit niet kan worden gestuurd. Het is zaak realistische politiek te bedrijven. Het formuleren van kwantitatieve doelstellingen terzake van de kinderopvang heeft op Europees niveau geen zin, omdat de situatie in ieder land anders is.

Het voorlopige oordeel van de minister over het rapport van de SER was dat sprake is van een aansprekend rapport. De sociale zekerheid en de pensioenen – in sommige lidstaten een explosief thema – staan in Europa op de rol. Hij kon niet goed beoordelen wat de SER voorstelt over het ESC. Gevraagd of het ESC een soort van Europese SER moet worden, waarbij het primaat bij de sociale partners dan wel bij vele sociale bewegingen (onder meer NGO's) ligt, stelde de minister dat in het kader van de Europese besluitvorming sociale partners een prominentere rol krijgen en derhalve de vraag kan worden gesteld of het nog eens in het ESC moet worden overgedaan. Bij verbreding van het ESC met allerlei organisaties rijst de vraag hoe de adviezen van die organisaties moeten worden gewogen.

De minister herhaalde zijn toezegging dat de Kamer een brief krijgt over de werkgelegenheidsrichtsnoeren. In mei zal informatie worden verstrekt over de rapportage die ten behoeve van Brussel wordt voorbereid.

Hij was het er niet mee eens dat de Sociale Raad niet gelijkwaardig is aan de Ecofin-Raad. De afgelopen jaren is het evenwicht tussen de Sociale Raad en de Ecofin-Raad niet alleen formeel maar ook materieel beter geregeld. De voorbereidingen voor beide Raden worden beter op elkaar afgestemd.

Ten slotte gaf de minister aan, de vragen van mevrouw Örgü te beantwoorden in het algemeen overleg over de Sociale Raad.

De voorzitter van de algemene commissie voor Europese Zaken,

Patijn

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Van Gijzel

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Terpstra

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Van Dijk


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Weisglas (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Voûte-Droste (VVD), Verhagen (CDA), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), ondervoorzitter, Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Hoekema (D66), De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Weekers (VVD), Vendrik (GroenLinks), Timmermans (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Patijn (VVD), voorzitter, Karimi (GroenLinks), Eurlings (CDA), Bussemaker (PvdA), Bos (PvdA), Van den Akker (CDA), Albayrak (PvdA) en Van Baalen (VVD).

Plv. leden: Blaauw (VVD), Dittrich (D66), Van den Berg (SGP), Wilders (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), De Graaf (D66), Valk (PvdA), Van Bommel (SP), Remak (VVD), Ter Veer (D66), Van der Knaap (CDA), Waalkens (PvdA), Geluk (VVD), Harrewijn (GroenLinks), Zijlstra (PvdA), Mosterd (CDA), Verbugt (VVD), M.B. Vos (GroenLinks), Visser-van Doorn (CDA), Feenstra (PvdA), Crone (PvdA), Balkenende (CDA), Örgü (VVD) en Gortzak (PvdA).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Reitsma (CDA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Van Gijzel (PvdA), voorzitter, Voûte-Droste (VVD), De Vries (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Marijnissen (SP), Kamp (VVD), Giskes (D66), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), ondervoorzitter, Wijn (CDA), Vendrik (GroenLinks), Stroeken (CDA), Remak (VVD), Van Beek (VVD), Balkenende (CDA), Bos (PvdA) en Kuijper (PvdA).

Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Verburg (CDA), Koenders (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Smits (PvdA), Duijkers (PvdA), Balemans (VVD), Wilders (VVD), Van Oven (PvdA), De Wit (SP), Patijn (VVD); Schimmel (D66), Kalsbeek (PvdA), Hoekema (D66), Van Walsem (D66), Blok (VVD), Dankers (CDA), Van den Akker (CDA), Rabbae (GroenLinks), Hillen (CDA), Hessing (VVD), Weekers (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Hindriks (PvdA) en Timmermans (PvdA).

XNoot
3

Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Kalsbeek (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Verburg (CDA), Smits (PvdA), Spoelman (PvdA), Van der Staaij (SGP), Örgü (VVD), Harrewijn (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Balkenende (CDA), Wilders (VVD), Santi (PvdA) en Snijder-Hazelhoff (VVD).

Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Hamer (PvdA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Eisses-Timmerman (CDA), Schoenmakers (PvdA), Middel (PvdA), Van Walsem (D66), Weekers (VVD), Vendrik (GroenLinks), Rosenmöller (GroenLinks), Wagenaar (PvdA), Mosterd (CDA), De Vries (VVD), Oudkerk (PvdA) en Klein Molekamp (VVD).

Naar boven